Ontwerpbesluit tot wijziging van het Activiteitenbesluit ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2015/2193 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (Pb EU 2015, L 313).
- Kenmerk
- W14.17.0029/IV
- Datum advies
- 11 mei 2017
- Vindplaats
- Staatscourant 2017, nr. 52250
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Activiteitenbesluit ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2015/2193 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (Pb EU 2015, L 313).
Bij Kabinetsmissive van 14 februari 2017, no.2017000241, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Activiteitenbesluit ten behoeve van de implementatie van Richtlijn (EU) 2015/2193 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (Pb EU 2015, L 313), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit strekt tot implementatie van richtlijn 2015/2193/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van bepaalde verontreinigde stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (PbEU L 313/1) (hierna: richtlijn).
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar acht op een aantal onderdelen aanpassing van het ontwerpbesluit aangewezen ten behoeve van een correcte implementatie van de richtlijn.
1. De implementatie van de richtlijn
De richtlijn bevat regels voor de luchtemissies van zwaveldioxide, stikstofoxiden en stof door stationaire (niet-mobiele) middelgrote stookinstallaties vanaf 1 MW tot 50 MW. Deze middelgrote stookinstallaties, zoals verwarmingsketels, motoren en gasturbines, fornuizen en drogers in bedrijven en gebouwen, worden gebruikt voor het opwekken van warmte, elektriciteit en kracht. Er worden emissiegrenswaarden vastgesteld voor bestaande en nieuwe middelgrote stookinstallaties. Voor nieuwe middelgrote stookinstallaties gaan de emissiegrenswaarden uiterlijk op 20 december 2018 gelden. Voor bestaande middelgrote stookinstallaties gaan emissiegrenswaarden gelden vanaf 2025 of 2030, afhankelijk van het vermogen van de middelgrote stookinstallaties. In de richtlijn is een verplichting opgenomen voor de exploitant van een middelgrote stookinstallatie om een kennisgeving te doen aan de bevoegde autoriteit over de exploitatie, of het voornemen daartoe, van een middelgrote stookinstallatie. De bevoegde autoriteiten dienen een publiek toegankelijk register bij te houden van middelgrote stookinstallaties. Voorts bevat de richtlijn bepalingen voor monitoring, rapportage aan de Europese Commissie en toezicht en handhaving.
Volgens de toelichting kent het bestaande Activiteitenbesluit milieubeheer in de meeste gevallen strengere emissie-eisen dan de richtlijn. (zie noot 1) Dat geldt met name voor de emissiegrenswaarden voor NOx en in mindere mate voor stof. Vaststelling hiervan maakte destijds deel uit van de maatregelen die genomen moesten worden om te kunnen voldoen aan de eveneens Europeesrechtelijk voorgeschreven nationale emissieplafonds (National Emission Ceilings, NEC) (zie noot 2), met name voor NOx, in 2020. (zie noot 3),(zie noot 4) De strengere emissiegrenswaarden zijn gebaseerd op het in de nationale wetgeving verankerde principe dat de beste beschikbare technieken (BBT) (zie noot 5) dienen te worden toegepast. Het één op één overnemen van de emissiegrenswaarden uit de richtlijn zou in deze gevallen een versoepeling betekenen die niet alleen het verbeteren van de luchtkwaliteit in de weg staat, maar ook strijdigheid met het principe van BBT zou opleveren. Daarnaast zou het geen recht doen aan de bedrijven die reeds investeringen hebben gedaan om aan de bestaande emissiegrenswaarden te kunnen voldoen. Deze emissiegrenswaarden zijn daarom gehandhaafd.
De Afdeling onderschrijft deze aanpak, maar wijst op het volgende. De richtlijn is gebaseerd op artikel 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De beschermende maatregelen die worden vastgesteld uit hoofde van deze bepaling, beletten niet dat een lidstaat verdergaande beschermingsmaatregelen treft en handhaaft. (zie noot 6) Wel moeten zulke maatregelen verenigbaar zijn met het Unierecht en ter kennis van de Commissie worden gebracht. (zie noot 7) Uit de toelichting blijkt niet of dit laatste is gebeurd.
De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.
