Uitspraak 200408762/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AS2587
- Datum uitspraak
- 31 december 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 september 2004 is [de vreemdeling] in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
200408762/1.
Datum uitspraak: 31 december 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 oktober 2004 in het geding tussen:
appellant
en
[de vreemdeling].
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 september 2004 is [de vreemdeling] in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 20 oktober 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de bewaring bevolen en hem schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 oktober 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 4 november 2004 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 december 2004, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. R.H. Visser, ambtenaar in dienst van het ministerie, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In grief 1 klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte de totale duur van bijna 10 uur die met de overbrenging van de vreemdeling was gemoeid als niet redelijk heeft aangemerkt, omdat de minister in het proces-verbaal van overbrenging, noch ter zitting, heeft verklaard, waarom de overbrenging zo lang heeft geduurd, waar de reis van Zeist naar Rotterdam slechts anderhalf uur in beslag neemt. Volgens hem heeft de rechtbank aldus miskend dat overbrengen ook wachten op vervoer inhoudt en dat de enkele omstandigheid dat niet kan worden verklaard, waarom de overbrenging zo lang heeft geduurd als zij heeft geduurd de bewaring niet onrechtmatig maakt.
2.2. Ingevolge artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voorzover thans van belang, mag, indien de identiteit van de staande gehouden persoon onmiddellijk kan worden vastgesteld en blijkt dat deze hier te lande geen rechtmatig verblijf heeft, hij worden overgebracht naar een plaats, bestemd voor verhoor.
Volgens paragraaf A5/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 dient de inbewaringstelling na een strafrechtelijke detentie, waarvan de datum van ontslag niet bij voorbaat vaststaat, binnen redelijke termijn na de strafrechtelijke invrijheidstelling te geschieden met toepassing van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000.
2.2.1. Ter zitting heeft de minister ter nadere toelichting van de grief aangevoerd dat niet alleen het wachten op vervoer en de afstand tussen de plaats, waar een vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van strafrechtelijke invrijheidstelling uit strafrechtelijke detentie en de plaats, bestemd voor verhoor, de duur van de overbrenging bepalen, maar ook onvoorziene omstandigheden, zoals de onbekendheid van evenbedoeld tijdstip en dat tijdens het vervoer wegens de beperkte vervoerscapaciteit om redenen van efficiency ook anderen worden opgehaald en afgezet op uiteenlopende plaatsen. Hij heeft verder gesteld dat hij moeilijk nadere gegevens met betrekking tot het verloop van de overbrenging kan verkrijgen, omdat de ritten veelal niet volgens de planning verlopen. Dat neemt niet weg, zo betoogt de minister, dat een vreemdeling binnen een zo kort mogelijke termijn dient te worden overgebracht en dat hij er belang bij heeft te weten, waarom de overbrenging onredelijk lang heeft geduurd. Derhalve is er een omslagpunt, waarna nader gemotiveerd dient te kunnen worden, wat de duur van de overbrenging heeft veroorzaakt, aldus de minister.
2.2.2. Dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 15 januari 2002 in zaak nr. 200106222/1, ter voorlichting van partijen aangehecht), het enkele ontbreken van nadere gegevens ten aanzien van de periode tussen het tijdstip van invrijheidstelling en van aankomst op de plaats, bestemd voor verhoor de vrijheidsontneming op zichzelf niet onrechtmatig maakt, brengt niet mee dat van de minister, zoals hij ter zitting ook te kennen heeft gegeven, onder omstandigheden niet mag worden gevergd die te verschaffen. Gelet op alle omstandigheden die, naar valt aan te nemen, bij het vervoer een rol kunnen spelen, kan een totale duur van de overbrenging, inclusief eventuele wachttijd, van een vreemdeling van maximaal 10 uur als redelijk worden aangemerkt, waarbinnen de minister niet nader hoeft te motiveren, wat de duur van de overbrenging heeft veroorzaakt.
Nu volgens het proces-verbaal "terzake artikel 50, lid 3 Vreemdelingenwet 2000" van 28 september 2004 in totaal geen 10 uur met de overbrenging van de vreemdeling was gemoeid, heeft de minister geen nadere gegevens hoeven te verschaffen ten aanzien van de periode tussen het tijdstip van strafrechtelijke invrijheidstelling en aankomst op de plaats, bestemd voor verhoor. Derhalve heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de maatregel van bewaring van de vreemdeling wegens ontbreken van die nadere gegevens van aanvang af onrechtmatig was. De grief slaagt.
2.3. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 27 september 2004 ongegrond verklaren. Mitsdien is er geen plaats voor toekenning van schadevergoeding, als bedoeld in artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 oktober 2004 in zaak nr. AWB 04/43237 VRONTN;
III. verklaart het in die zaak door [de vreemdeling] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Van de Kolk
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2004
313-395.