Uitspraak 200100123/1


Volledige tekst

200100123/1.
Datum uitspraak: 1 mei 2002

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Burgemeester en wethouders van Dronten,
appellanten,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 29 november 2000 in het geding tussen:

[eisers bij de arrondissementsrechtbank], allen wonend te [woonplaats]

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 22 maart 1999 hebben appellanten met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna; de W.R.O.), zoals dat tot 3 april 2000 luidde, vrijstelling en bouwvergunning verleend aan
MC Projectmanagement B.V. voor de bouw van 17 woningen en aan [vergunninghouder 1], [vergunninghouder 2], [vergunninghouder 3], ieder voor de bouw van één woning, alle op te richten op het terrein van de Christelijke Agrarische Hogeschool (hierna: C.A.H.).

Bij besluit van 29 juni 1999 hebben appellanten het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 november 2000, verzonden op 29 november 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 31 januari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 september 2001 hebben [eisers] een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. A. Deuzeman, ambtenaar der gemeente, en [eisers], vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat ten tijde van de beslissing op bezwaar geen voorbereidingsbesluit meer gold zodat toen niet was voldaan aan de formele vereisten voor toepassing van de anticipatieprocedure.

2.2. Dit betoog slaagt. Een voorbereidingsbesluit moet gelden ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar. Vast staat dat de beslissing op bezwaar is genomen op 29 juni 1999 alsmede dat toen een voorbereidingsbesluit bestond, dat geldig was tot 1 juli 1999. Dat de beslissing op bezwaar toen niet op de voet van artikel 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht is bekendgemaakt en in werking getreden, doet daaraan niet af. Er is geen grond om de oordelen dat het voorbereidingsbesluit ook op het moment van de bekendmaking van de beslissing op bezwaar moet gelden, om de anticipatieprocedure te kunnen toepassen. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar derhalve ten onrechte op de aangegeven grond vernietigd.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.4. Bij besluit van 30 oktober 2000 hebben gedeputeerde staten van Flevoland alsnog goedgekeurd het plandeel van het bestemmingsplan “Dronten-West/ Agrarisch Onderwijs”, waarop burgemeester en wethouders bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 22 maart 1999 hebben geanticipeerd. Bij uitspraak van 3 oktober 2001, inzake 200005783/1, heeft de Afdeling het beroep tegen het besluit van gedeputeerde staten van 30 oktober 2000 deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond verklaard.

Met deze uitspraak is het bestemmingsplan in rechte onaantastbaar geworden. Thans zou derhalve geen gebruik meer behoeven te worden gemaakt van de door burgemeester en wethouders toegepaste anticipatieprocedure in de zin van artikel 19 van de W.R.O. zodat uitsluitend beoordeeld dient te worden of het bouwplan in overeenstemming is met dat plan.

2.4.1. De Afdeling is op basis van de overgelegde stukken niet in staat om te beoordelen of het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Ook ter zitting is van de zijde van burgemeester en wethouders ter zake onvoldoende duidelijkheid verschaft.

Wel merkt de Afdeling op het niet aannemelijk te achten dat de afstandseis bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder g, van de planvoorschriften hier van toepassing is. Met de onder a bedoelde bebouwing, waarop dit voorschrift ziet, wordt gedoeld op de bebouwing genoemd in artikel 5, tweede lid, onder a. Woningen zijn daar niet vermeld.

2.5. De Afdeling ziet aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, opdat zij het beroep tegen het besluit van 29 juni 1999 verder behandelt en daarop beslist.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 29 november 2000, Awb 99/6388;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Wilbers-Taselaar
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op

71.