2. Maatwerkvoorschriften
In het ontwerpbesluit is op verschillende plaatsen bepaald dat het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift kan vaststellen. Uit hoofdstuk 4.4 van de toelichting volgt dat de reden hiervoor is dat emissiegrenswaarden in de huidige situatie in veel gevallen niet in het Activiteitenbesluit staan, maar in vergunningen zijn geregeld. Om een beleidsneutrale en lastenluwe implementatie mogelijk te maken geeft het Activiteitenbesluit milieubeheer op een aantal plaatsen de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om afwijkende emissiegrenswaarden vast te stellen. Als in de vergunning of een bestaand maatwerkvoorschrift een emissiegrenswaarde is opgenomen die soepeler is dan in de tabellen van de voorgestelde artikelen 3.10a, 5.44a, 5.44b, 5.44c en 5.44d van het Activiteitenbesluit milieubeheer is vermeld, heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid deze emissiegrenswaarde te laten voortbestaan via een maatwerkvoorschrift. Die in het maatwerkvoorschrift toegestane ruimere waarde moet wel lager of gelijk zijn aan de tussen haakjes weergegeven waarde uit de betreffende tabel. De waarden tussen haakjes die eventueel als maatwerkvoorschrift kunnen worden opgenomen zijn in de meeste gevallen de emissiegrenswaarden die in de richtlijn gelden voor nieuwe installaties. Op deze manier is, waar de richtlijn dat toelaat, de mogelijkheid gecreëerd voor het bevoegd gezag om maatwerk toe te passen. De Afdeling merkt hierover het volgende op.
a. Voorwaarden vaststellen hogere emissiegrenswaarde
Naar aanleiding van een consultatiereactie van het Interprovinciaal overleg is het criterium "technische of economische haalbaarheid" geschrapt uit de artikelen in het ontwerpbesluit waarin de bevoegdheid tot het vaststellen van maatwerkvoorschriften is geregeld. De Afdeling merkt op dat dit tot gevolg heeft dat voor het vaststellen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in de artikelen 5.44a, derde lid, 5.44b, vijfde lid, 5.44c, derde lid, en 5.44d, vierde lid, geen enkele beperking geldt. Dit wijkt af van staand wetgevingsbeleid (zie noot 8) en ook van de wijze waarop vergelijkbare bevoegdheden in artikel 2.7 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (zie noot 9) zijn genormeerd. De Afdeling acht in lijn daarmee begrenzing van de bevoegdheid aangewezen.
De Afdeling adviseert in het ontwerpbesluit de artikelen 5.44a, derde lid, 5.44b, vijfde lid, 5.44c, derde lid, en 5.44d, vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer aan te passen.
b. Ontbreken grens hogere emissiegrenswaarde
Naast de in de toelichting van het ontwerpbesluit genoemde artikelen is ook in een aantal andere artikelen bepaald dat het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan vaststellen. Daarbij is evenwel in artikel 3.10f, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer geen maximale emissiegrenswaarde vermeld die kan worden vastgesteld. Hierdoor is niet uitgesloten dat op grond van deze artikelen bij maatwerkvoorschrift een soepelere emissiegrenswaarde wordt vastgesteld dan de richtlijn toestaat.
Gelet daarom adviseert de Afdeling artikel 3.10f, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer aan te passen.
3. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W14.17.0029/IV
- In het ontwerpbesluit het opschrift van paragraaf 3.2.1 vervangen door: "Het in werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie, gestookt op een standaard brandstof".
- In het ontwerpbesluit in artikel 3.7, eerste lid, onder a, de zinsnede "het stoken van stookinstallaties" vervangen door "het stoken van brandstoffen".
- In het ontwerpbesluit, overeenkomstig het bestaande artikel 3.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, aan de aanhef van artikel 3.7, tweede lid, toevoegen "artikel 3.10t".
- In het ontwerpbesluit, overeenkomstig het bestaande artikel 5.44, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, in artikel 3.9, eerste lid, tussen "lucht" en "80 mg/Nm3" invoegen "van ten hoogste".
- In het ontwerpbesluit, overeenkomstig het bestaande artikel 5.44, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, toevoegen aan artikel 3.9, tweede lid, "indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet".
- In het ontwerpbesluit aan artikel 3.9, overeenkomstig het bestaande artikel 5.44, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, een vijfde lid toevoegen.
- Artikel 3.10c van het Activiteitenbesluit milieubeheer in overeenstemming brengen met artikel 6, dertiende lid, van de richtlijn. (Artikel 3.10c van het Activiteitenbesluit milieubeheer ziet op het gelijktijdig gebruik van meerdere brandstoffen in een ketelinstallatie, terwijl artikel 6, dertiende lid, van de richtlijn ook ziet op het gelijktijdig gebruiken van meerdere brandstoffen in andere typen stookinstallaties.)
- Artikel 3.10j, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer aanvullen, omdat artikel 7, eerste lid, van de richtlijn in samenhang met bijlage III, deel 1, onder 3, sub b, vereist dat metingen worden verricht voor koolmonoxide (CO).
