Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W12.17.0150/III

Ontwerpbesluit tot het stellen van eisen aan de kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk (Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk).

Kenmerk
W12.17.0150/III
Datum advies
21 juni 2017
Vindplaats
Staatscourant 2017, nr. 49946
  • Sociale zaken en Werkgelegenheid
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Ontwerpbesluit tot het stellen van eisen aan de kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk (Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk).

Bij Kabinetsmissive van 31 mei 2017, no.2017000909, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot het stellen van eisen aan de kwaliteit van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk (Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk), met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. De Afdeling geeft U in overweging dienovereenkomstig te besluiten.

Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, is de Afdeling van oordeel dat openbaarmaking van dit advies achterwege kan blijven.

De waarnemend vice-president van de Raad van State


Nader rapport (reactie op het advies) van 21 augustus 2017

Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het ontwerpbesluit en de bijbehorende nota van toelichting nog enkele wijzigingen aan te brengen. Deze wijzigingen worden in het hiernavolgende toegelicht.

In het akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang is afgesproken dat de wijzigingen in de beroepskracht-kindratio’s voor nuljarigen in de dagopvang en kinderen vanaf 7 jaar in de buitenschoolse opvang, welke zijn opgenomen in onderhavig ontwerpbesluit, per 1 januari 2018 in werking zullen treden. Daarbij gold de randvoorwaarde dat onderhavig ontwerpbesluit uiterlijk 1 juli 2017 zou worden gepubliceerd zodat kindercentra voldoende tijd zouden hebben om de benodigde voorbereidingen voor de nieuwe eisen te treffen. Deze publicatiedatum bleek niet haalbaar te zijn. Daarom heb ik tijdens het algemeen overleg Kinderopvang op 21 juni jongsleden toegezegd de wijzigingen in de beroepskracht-kindratio’s voor nuljarigen en kinderen vanaf 7 jaar in werking te laten treden met ingang van 1 januari 2019. (zie noot 1) Deze toezegging is in onderhavig ontwerpbesluit verwerkt. Aan het ontwerpbesluit is een bijlage 1a toegevoegd. In deze bijlage 1a zijn de wijzigingen in de beroepskracht-kindratio’s niet opgenomen. Bijlage 1a komt, op een uitzondering na, inhoudelijk overeen met de momenteel geldende bijlage bij de Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012. De uitzondering betreft de mogelijkheid om een volwassene als derde beroepskracht op een basisgroep in te zetten. Deze mogelijkheid verdwijnt met het onderhavige ontwerpbesluit met ingang van 1 januari 2018 en is derhalve ook niet meer benoemd in bijlage 1a. In het gewijzigde ontwerpbesluit is in artikel 32 een overgangsbepaling opgenomen. Deze overgangsbepaling bepaalt dat voor het jaar 2018 bijlage 1a in plaats van bijlage 1 van toepassing is. Bijlage 1, waarin de aangepaste beroepskacht-kindratio’s wel zijn verwerkt, zal met ingang van 1 januari 2019 van toepassing worden. De nota van toelichting is hierop aangepast. In de financiële paragraaf (paragraaf 3.1) is daarbij een uitleg opgenomen over de manier waarop de inwerkingtreding van de gewijzigde beroepskracht-kindratio’s met ingang van 1 januari 2019 doorwerkt in de wijzigingen van de maximum uurprijzen voor de dagopvang en de buitenschoolse opvang. Dit is vormgegeven conform het op 18 juli jongstleden bij de Eerste en Tweede Kamer voorgehangen ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag voor het jaar 2018. (zie noot 2)

Voorts is een wijziging aangebracht in de artikelen omtrent de eisen aan ruimtes. Bij brief van 16 juni jongsleden is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voornemens om op basis van de input uit de met de sector gevoerde gesprekken de regelgeving over de buitenspeelruimte te verduidelijken. (zie noot 3) De verduidelijking houdt in dat de buitenspeelruimte gedurende de gehele opvang beschikbaar en exclusief toegankelijk is voor de in het kindercentrum aanwezige kinderen. Om samenwerking met andere instanties mogelijk te maken, kan een houder afspraken maken over gedeeld gebruik van een buitenspeelruimte. Een voorwaarde voor het delen van de buitenspeelruimte is dat de gemaakte afspraken over het delen van de buitenspeelruimte worden vastgelegd in het pedagogisch beleidsplan. Hierbij moet er altijd sprake zijn van verantwoorde kinderopvang. Deze verduidelijking was grotendeels ook al zo opgenomen in de artikelen 10, derde lid, 19, derde lid, en 19i, derde lid, van het onderhavige ontwerpbesluit, zoals dat voor advies is voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Tijdens het algemeen overleg Kinderopvang op 21 juni jongsleden heb ik toegezegd nogmaals met de betrokken sectorpartijen in overleg te gaan over de door mij voorgestelde verduidelijking van de eisen aan de buitenspeelruimte. Dit overleg met de sectorpartijen heeft op 30 juni jongsleden plaatsgevonden. Op basis van het overleg heb ik besloten om de datum van inwerkingtreding van de verduidelijking van de eisen aan de buitenspeelruimte één jaar op te schuiven, naar 1 januari 2019. Hierover heb ik de voorzitter van de Tweede Kamer per brief geïnformeerd. (zie noot 4) Dit is nu in het onderhavige ontwerpbesluit opgenomen. In het ontwerpbesluit is de verduidelijking van de eisen aan de buitenspeelruimte vormgegeven in de artikelen 21, 23, 24, en 26. Genoemde artikelen treden ingevolge artikel 33, derde lid, van het ontwerpbesluit in werking met ingang van 1 januari 2019.

