Uitspraak 201901193/1/A2 en 201901193/2/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2019:978
- Datum uitspraak
- 3 april 2019
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 5 april 2018 heeft de algemene raad het verzoek van [appellant] om in aanmerking te komen voor een vierde toetskans afgewezen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Verordeningen
Toon inhoud
201901193/1/A2 en 201901193/2/A2.
Datum uitspraak: 3 april 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Nijmegen,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 31 januari 2019 in zaak nrs. 18/6709 en 18/6720 in het geding tussen:
[appellant]
en
de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: de algemene raad).
Procesverloop
Bij besluit van 5 april 2018 heeft de algemene raad het verzoek van [appellant] om in aanmerking te komen voor een vierde toetskans afgewezen.
Bij besluit van 3 december 2018 heeft de algemene raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 31 januari 2019 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De algemene raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op
21 maart 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. E. Tahitu, advocaat te Amsterdam, en de algemene raad, vertegenwoordigd door mr. M.E. Veenboer, zijn verschenen.
Overwegingen
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Inleiding
2. [appellant] volgde de beroepsopleiding advocaten. Om deze opleiding te voltooien moest hij alle examenonderdelen met goed gevolg afleggen. Voor de examenonderdelen jaarrekening lezen en de minor burgerlijk recht heeft hij echter driemaal een onvoldoende behaald. [appellant] heeft de algemene raad voor beide vakken verzocht om een vierde toetskans, omdat strikte toepassing van de regels in zijn geval tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3.19, negende lid, van de Verordening op de advocatuur (hierna: de Verordening) leidt. De algemene raad heeft dit verzoek om een extra toetskans afgewezen. Dit besluit heeft in bezwaar en beroep stand gehouden. [appellant] kan zich daar niet mee verenigen en is daarom in hoger beroep gekomen. Omdat hij - vanwege zijn financiële situatie - snel nieuwe toetsen wil kunnen aanvragen, heeft hij de voorzieningenrechter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Aangevallen uitspraak
3. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de algemene raad in redelijkheid heeft kunnen besluiten om [appellant] geen vierde toetskans te geven. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat niet is gebleken dat [appellant] in verband met zijn psychische of fysieke klachten niet in staat is geweest de toetsen af te leggen. Wat betreft de door [appellant] gestelde onregelmatigheden tijden de toets jaarrekening lezen op 18 juli 2017 - waarbij de deelnemers aan de toets niet direct konden inloggen - heeft de voorzieningenrechter overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat [appellant] een paniekreactie of een black-out heeft gehad. Hij heeft niet gemeld dat hij de toets niet kon voortzetten en is voor de opgelopen vertraging gecompenseerd met extra tijd. De financiële gevolgen voor [appellant] zijn weliswaar groot, maar de algemene raad heeft hieraan geen belang hoeven hechten, nu dit geldt voor alle stagiaires/ondernemers en het gaat om een risico waarmee de stagiaire bij aanvang van de opleiding bekend is, aldus de voorzieningenrechter.
Regelgeving
4. Artikel 3.19 van de Verordening luidt:
"[…]
6. De stagiaire kan per onderdeel ten hoogste drie maal een toets afleggen. […]
9. De algemene raad kan afwijken van het derde tot en met achtste lid in gevallen waarin toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard."
Hoger beroep
5. [appellant] wijst er in zijn hogerberoepschrift allereerst op dat weliswaar wordt gesproken van een vierde toetskans, maar dat het eigenlijk gaat om een hernieuwde derde toetskans, omdat bij zijn derde toets op 18 juli 2017 sprake was van psychische en fysieke beperkingen en onregelmatigheden tijdens de toets.