- In het ontwerpbesluit, overeenkomstig het bestaande artikel 3.10s van het Activiteitenbesluit milieubeheer, aan artikel 3.10s toevoegen "artikel 3.10b".
- Artikel I, onderdeel T, schrappen.
- In het ontwerpbesluit in artikel 5.44, derde en vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer "onder a of b" vervangen door "onder b of c".
- Artikel 7, tweede lid, van de richtlijn implementeren in een ander artikel dan artikel 3.10c van het Activiteitenbesluit milieubeheer, omdat deze bepaling van de richtlijn ziet op het moment wanneer gemonitord moet worden bij het gelijktijdig gebruiken van meerdere brandstoffen en niet op het berekenen van het gewogen gemiddelde van de emissiegrenswaarden bij het gelijktijdig gebruiken van meerdere brandstoffen.
- Artikel 7, zevende lid, en artikel 8, derde lid, van de richtlijn implementeren in een aanvullend artikel naast artikel 3.10g van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de artikelen 17.1 - 17.3 van de Wet milieubeheer, omdat deze artikelen alleen zien op de situatie dat zich een storing of een ongewoon voorval voordoet.
- In de transponeringstabel bij artikel 7, achtste lid, van de richtlijn "artikelen 5.14 t/m 5.16 en 5.18 van het Activiteitenbesluit milieubeheer" vervangen door "artikel 5.20 van de Algemene wet bestuursrecht".
- In de transponeringstabel bij artikel 8, derde lid, van de richtlijn "(nieuw)" schrappen en "artikel 5.43" vervangen door "artikel 5.44".
Nader rapport (reactie op het advies) van 10 juli 2017
1. De implementatie van de richtlijn
De Afdeling onderschrijft de in het ontwerpbesluit gekozen aanpak om voor met name NOx, en in mindere mate voor stof, strengere emissiegrenswaarden vast te stellen dan in de richtlijn zijn vastgesteld. Zoals in de nota van toelichting aangegeven, zijn de strengere emissiegrenswaarden gebaseerd op het in de nationale wetgeving verankerde principe dat de beste beschikbare technieken (BBT) (zie noot 10) dienen te worden toegepast. Het één op één overnemen van de emissiegrenswaarden uit de richtlijn zou in deze gevallen een versoepeling betekenen die niet alleen het verbeteren van de luchtkwaliteit in de weg staat, maar ook strijdigheid met het principe van BBT zou opleveren. Daarnaast zou het geen recht doen aan de bedrijven die reeds investeringen hebben gedaan om aan de bestaande emissiegrenswaarden te kunnen voldoen. Deze emissiegrenswaarden zijn daarom gehandhaafd.
De richtlijn is gebaseerd op artikel 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De beschermende maatregelen die worden vastgesteld uit hoofde van deze bepaling, beletten niet dat een lidstaat verdergaande beschermingsmaatregelen treft en handhaaft. (zie noot 11) Wel wijst de Afdeling erop dat zulke maatregelen verenigbaar moeten zijn met het Unierecht en ter kennis van de Commissie worden gebracht. (zie noot 12) Volgens de Afdeling blijkt uit de toelichting niet of dit laatste is gebeurd.
Overeenkomstig het advies van de Afdeling is de nota van toelichting op dit punt aangevuld met een alinea, waarin wordt aangegeven dat deze verdergaande beschermingsmaatregelen nodig zijn om te voldoen aan de Europese eisen ten aanzien van de nationale emissieplafonds en de luchtkwaliteit. Dit zal als sluitstuk van de implementatie ter kennis van de Commissie worden gebracht.
2. Maatwerkvoorschriften
In het ontwerpbesluit is om redenen van een beleidsneutrale en lastenluwe implementatie op verschillende plaatsen bepaald dat het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift kan vaststellen. De reden hiervoor is dat de emissiegrenswaarden in de huidige situatie in veel gevallen niet in het Activiteitenbesluit milieubeheer staan, maar in vergunningen zijn geregeld. Het bevoegd gezag heeft zodoende de mogelijkheid deze emissiegrenswaarden te laten voortbestaan via een maatwerkvoorschrift, mits de in het maatwerkvoorschrift toegestane ruimere waarden niet hoger zijn dan de emissiegrenswaarden die in de richtlijn zijn opgenomen. De Afdeling heeft hierover een tweetal opmerkingen.
