Uitspraak 201902188/1/A1


Volledige tekst

201902188/1/A1.
Datum uitspraak: 18 december 2019

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 februari 2019 in zaak nr. 18/1607 in het geding tussen:

het college

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2017 heeft de minister de geldigheidsduur van de aan Vermilion Energy Netherlands B.V. verleende opsporingsvergunning koolwaterstoffen Lemsterland verlengd tot 1 juli 2025.

Bij besluit van 2 mei 2018 heeft de minister het door het college daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 6 februari 2019 heeft de rechtbank het door het college daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

De minister en Vermilion hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2019, waar het college, vertegenwoordigd door A. Smeenk en F. Wiersma, bijgestaan door mr. A. Kwint-Ocelíková, advocaat te Groningen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. L. Brand en mr. E.J. Hoppel, zijn verschenen. Ter zitting is tevens Vermilion, vertegenwoordigd door mr. drs. H.M. Israëls, advocaat te Amsterdam en mr. R. Olivier, advocaat te Den Haag, gehoord.

Overwegingen

1.    Bij besluit van 14 juni 2010 heeft de minister van Economische Zaken aan Vermilion Oil &Gas Netherlands B.V. een opsporingsvergunning verleend voor koolwaterstoffen voor het gebied Lemsterland.

Bij besluit van 8 augustus 2014 heeft de minister van Economische Zaken de aan Vermilion Oil & Gas Netherlands B.V. bij besluit van 14 juni 2010 verleende opsporingsvergunning gewijzigd.

Bij besluit van 1 september 2017 heeft de minister naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag de geldigheidsduur van de op 14 juni 2010 verleende, en op 8 augustus 2014 gewijzigde, opsporingsvergunning verlengd.

Het college kan zich met deze verlenging niet verenigen en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 mei 2018 heeft de minister dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Relevante regelgeving

2.    Artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt:

"De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager."

Artikel 6:7 luidt:

"De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken."

Artikel 6:8, eerste lid, luidt:

"De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt."

Artikel 6:11 luidt:

"Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest."

Artikel 18, vijfde lid, van de Mijnbouwwet luidt:

"Van een beschikking tot wijziging van een vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant."

Omschrijving van het geschil

3.    Het besluit van 1 september 2017 is een besluit op een aanvraag van Vermilion. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van een dergelijk besluit door toezending van het besluit aan de aanvrager. Niet in geschil is dat de minister het besluit op 1 september 2017 aan Vermilion heeft toegezonden en daarmee dat besluit op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt. Voorts is niet in geschil dat op grond van de artikelen 6:7 en 6:8, eerste lid, van de Awb, de termijn voor het maken van bezwaar is aangevangen op 2 september 2017 en geëindigd op 13 oktober 2017.

Evenmin is in geschil dat de minister in overeenstemming met artikel 18, vijfde lid, van de Mijnbouwwet, op 27 november 2017, in de Staatscourant mededeling van het besluit heeft gedaan.

4.    Het college heeft zijn bezwaarschrift op 8 januari 2018, en dus buiten de termijn, ingediend. In geschil is onder meer of het college verschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt.

De rechtbank heeft overwogen dat dat niet het geval is. Zij heeft het beroep van het college tegen het besluit van 2 mei 2018 ongegrond verklaard.

Beoordeling van het hoger beroep

5.    Het college betoogt ten eerste dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, omdat in de Staatscourant geen datum van verzending van het besluit aan Vermilion is opgenomen, het ervan uit mocht gaan dat het besluit van 1 september 2017 pas op 27 november 2017 aan Vermilion is verzonden.

5.1.    In de publicatie is vermeld dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt en dat bezwaar kan worden ingediend binnen zes weken na de dag van verzending van dit besluit. Ook is vermeld dat het besluit is verzonden op de in de aanhef vermelde datum. Weliswaar is in de aanhef de datum van verzending niet vermeld, maar het had in dit geval op de weg van het college gelegen om kennis te nemen van het besluit en van de datum van verzending van dit besluit. Dit geldt temeer, omdat naast de publicatie van het besluit in deze zaak op 27 november 2017 ook mededeling in de Staatscourant is gedaan van twee andere besluiten waarbij de geldigheidsduur van eerder aan Vermilion verleende opsporingsvergunningen voor gebieden binnen de gemeente De Fryske Marren is verlengd. In die mededelingen is wel vermeld dat de besluiten op 1 september 2017 zijn verzonden. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding om niet uit te gaan van de datum van 2 september 2017 als aanvang van de bezwaartermijn.

Het betoog faalt.

