Uitspraak 200101124/1


Volledige tekst

200101124/1.
Datum uitspraak: 24 april 2002

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,
2. [appellanten], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 6 december 2000 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 1999 hebben burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: burgemeester en wethouders) het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen een schutting op het [locatie], in eigendom toebehorend aan appellanten sub 2, afgewezen.

Bij besluit van 1 mei 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 6 december 2000, verzonden op 31 januari 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en burgemeester en wethouders opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van [verzoeker] met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief van 2 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2001, en appellanten sub 2 bij brief van 13 maart 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Burgemeester en wethouders hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 30 maart 2001. Broek heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 10 april 2001. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 november 2001 heeft [verzoeker] een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2001, burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. M.P. van der Plaats, ambtenaar der gemeente, en [verzoeker], in persoon en bijgestaan door W. Sanner, zijn verschenen.

2. Overwegingen
2.1. Op 28 april 1997 heeft [appellanten sub 2] ter uitbreiding van zijn siertuin van de gemeente Haarlemmermeer twee percelen grond gekocht met een gezamelijke oppervlakte van ongeveer 49 m². Nadien heeft hij om de aldus uitgebreide siertuin een schutting geplaatst met een hoogte van ongeveer 2 m.
2.2. Het hoger beroep van burgemeester en wethouders richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de op het perceel geplaatste schutting een bouwvergunningplichtig bouwwerk is als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet. Broek betoogt dat burgemeester en wethouders, de in aanmerking te nemen belangen afwegende, in redelijkheid geen gebruik kunnen maken van hun bevoegdheid om handhavend op te treden.
2.3. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder k, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het plaatsen van een erf- of terreinafscheiding, waarvan de hoogte van de voet af gemeten, niet meer is dan 1 m. Indien de afscheiding wordt geplaatst op of rondom een erf- of terrein waarop een gebouw staat, dan mag de afscheiding die achter de voorgevelrooilijn staat, ten hoogste 2 m zijn.
2.4. In dit geval betreft het een schutting met een hoogte van (bijna) 2 m zodat het vergunningvrij oprichten daarvan slechts is toegestaan als op het terrein een gebouw staat. Onder zodanig erf of terrein kan, in dit geval, waar de perceelsgrens samenvalt met een bestemmingsgrens, slechts worden begrepen het op de plankaart aangeduide perceel dat is bestemd tot “Woondoeleinden”en tot “Tuinen en erven”.
2.5. Blijkens de plankaart van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Graan voor Visch” uit 1976 is deze schutting gedeeltelijk geplaatst op gronden bestemd voor “Tuinen en erven” en, met overschrijding van de bestemmingsgrens, gedeeltelijk op gronden die zijn bestemd voor “Openbaar groen”. Uit rechtsoverweging 2.4. volgt dat deze schutting als vergunningplichtig bouwwerk moet worden aangemerkt. De rechtbank is, zij het deels op andere gronden, tot dezelfde slotsom gekomen.
2.6. Nu derhalve vast staat dat de schutting in strijd met artikel 40 van de Woningwet is gebouwd zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning, waren burgemeester en wethouders bevoegd met bestuursdwang op te treden.
2.7. Alleen in bijzondere gevallen mag het daartoe bevoegde bestuursorgaan niet handhavend optreden tegen een illegale situatie als hier aan de orde. Daarvan kan sprake zijn indien er concreet zicht bestaat op legalisering. Dit concrete zicht was ten tijde van het besluit op bezwaar echter niet aanwezig, nu de grond waarop een gedeelte van de schutting is geplaatst krachtens genoemd bestemmingsplan is bestemd voor “Openbaar groen”. Door de bouw van de schutting daar wordt het achterliggende terrein aan die bestemming onttrokken. De bouw is reeds daarom in strijd met het bestemmingsplan.
Hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd met betrekking tot de rechtmatigheid van de privaatrechtelijke verhouding tussen de gemeente en de gebruikers dan wel de kopers van openbaar groen is overigens niet relevant. Ook voor het overige dient dit aspect onbesproken te blijven, nu de Afdeling niet bevoegd is daarover te oordelen.
Ten slotte is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan burgemeester en wethouders hadden moeten afzien van handhavend optreden.
2.8. Het hoger beroep is overigens ongegrond. De aangevallen uitspraak moet met verbetering van gronden worden bevestigd.
2.9. Aan het verzoek van [verzoeker] om een termijn te bepalen waarbinnen burgemeester en wethouders een nieuw besluit dienen te nemen op het bezwaar komt de Afdeling niet toe, reeds omdat zij geen hoger beroep heeft ingesteld. De Afdeling kan evenmin een uitspraak doen op het door haar ingediende verzoek om planschadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, aangezien dit in deze procedure niet aan de orde is.
2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2002

17-412.