Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202000148/2/R1

Uitspraak 202000148/2/R1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2020:1609
Datum uitspraak
6 juli 2020
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 7 november 2019 heeft de raad van de gemeente Amsterdam het bestemmingsplan "Oud West 2018" vastgesteld.
  • Voorlopige voorziening
  • RO - Noord-Holland

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202000148/2/R1.
Datum uitspraak: 6 juli 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te Amsterdam,

en

de raad van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Oud West 2018" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker] en anderen beroep ingesteld. [verzoeker] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Stadsherstel Amsterdam N.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 juni 2020, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.M. Kaajan, advocaat in Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. F. Arents en drs. M. Zwaagman, zijn verschenen. Verder zijn ter zitting De Hollandsche Manege en Stadsherstel Amsterdam, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het plan is conserverend van aard en maakt geen nieuwe, grootschalige ontwikkelingen mogelijk. Het plan heeft betrekking op het gebied Oud-West, gelegen in stadsdeel West in Amsterdam. Het plangebied bestaat uit diverse locaties, waaronder de Vondelstraat 140.

Stadsherstel Amsterdam is eigenaar van het daar aanwezige gebouw De Hollandsche Manege, een rijksmonument. Het gebouw is in gebruik bij de Stichting Levend Paardenmuseum De Hollandsche Manege en de rijschool De Hollandsche Manege VOF.

3.    [verzoeker] en anderen richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Sport-2" voor het perceel Vondelstraat 140. Zij kunnen zich niet ermee verenigen dat de gronden met deze bestemming ook zijn bestemd voor culturele voorzieningen voor zover die feitelijk ter plaatse niet plaatsvinden. In dat verband voeren zij - kort gezegd - aan dat motivering van de planologische aanvaardbaarheid van culturele voorzieningen voor zover die feitelijk ter plaatse niet plaatsvinden, ontbreekt. [verzoeker] en anderen wijzen erop dat in de aanvraag van Stadsherstel Amsterdam om een omgevingsvergunning onder andere een bijeenkomstfunctie voor 985 personen is opgenomen op de gronden die zijn aangeduid als rijbaan. Zij vrezen dat als het bestemmingsplan in werking treedt en de gevraagde omgevingsvergunning mede gelet daarop zou worden verleend, het toegestaan zou zijn om per dag 985 personen in de manege toe te staan ten behoeve van culturele voorzieningen. Het verzoek van [verzoeker] en anderen om een voorlopige voorziening is erop gericht dit te voorkomen.

4.    De raad en Stadsherstel Amsterdam stellen dat met het verzoek om een voorlopige voorziening geen spoedeisend belang is gemoeid. Volgens de raad en Stadsherstel Amsterdam waren culturele voorzieningen in het voorheen geldende plan "Oud West" (hierna: het voorheen geldende plan) al mogelijk. De omgevingsvergunning die Stadsherstel Amsterdam op 5 oktober 2018 heeft aangevraagd heeft volgens de raad slechts betrekking op het veranderen en vernieuwen van een rijksmonument en het toevoegen van een inpandige bedrijfswoning en kantoorruimte en ziet niet op een bijeenkomstfunctie.

5.    De voorzieningenrechter stelt vast dat het plan op grond van artikel 15, lid 15.1, aanhef en onder b, van de planregels op de gronden met de bestemming "Sport-2" culturele voorzieningen mogelijk maakt. Ingevolge artikel 1, lid 1.28, van de planregels wordt onder "culturele voorzieningen" verstaan: "musea, (muziek)theaters, dansscholen, expositieruimten en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen, met inbegrip van bijbehorende ondergeschikte horeca". Verder is ter zitting gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat de culturele voorzieningen die nu met het voorliggende plan zijn voorzien ook planologisch mogelijk waren onder het voorheen geldende plan.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding voor de conclusie dat zich in afwachting van de behandeling van het beroep door de Afdeling onomkeerbare gevolgen voordoen vanwege de inwerkingtreding van het bestemmingsplan die de gevraagde voorziening rechtvaardigt. Daartoe wordt overwogen dat er weliswaar een omgevingsvergunning is aangevraagd, maar dat deze omgevingsvergunning ziet op het veranderen en vernieuwen van een rijksmonument en het toevoegen van een inpandige bedrijfswoning en kantoorruimte. Deze omgevingsvergunning ziet niet op culturele voorzieningen die nu al ter plaatse feitelijk niet plaatsvinden. Ter zitting hebben [verzoeker] en anderen aangegeven dat zij geen bezwaar hebben tegen de museumfunctie en de daar bijbehorende ondergeschikte horeca die nu feitelijk aanwezig zijn. Zij hebben ook geen bezwaar tegen de bouw en het gebruik van de bedrijfswoning en kantoorruimte. Evenmin hebben zij bezwaar tegen verbouwing of restauratie van De Hollandsche Manege. Voor zover [verzoeker] en anderen erop hebben gewezen dat in de aanvraag om omgevingsvergunning een aantal van 985 personen ten behoeve van een bijeenkomstfunctie is opgevoerd, heeft de raad ter zitting toegelicht dat volgens het Bouwbesluit 2012 het aantal personen per m² in het pand inzichtelijk moet worden gemaakt en dat dit aantal van 985 personen daarop ziet en niet op de hoeveelheid beoogde en in het pand toegestane bezoekers. Dit komt de voorzieningenrechter niet onaannemelijk voor. De voorzieningenrechter ziet verder in het door [verzoeker] en anderen aangevoerde dat ten onrechte een motivering van de planologische aanvaardbaarheid van culturele voorzieningen ontbreekt, geen aanleiding om tot de verzochte schorsing van artikel 15, lid 15.1, aanhef en onder b, van de planregels over te gaan. In de toelichting op het plan ontbreekt op dit punt weliswaar een motivering, die in het licht van het feit dat de planregeling juist op dit punt afwijkt van het ontwerpplan in de rede had gelegen, maar er bestaat op voorhand geen grond voor het oordeel dat de raad geen deugdelijke motivering kan geven voor de continuering van culturele voorzieningen op dit perceel. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat culturele voorzieningen planologisch ook mogelijk waren onder het voorheen geldende plan. Het standpunt van de raad ter zitting dat deze culturele voorzieningen immers passen in het door de raad gevoerde beleid van het maken van een conserverend bestemmingsplan komt de voorzieningenrechter niet onjuist voor. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat met het verzoek geen spoedeisend belang is gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

6.    Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2020

414-877.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon