Uitspraak 200105458/1


Volledige tekst

200105458/1.
Datum uitspraak: 22 mei 2002

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Drenthe,
verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2001 hebben burgemeester en wethouders van Assen het wijzigingsplan "Gedeeltelijke wijziging bestemmingsplan Kloosterveen I ten behoeve van [vergunninghouder], [locatie] vastgesteld.
Dit besluit is aan deze uitspraak gehecht.

Verweerders hebben bij hun besluit van 28 augustus 2001, no. RW/A5/2002007175 beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.
Het besluit van verweerders is aangehecht.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 4 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 6 november 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 januari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2002, waar appellant, in persoon en verweerders, vertegenwoordigd door P.K. Munnik,
ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen.
Voorts zijn daar gehoord, mevrouw mr. E.G.E. Kuiper en mevrouw ir. M.H. de Graaf, ambtenaren bij de gemeente, namens burgemeester en wethouders van Assen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op het perceel [locatie] en beoogt de geldende bestemming “Stadswoonwijk, artikel 11 WRO” uit het bestemmingsplan “Kloosterveen I” te wijzigen in de bestemming “Tuincentrum (Tc)” De wijziging maakt de uitbreiding van het [vergunninghouder] mogelijk.

Verweerders hebben bij hun bestreden besluit het plan goedgekeurd.

2.2. De aan de orde zijnde gronden zijn in het bestemmingsplan “Kloosterveen I” bestemd voor “Stadswoonwijk, artikel 11 WRO”. Ingevolge artikel 3, derde lid van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op Ruimtelijke Ordening deze bestemming te wijzigen in de bestemming “Tuincentrum (Tc)”.

2.3. Appellant kan zich niet vinden in het bestreden besluit nu goedkeuring is verleend aan het plan waarin is voorzien in een tuincentrum. Hij stelt zich op het standpunt dat verweerders zijn bezwaren omtrent het privaatrechtelijk handelen van de gemeente niet gemotiveerd hebben weerlegd. Bovendien wijst hij erop dat een overweging van de Afdeling onjuist wordt weergegeven en dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid, nu hem geen mededeling is gedaan van de vaststelling van het wijzigingsplan door de gemeente. Vanwege de gemeente zou voorts niet gereageerd zijn op zijn tweede verzoek om wijziging van het verslag van de hoorzitting. Hij stelt zich bovendien op het standpunt dat het verschuiven van de bebouwingsgrens oneigenlijk gebruik van de wijzigingsbevoegdheid oplevert. Tevens stelt hij dat geen integrale planologische afwegingen, maar één of meer privaatrechtelijke verbintenissen ten grondslag liggen aan het wijzigingsplan.

2.4. Verweerders achten het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Zij hebben overwogen dat gekozen is voor de meest gewenste ontsluitingsstructuur en stedenbouwkundige verkaveling. Zij menen in verband hiermee dat toepassing dient te worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid. Zij stellen voorts dat de wijzigingsbevoegdheid op juiste wijze is toegepast en tevens de mogelijkheid biedt een bebouwingsgrens vast te stellen.

2.5. Uit de stukken blijkt dat verweerders zich op het standpunt hebben gesteld dat de bezwaren omtrent het privaatrechtelijk handelen van de gemeente in het kader van deze procedure geen rol spelen. Dit komt de Afdeling niet onredelijk voor. In verband hiermee kan niet gezegd worden dat verweerders de bezwaren omtrent het privaatrechtelijk handelen van de gemeente niet gemotiveerd hebben weerlegd.

2.6. Wat betreft het bezwaar van appellant dat hem geen mededeling is gedaan van de vaststelling van het wijzigingsplan door de gemeente, overweegt de Afdeling dat de Wet op de Ruimtelijke Ordening noch enig ander wettelijk voorschrift het gemeentebestuur verplicht belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de vaststelling van het wijzigingsplan. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die desalniettemin een verplichting als evenbedoeld zouden kunnen meebrengen.

Verweerders hebben voorts geen overwegende betekenis hoeven toekennen aan het feit dat vanwege de gemeente niet gereageerd is op het tweede verzoek van appellant om wijziging van het verslag van de hoorzitting. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een concept-verslag in beginsel niet ter fiattering hoeft te worden voorgelegd aan degenen die zijn gehoord, aangezien een dergelijke verplichting een belemmering voor een goede voortgang van de procedure vormt. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die in dit geval tot een uitzondering op deze regel zouden moeten leiden.

Het feit dat een overweging van de Afdeling onjuist wordt weergegeven in het besluit van de gemeenteraad tot vaststelling van het plan is in dit geval niet van zodanige betekenis dat hierin aanleiding zou moeten worden gevonden het besluit van verweerders te vernietigen.

2.7. Ingevolge artikel 3, derde lid, sub a, van de planvoorschriften dienen burgemeester en wethouders bij toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de bepalingen van artikel 10 van de planvoorschriften in acht te nemen. Ingevolge artikel 10, eerste lid, sub b, van de planvoorschriften dienen de bij het tuincentrum behorende gebouwen te worden opgericht binnen de op de plankaart aangegeven bebouwingsgrens. De Afdeling volgt in verband hiermee het standpunt van verweerders dat door gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid de bevoegdheid ontstaat een bebouwingsgrens vast te stellen. Voorts is niet gebleken van strijdigheid met artikel 12, eerste lid sub e, van de planvoorschriften.

2.8. Uit de stukken blijkt voorts dat een uitbreidingsmogelijkheid van het tuincentrum in noordelijke richting tot problemen kan leiden met betrekking tot de ontsluiting van de woonwijk Kloosterveen in verband met de ligging van de fietsroute. Dientengevolge is gekozen voor een uitbreidingsmogelijkheid van het tuincentrum in westelijke richting. Verder is gebleken dat in verband met de gewenste stedenbouwkundige situatie in de woonwijk Kloosterveen weloverwogen is besloten te komen tot een grondruil met [vergunninghouder]. Gelet hierop heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat geen integrale planologische afwegingen hebben plaatsgevonden.

2.9. Appellant heeft tenslotte aangevoerd dat er sprake is van rechtsongelijkheid, nu geen woonbestemming aan de achterzijde van zijn perceel is toegekend, terwijl bij anderen wel in de mogelijkheid van een woonbestemming is voorzien. In dit verband stelt hij dat verweerders zijn ingediende bedenkingen hadden moeten beoordelen naar de situatie van april 1999 en niet naar de situatie van eind 2001.

2.10. De Afdeling stelt vast dat het perceel van appellant niet rechtstreeks, noch anderszins verbonden is met de toekomstige stadswoonwijk en de percelen die ten westen van zijn gronden zijn gelegen.

Ten aanzien van de door appellant gemaakte vergelijking met de situaties bij anderen overweegt zij in verband hiermee dat die situaties niet zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerders om deze reden niet hebben kunnen instemmen met het plan. Het in dit verband aangevoerde standpunt van appellant dat verweerders zijn ingediende bedenkingen hadden moeten beoordelen naar de situatie van april 1999 en niet naar de situatie van eind 2001, onderschrijft de Afdeling voorts niet.

2.11. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. van Onselen
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002

178-418.