Uitspraak 200502366/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AT6202
- Datum uitspraak
- 25 april 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 februari 2005 is [de vreemdeling] in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
200502366/1.
Datum uitspraak: 25 april 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 15 maart 2005 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2005 is [de vreemdeling] in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 15 maart 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, het met een kennisgeving vanwege appellant (hierna: de minister) daartegen aanhangig gemaakte beroep gegrond verklaard, de opheffing van de bewaring bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 maart 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 25 maart 2005 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In grief 1 klaagt de minister dat de rechtbank, door te overwegen dat de bewaring van aanvang af onrechtmatig is geweest, omdat zij er niet tijdig van in kennis is gesteld, heeft miskend dat de bewaring eerst onrechtmatig is vanaf de dag waarop de termijn voor het indienen van de kennisgeving is geëindigd.
2.1.1. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), voorzover thans van belang, stelt de minister uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel, bedoeld in artikel 59, de rechtbank hiervan in kennis, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld.
2.1.2. Niet-tijdige verzending van de vorenbedoelde kennisgeving leidt eerst met ingang van de dag volgend op de dag waarop de aldus gestelde termijn eindigt tot strijdigheid van de bewaring met die bepaling. Uit de stukken, waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting in eerste aanleg, blijkt voorts niet dat andere gronden zijn aangevoerd die tot het oordeel kunnen leiden dat de bewaring van aanvang af onrechtmatig was. De rechtbank heeft derhalve de bewaring ten onrechte vanaf het begin onrechtmatig geacht. De grief slaagt.
2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling dat de bewaring met ingang van 2 maart 2005 onrechtmatig is.
2.3. Ingevolge artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000, voorzover thans van belang, kan de rechtbank aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen, indien zij de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt. Artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
Ingevolge laatstbedoelde bepaling heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voorzover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
2.3.1. Artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000, strekt ertoe te verzekeren dat, ingeval de vreemdeling zelf geen beroepschrift bij de rechtbank indient tegen een besluit tot inbewaringstelling, dit besluit desalniettemin, uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking daarvan, ter beoordeling aan de rechtbank wordt voorgelegd en dient ter verzekering van de rechtszekerheid en rechtsbescherming van de vreemdeling. De verantwoordelijkheid voor het verzenden van de kennisgeving aan de rechtbank is ten volle bij de minister gelegd.
2.3.2. In dit licht kan slechts onder bijzondere omstandigheden aanleiding bestaan tot matiging van de schadevergoeding. Nu de vreemdeling evenwel vanaf het moment van zijn staandehouding stelselmatig heeft geweigerd op enigerlei wijze aan zijn uitzetting mee te werken, bestaat aanleiding zodanige bijzondere omstandigheden aan te nemen en de schadevergoeding tot nihil te matigen.
2.4. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 15 maart 2005 in zaak no. AWB 05/9338;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. stelt het bedrag van de schadevergoeding op nihil;
V. veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. R. van der Spoel , Leden, in tegenwoordigheid van
mr. Y.M. van Soest-Ahlers, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Van Soest-Ahlers
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2005
343-480.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,