In de eerste plaats merkt de Afdeling op dat met het schrappen van het criterium "technische of economische haalbaarheid" uit de ontwerp-artikelen 5.44a, derde lid, 5.44b, vijfde lid, 5.44c, derde lid, en 5.44d, vierde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer - met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften - voor het daadwerkelijk vaststellen van maatwerkvoorschriften geen enkele beperking meer geldt. Volgens de Afdeling wijkt dit af van staand wetgevingsbeleid en ook van de wijze waarop vergelijkbare bevoegdheden in artikel 2.7 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn genormeerd. De Afdeling acht in lijn daarmee begrenzing van de bevoegdheid aangewezen.
Hieromtrent merk ik op dat overeenkomstig het advies aan het ontwerp-artikel 5.44 Activiteitenbesluit milieubeheer een zesde lid is toegevoegd, inhoudende dat het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften mag toepassen als bedoeld in de ontwerp-artikelen 5.44a, derde lid, 5.44b, vijfde lid, 5.44c, derde lid, en 5.44d, vierde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer, indien de geografische ligging, de plaatselijke milieuomstandigheden of de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven.
In aanvulling op het advies van de Afdeling is ook in artikel 3.10a, tweede lid, van het ontwerpbesluit, een gelijkluidende voorwaarde opgenomen om bij maatwerkvoorschrift af te kunnen wijken van de gestelde emissiegrenswaarden voor het rookgas van een stookinstallatie anders dan een ketelinstallatie, zuigermotor, gasturbine of installatie voor de regeneratie van glycol, met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth.
In de tweede plaats adviseert de Afdeling om artikel 3.10f, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer aan te passen, aangezien in het betreffende lid geen maximale emissiegrenswaarde staat vermeld die kan worden vastgesteld. Hierdoor is volgens de Afdeling niet uitgesloten dat op grond van dit artikel bij maatwerkvoorschrift een soepelere emissiegrenswaarde wordt vastgesteld dan de richtlijn toestaat.
Hieromtrent merk ik allereerst op dat het voorgestelde artikel 3.10f, zesde lid, Activiteitenbesluit milieubeheer een verplaatsing betreft van het bestaande artikel 3.10w Activiteitenbesluit milieubeheer, dat met dit ontwerpbesluit komt te vervallen. Daarmee maakt het een integraal onderdeel uit van het artikel dat betrekking heeft op emissiegrenswaarden met betrekking tot een gasmotor. Het zesde lid ziet evenwel op de bevoegdheid tot het bij maatwerkvoorschrift vaststellen van een hogere grenswaarde ten aanzien van onverbrande koolwaterstoffen. Strikt genomen betreft dit onderdeel een nationale invulling en geen implementatie van de richtlijn; de richtlijn kent geen emissiegrenswaarde voor onverbrande koolwaterstoffen. In die zin is er geen sprake van strijdigheid met de richtlijn bij het vaststellen van een hogere grenswaarde.
3. Redactionele aanpassingen
Onderstaand wordt nader ingegaan op de door de Afdeling voorgestelde redactionele aanpassingen.
- In het ontwerpbesluit het opschrift van paragraaf 3.2.1 vervangen door: "Het in werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie, gestookt op een standaard brandstof".
Voorgestelde aanpassing wordt niet overgenomen, vanwege de zogenaamde samentelregel in artikel 5.1, tweede lid, Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze regel leidt ertoe dat bijvoorbeeld een samenstel van 3 stookinstalllaties met een vermogen van 20 MW elk, beschouwd (kunnen) worden als een grote stookinstallatie, die onder het regiem van paragraaf 5.1.5 valt. De voorgestelde toevoeging "niet zijnde een grote stookinstallatie" zou derhalve verwarrend kunnen werken.
- In het ontwerpbesluit in artikel 3.7, eerste lid, onder a, de zinsnede "het stoken van stookinstallaties" vervangen door "het stoken van brandstoffen".
Voorgestelde aanpassing is overgenomen.
- In het ontwerpbesluit, overeenkomstig het bestaande artikel 3.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, aan de aanhef van artikel 3.7, tweede lid, toevoegen "artikel 3.10t".
Voorgestelde aanpassing is overgenomen.
- In het ontwerpbesluit, overeenkomstig het bestaande artikel 5.44, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, in artikel 3.9, eerste lid, tussen "lucht" en "80 mg/Nm3" invoegen "van ten hoogste".
Voorgestelde aanpassing is overgenomen.
- In het ontwerpbesluit, overeenkomstig het bestaande artikel 5.44, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, toevoegen aan artikel 3.9, tweede lid, "indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet".
Voorgestelde aanpassing is overgenomen.
