Uitspraak 201900693/1/V2


Volledige tekst

201900693/1/V2.
Datum uitspraak: 18 juli 2019

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 15 januari 2019 in zaken nrs. NL18.23723 en NL18.23726 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluiten van 10 december 2018 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 15 januari 2019 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. R.P. van Empel-Bouman, advocaat te 's-Hertogenbosch, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De staatssecretaris klaagt in de grieven, kort samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ontoereikend heeft gemotiveerd waarom voor Hazara in Ghazni geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU (PB 2011, L 337; hierna: de Kwalificatierichtlijn). Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat uit recente door de vreemdelingen ingeroepen informatie volgt dat de Taliban het herkomstgebied van de vreemdelingen volledig onder controle hebben en gerichte aanvallen doen op Hazara's. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank ten onrechte in de beoordeling heeft betrokken dat de vreemdelingen Hazara zijn.

1.1.    Zoals de staatssecretaris terecht betoogt, spelen individuele omstandigheden, zoals het behoren tot een etnische groep, geen rol bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Die beoordeling ziet namelijk op de vraag of de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat iedere burger die terugkeert naar dat land of gebied, louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op een bedreiging als bedoeld in het genoemde artikelonderdeel (zie overweging 5 e.v. van de uitspraak van de Afdeling van 4 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1). De rechtbank heeft daarom ten onrechte in de beoordeling betrokken dat de vreemdelingen Hazara zijn.

De grieven slagen.

2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat de rechtbank niet alle gronden van beroep heeft besproken, wordt de zaak naar haar teruggewezen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van wat hiervoor is overwogen. De rechtbank kan dan de door de vreemdelingen aangevoerde veiligheidssituatie in Ghazni betrekken bij de toetsing aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdelen 1 en 2, van de Vreemdelingenwet 2000 (zie overweging 6.1 van de genoemde uitspraak van 4 januari 2018). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 15 januari 2019 in zaken nrs. NL18.23723 en NL18.23726;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Yildiz
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2019

307-920.