Uitspraak 200509707/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AU8504
- Datum uitspraak
- 14 december 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 25 oktober 2005 is ten aanzien van [de vreemdeling] een vrijheidsontnemende maatregel toegepast, die nadien is voortgezet. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
200509707/1.
Datum uitspraak: 14 december 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/48925 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 17 november 2005 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 oktober 2005 is ten aanzien van [de vreemdeling] een vrijheidsontnemende maatregel toegepast, die nadien is voortgezet. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 17 november 2005, verzonden op 21 november 2005, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 november 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 29 november 2005 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan de vreemdeling, aan wie toegang is geweigerd, worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats.
Ingevolge het tweede lid kan een zodanige ruimte of plaats worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
2.2. In grief 1 klaagt de minister dat de rechtbank, door te overwegen dat vanaf 27 oktober 2005 een grondslag voor de detentie van de vreemdeling ontbrak, heeft miskend dat de grondslag hiervoor is gelegen in de toegangsweigering en dat met de maatregel is bedoeld te verzekeren dat de vreemdeling zich niet toch hier te lande ophoudt.
2.3. De vreemdeling is op 22 oktober 2005 de toegang geweigerd. Bij besluit van 25 oktober 2005 is aan de vreemdeling krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 de verplichting opgelegd zich in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen plaats of ruimte op te houden. Complex Schiphol-Oost is daarbij aangewezen als de desbetreffende plaats.
Op 27 oktober 2005 is de vreemdeling naar aanleiding van de brand in het Uitzetcentrum Schiphol-Oost overgeplaatst naar detentiecentrum Zeist.
2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 november 2005 in zaak no. 200509287/1, ter voorlichting van partijen aangehecht), betreft de beslissing om de vreemdeling naar een andere locatie over te brengen slechts de plaats, waar de vreemdeling zich op dient te houden. Zij raakt de grondslag van de vrijheidsontnemende maatregel en de daaruit voortvloeiende verplichting van de vreemdeling om zich op te houden op een hem aangewezen plaats niet.
Door te overwegen dat door het ontbreken van een plaatsingsbeslissing vanaf 27 oktober 2005 voor de vrijheidsontnemende maatregel geen grond was, heeft de rechtbank miskend dat deze, ook na 27 oktober 2005, is gelegen in de toegangweigering. Dat voor de vreemdeling geen plaatsingsbeslissing is opgesteld, heeft de rechtbank derhalve ten onrechte tot het oordeel geleid dat de aan deze opgelegde maatregel onrechtmatig is.
De grief slaagt.
2.5. Gelet hierop slaagt grief 2, die is gericht tegen de overweging van de rechtbank om aan de vreemdeling schadevergoeding toe te kennen, evenzeer.
2.6. Het hoger beroep van de minister is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.
2.7. Hoewel een plaatsingsbeslissing in een formulier pleegt te worden vastgelegd dat bij de feitelijke overplaatsing aan de desbetreffende vreemdeling wordt uitgereikt, is dat in dit geval achterwege gebleven. De maatregel is vervolgens op 2 november 2005 opgeheven in verband met de uitreis van de vreemdeling. Door de vreemdeling is niet aannemelijk gemaakt dat hij door het achterwege blijven van het uitreiken van de plaatsingsbeslissing in zijn belangen is geschaad.
Gelet op het vorenoverwogene, is er geen grond voor het oordeel dat de maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.
2.8. Het inleidende beroep is ongegrond. Er is geen grond voor schadevergoeding.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 17 november 2005 in zaak no. AWB 05/48925;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Nollen, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Nollen
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 december 2005
332-421.