[appellant] wijst ter onderbouwing van zijn betoog over zijn psychische en fysieke klachten op de verklaring van psychotherapeut M. Tabesh van 16 februari 2018 en betoogt dat de rechtbank deze niet juist heeft geïnterpreteerd. Weliswaar staat hierin dat hij "in normale omstandigheden" andere gemaakte toetsen heeft gehaald, maar bij de toets van 18 juli 2017 was nu juist geen sprake van normale omstandigheden, aldus [appellant]. De met succes afgeronde toetsen waren bovendien mondeling. Verder wijst [appellant] erop dat de rechtbank de verklaring van psychiater H. Keijer van 19 november 2018 ten onrechte niet heeft meegewogen, terwijl daarin staat dat sprake kan zijn van "geblokkeerd raken" in stress-situaties.
Met betrekking tot de onregelmatigheden tijdens de toets van 18 juli 2017, betoogt [appellant] dat een probleem met het opstarten van een computer niet erg lijkt, maar dat voor hem wel is. Hem wordt ten onrechte verweten dat hij zich niet heeft gemeld naar aanleiding van zijn paniekreactie, maar een gevolg van deze black-out was nu juist dat hij niet meer helder kon nadenken, aldus [appellant]. Ter ondersteuning van dit betoog wijst [appellant] op een aanvullende verklaring van psychiater H. Keijer van 4 maart 2019.
5.1. De Afdeling stelt allereerst vast dat het betoog van [appellant] vooral ziet op de gang van zaken rondom de toets op 18 juli 2017, de toets jaarrekening lezen. De Afdeling begrijpt zijn betoog aldus, dat als zijn klachten over de onregelmatigheden bij de toets jaarrekening lezen slagen, dit tevens gevolgen heeft voor de andere toets, omdat hij deze kort daarna heeft gemaakt.
5.2. [appellant] heeft bij de toets jaarrekening lezen van 18 juli 2017 extra tijd gekregen voor deze toets en hij mocht deze toets in een rustiger omgeving maken. Voor aanvang van de toets waren er problemen met inloggen, waardoor hij circa 20 minuten later aan zijn toets kon beginnen. Gezien de door [appellant] overgelegde verklaringen van een psychotherapeut en een psychiater valt niet uit te sluiten dat hij door de problemen met inloggen grote stress heeft ervaren. De vertraging is echter gecompenseerd met extra tijd en nadat een medewerker heeft geprobeerd hem gerust te stellen, heeft [appellant] de toets gemaakt en deze uiteindelijk weliswaar afgesloten met een onvoldoende, maar wel met een hoger cijfer dan bij de twee eerdere toetsen. Dit duidt er niet op dat hij niet in staat was zijn toets te maken. Uit de stukken blijkt ook niet dat [appellant] op dat moment heeft aangegeven dat hij niet in staat was de toets te maken of voort te zetten. Hoewel in de verklaring van psychiater H. Keijer van 4 maart 2019 staat dat bewustzijnsvernauwing bij te grote stress of vermoeidheid "kan verklaren dat [[appellant]] niet bij machte [is] geweest om in de toetskans aan te geven dat [hij] geblokkeerd [was]", kan hieruit niet zonder meer worden afgeleid dat hij - hoewel hij al langere tijd bekend is met klachten in voor hem stresserende situaties - in het geheel niet in staat kon worden geacht te kennen te geven dat het maken van de toets voor hem op dat moment onmogelijk was. In het licht hiervan kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat hij geen reële kans heeft gehad om de derde toets te halen.
Het betoog faalt.
Conclusie
6. Gelet op het voorgaande heeft de algemene raad zich, hoewel dit besluit onvermijdelijk een grote impact heeft op [appellant], in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheden rondom de derde toetskans niet van dien aard zijn geweest dat hantering van het maximale aantal toetskansen van drie in dit geval zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De algemene raad mocht het verzoek van [appellant] om een vierde toetskans voor jaarrekeninglezen en de minor burgerlijk recht dan ook afwijzen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
8. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.
w.g. Sevenster w.g. Van Dokkum
voorzieningenrechter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2019
480.