Uitspraak 202002158/1/V3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2020:1096
- Datum uitspraak
- 22 april 2020
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 7 maart 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
202002158/1/V3.
Datum uitspraak: 22 april 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 20 maart 2020 in zaak nr. NL20.6064 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 7 maart 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 20 maart 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat te Velp, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 27 maart 2020. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. De vreemdeling heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Wat de vreemdeling heeft aangevoerd, is geen reden om het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen. Het op een later moment in het openbaar uitspreken van de uitspraak, zoals de rechtbank in verband met de uitbraak van het coronavirus in haar uitspraak heeft aangekondigd, heeft namelijk geen gevolgen voor de termijn voor het instellen van hoger beroep (zie de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:992).
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2020
47-873.