- In het ontwerpbesluit aan artikel 3.9, overeenkomstig het bestaande artikel 5.44, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, een vijfde lid toevoegen.
Voorgestelde aanpassing is overgenomen.
- Artikel 3.10c van het Activiteitenbesluit milieubeheer in overeenstemming brengen met artikel 6, dertiende lid, van de richtlijn. (Artikel 3.10c van het Activiteitenbesluit milieubeheer ziet op het gelijktijdig gebruik van meerdere brandstoffen in een ketelinstallatie, terwijl artikel 6, dertiende lid, van de richtlijn ook ziet op het gelijktijdig gebruiken van meerdere brandstoffen in andere typen stookinstallaties.)
Voorgestelde aanpassing stond reeds in de concepttekst.
- Artikel 3.10j, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer aanvullen, omdat artikel 7, eerste lid, van de richtlijn in samenhang met bijlage III, deel 1, onder 3, sub b, vereist dat metingen worden verricht voor koolmonoxide (CO).
Voorgestelde aanpassing is opgenomen in de Activiteitenregeling milieubeheer. Als onderdeel van de keuring die periodiek plaatsvindt bij elke stookinstallatie wordt ook CO gemeten. De Activiteitenregeling milieubeheer bevat de verplichting om de gemeten waarde in te vullen in het register.
- In het ontwerpbesluit, overeenkomstig het bestaande artikel 3.10s van het Activiteitenbesluit milieubeheer, aan artikel 3.10s toevoegen "artikel 3.10b".
Voorgestelde aanpassing is overgenomen.
- Artikel I, onderdeel T, schrappen.
Voorgestelde aanpassing is overgenomen.
- In het ontwerpbesluit in artikel 5.44, derde en vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer "onder a of b" vervangen door "onder b of c".
Voorgestelde aanpassing is overgenomen.
- Artikel 7, tweede lid, van de richtlijn implementeren in een ander artikel dan artikel 3.10c van het Activiteitenbesluit milieubeheer, omdat deze bepaling van de richtlijn ziet op het moment wanneer gemonitord moet worden bij het gelijktijdig gebruiken van meerdere brandstoffen en niet op het berekenen van het gewogen gemiddelde van de emissiegrenswaarden bij het gelijktijdig gebruiken van meerdere brandstoffen.
Voorgestelde aanpassing is onderdeel van de wijziging van de Activiteitenregeling milieubeheer.
- Artikel 7, zevende lid, en artikel 8, derde lid, van de richtlijn implementeren in een aanvullend artikel naast artikel 3.10g van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de artikelen 17.1 - 17.3 van de Wet milieubeheer, omdat deze artikelen alleen zien op de situatie dat zich een storing of een ongewoon voorval voordoet.
Voorgestelde aanpassing met betrekking tot artikel 7, zevende lid van de richtlijn is overgenomen in een nieuw artikel 3.10v.
De voorgestelde aanpassing met betrekking tot artikel 8, derde lid van de richtlijn is niet overgenomen. Het Nederlandse systeem van toezicht en handhaving en de bijbehorende wet- en regelgeving biedt voldoende garanties op een adequate nationale nalevingscontrole.
- In de transponeringstabel bij artikel 7, achtste lid, van de richtlijn "artikelen 5.14 t/m 5.16 en 5.18 van het Activiteitenbesluit milieubeheer" vervangen door "artikel 5.20 van de Algemene wet bestuursrecht".
Voorgestelde aanpassing is overgenomen.
- In de transponeringstabel bij artikel 8, derde lid, van de richtlijn "(nieuw)" schrappen en "artikel 5.43" vervangen door "artikel 5.44".
Voorgestelde aanpassing is overgenomen.
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU
(1) Paragrafen 2.1 en 3.1 van de toelichting.
(2) Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB 2001, L 309/22).
(3) Stb. 2009, nr. 547.
(4) Recent zijn nieuwe, aangescherpte NEC-plafonds voor 2030 vastgesteld (Richtlijn 2016/2284/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PB 2016, L 344/1).
(5) Artikel 2.14, eerste lid, onder c, sub 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
(6) Zie in dit verband overweging 24 van de considerans van de richtlijn.
(7) Artikel 193 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
(8) Aanwijzing 17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(9) Zie ook de reactie van het Interprovinciaal overleg bij de consultatie, hoofdstuk 5.3 van de toelichting. Aan de opmerking is geen gevolg gegeven.
(10) Artikel 2.14, eerste lid, onder c, sub 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
(11) Zie in dit verband overweging 24 van de considerans van de richtlijn.
(12) Artikel 193 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.