Uitspraak 201907911/3/V6
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2020:1038
- Datum uitspraak
- 15 april 2020
- Inhoudsindicatie
- [appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 september 2019 in zaak nr. 18/7281.
- Geheimhoudingsbeslissing
- Openbaarheid
Toon inhoud
201907911/3/V6.
Datum beslissing: 15 april 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 september 2019 in zaak nr. 18/7281 in het geding tussen:
[appellante]
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 september 2019 in zaak nr. 18/7281.
De minister van Buitenlandse Zaken heeft, op verzoek van de Afdeling krachtens artikel 8:45 van de Awb, een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Het betreft de aan het individueel ambtsbericht van [appellante] van 3 november 2014 ten grondslag liggende stukken:
1. een memorandum van 23 januari 2014 van de afdeling Migratie en Asiel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan de Nederlandse ambassade in Kigali
2. een bericht van 19 juni 2014 van de Nederlandse ambassade in Kigali aan de afdeling Migratie en Asiel, met bijlage
3. een e-mailwisseling van 17 juli, 1, 2 en 3 oktober 2014 tussen de afdeling Migratie en Asiel en de Nederlandse ambassade in Kigali.
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen.
2. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.
3. Naar het oordeel van de Afdeling weegt de bescherming van de geraadpleegde bronnen en de gebruikte onderzoeksmethoden en -technieken zwaarder dan het belang dat [appellante] kennis neemt van de stukken.
4. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek toe.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Bijloos w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2020
488.