Uitspraak 202000263/1/V2 en 202000263/2/V2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2020:1237
- Datum uitspraak
- 20 mei 2020
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 september 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en haar aanvraag tot wijziging van die verblijfsvergunning afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Regulier
Toon inhoud
202000263/1/V2 en 202000263/2/V2.
Datum uitspraak: 20 mei 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 december 2019 in zaak nr. 19/1561 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 24 september 2018 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en haar aanvraag tot wijziging van die verblijfsvergunning afgewezen.
Bij besluit van 1 februari 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 december 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door [gemachtigde], hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hogerberoepschrift bevat geen gronden. Daarom kan het hoger beroep niet in behandeling worden genomen. De Vw 2000 sluit namelijk uit dat buiten de termijn voor het indienen van hoger beroep alsnog gronden worden aangevoerd (artikel 85, derde lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Sevenster w.g. Van Loon
voorzieningenrechter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2020
572-942.