6.    Het college betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de minister zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Het college voert daartoe aan dat het vaste rechtspraak van de Afdeling is dat de termijn van twee weken voor het maken van bezwaar gaat lopen op het moment dat de belanghebbende daadwerkelijk van de vergunningverlening op de hoogte is geraakt. Het is niet van belang wanneer een belanghebbende op de hoogte had kunnen zijn van het besluit. Het college verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1904.

Het college voert verder aan dat de minister, door het niet zo spoedig mogelijk doen van de mededeling van het besluit in de Staatscourant, het college de mogelijkheid heeft ontnomen om ten volle gebruik te maken van zijn recht om bezwaar te maken. Door het doen van de mededeling nadat de bezwaartermijn verlopen was, had het college in feite een verkorte bezwaartermijn van twee weken.

Het college voert verder aan dat de mededeling in de Staatscourant slecht te vinden was, omdat zowel de postcode als de naam van de gemeente niet in de mededeling is opgenomen. Voorts wijst het college erop dat het geen melding van de vergunningverlening via overheid.nl heeft gekregen.

6.1.    De door het college bedoelde rechtspraak heeft betrekking op zaken waarbij een belanghebbende van het nemen van een besluit waarvan de bekendmaking op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden niet schriftelijk op de hoogte is gesteld en daarvan geen publicatie heeft plaatsgevonden. Deze situatie doet zich hier niet voor. Van het besluit tot verlenging van de opsporingsvergunning is immers op grond van artikel 18, vijfde lid, van de Mijnbouwwet mededeling gedaan in de Staatscourant.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 7 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ9536, is de hoofdregel dat, indien publicatie van een vergunning heeft plaatsgevonden, termijnoverschrijding bij het maken van bezwaar daartegen niet verschoonbaar kan worden geacht. Uitgangspunt is immers dat belanghebbenden daarvan kennis hadden kunnen en behoren te nemen.

De mededeling van het besluit in de Staatscourant heeft op 27 november 2017 plaatsgevonden. Dat is na het einde van de bezwaartermijn. De publicatie is, zoals de rechtbank heeft overwogen, weliswaar laat, maar niet in strijd met artikel 18, vijfde lid, van de Mijnbouwwet. Het lag in dit geval op de weg van het college om zo spoedig mogelijk, dat wil zeggen in beginsel binnen twee weken na de publicatie, bezwaar te maken. Dat het college, zoals het aanvoert, door de late publicatie geen termijn van zes weken had om bezwaar te maken, is juist, maar niet valt in te zien dat het college niet binnen twee weken na de publicatie een summier bezwaarschrift tegen het besluit had kunnen indienen met het verzoek om later de gronden van het bezwaar te mogen indienen of aanvullen.

6.2.    Uitgaande van de datum van de mededeling in de Staatscourant van 27 november 2017, begon de twee weken termijn te lopen op 28 november 2017 en is hij geëindigd op 11 december 2017. Het college heeft pas op 8 januari 2018 bezwaar gemaakt.

6.3.    De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht. De Afdeling volgt het college niet in zijn betoog dat het niet van de mededeling in de Staatscourant op de hoogte had kunnen zijn. Hoewel de postcode van het gebied en de naam van de gemeente waarin het project wordt uitgevoerd niet in de publicatie in de Staatscourant zijn vermeld, is in de mededeling wel vermeld dat de verleende vergunning betrekking heeft op het gebied Lemsterland. Naar het oordeel van de Afdeling is hiermee de inhoud van de mededeling voldoende duidelijk. De omstandigheid dat het college zich heeft aangemeld bij de e-mailservice van www.overheid.nl brengt niet mee dat het college er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het op de hoogte zou worden gehouden van besluiten die voor hem mogelijk van belang zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4238). Bedoelde e-mailservice laat onverlet dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van het college behoort om daar zorg voor te dragen. De gevolgen van zijn keuze om daarbij te vertrouwen op de e-mailservice van www.overheid.nl komen voor zijn risico.

Het betoog dat, zoals het college ter zitting heeft aangevoerd, de minister ten onrechte heeft nagelaten het college te informeren en in de gelegenheid te stellen zienswijzen in te dienen, als bedoeld in artikel 4:8 van de Awb is een inhoudelijk bezwaar, gericht tegen wijze waarop de minister het besluit heeft voorbereid en is, wat daar ook van zij, naar het oordeel van de Afdeling geen reden om op grond daarvan aan te nemen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

6.4.    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister het bezwaar van het college terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog faalt.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Slump    w.g. Pieters
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019

473.