Vanwege het feit dat, zoals beschreven in het voorgaande, na de adviesaanvraag over het onderhavige ontwerpbesluit ten aanzien van enkele eisen is besloten tot een latere datum van inwerkingtreding dan 1 januari 2018, is in de nota van toelichting een extra paragraaf opgenomen (paragraaf 2.4). In deze paragraaf wordt ten behoeve van het totaalbeeld een toelichting gegeven op de verschillende momenten van inwerkingtreding van de kwaliteitseisen zoals opgenomen in het onderhavige ontwerpbesluit.

In de inwerkingtredingsbepaling van het voor advies voorgelegde ontwerpbesluit was opgenomen dat het besluit in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De inwerkingtredingsbepaling is nu zodanig aangepast dat de inwerkingtreding in het onderhavige besluit zelf is opgenomen.

In de artikelen 7, negende lid, 16, achtste lid, en 19f, negende lid, van het onderhavige ontwerpbesluit, zoals dat voor advies is voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State, was opgenomen dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs. Bij ministeriële regeling zal, conform de afspraak in het akkoord Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang, worden vastgelegd dat gedurende de opvang maximaal een derde deel van het totaal minimaal aantal op het kindercentrum in te zetten beroepskrachten mag bestaan uit beroepskrachten in opleiding of stagiaires. In tegenstelling tot bij de pedagogisch beleidsmedewerker (artikelen 7, tiende lid, 16, negende lid, en 19f, tiende lid) was een expliciete grondslag die de mogelijkheid biedt om onder voorwaarden beroepskrachten in opleiding en stagairs mee te kunnen tellen bij de berekening van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten nog niet in het onderhavige ontwerpbesluit opgenomen. Dit wordt echter wel wenselijk geacht. Om die reden zijn de artikelen 7, negende lid, 16, achtste lid, en 19f, negende lid, zodanig aangepast dat expliciet is opgenomen dat bij de nadere uitwerking van de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs in de ministeriële regeling kan worden bepaald dat en onder welke voorwaarden beroepskrachten in opleiding en stagiairs kunnen worden meegeteld bij de berekening van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten. De nota van toelichting is hierop aangepast.

Het Besluit van 23 juni 2017, houdende wijziging van het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen om te bewerkstelligen dat gevallen van ernstig huiselijk geweld of ernstige kindermishandeling dan wel vermoedens daarvan bij het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling worden gemeld (Stb. 2017, 291) wijzigt de artikelen uit het huidige Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen die verband houden met de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. De in het Besluit van 23 juni 2017 opgenomen wijzigingen van het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling treden in werking met ingang van 1 januari 2019. In het kader van het Besluit van 23 juni 2017 is voorzien dat de inwerkingtreding van de gewijzigde meldcodebepalingen voor de kinderopvang eveneens met ingang van 1 januari 2019 plaatsvindt. Vanwege de wetstechnische samenloop tussen het Besluit van 23 juni 2017 en het onderhavige Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk is de inwerkingtreding van de gewijzigde meldcodebepalingen voor de kinderopvang niet in het Besluit van 23 juni 2017 geregeld. In de nota van toelichting bij het Besluit van 23 juni 2017 is vermeld dat indien het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk voor 1 januari 2019 in werking treedt, via het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzaalwerk wordt bewerkstelligd dat de daarin opgenomen meldcodebepalingen met ingang van 1 januari 2019 materieel gelijk zijn aan het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling zoals dat ingevolge het Besluit van 23 juni 2017 met ingang van 1 januari 2019 komt te luiden. Hetzelfde geldt voor de meldcodebepaling in het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang (zoals het huidige Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen ingevolge artikel 28 van het onderhavige ontwerpbesluit met ingang van 1 januari 2018 komt te luiden). Teneinde dit te regelen zijn in het ontwerpbesluit de artikelen 20, 22, 25, en 27 toegevoegd. In artikel 33, derde lid, is opgenomen dat deze artikelen in werking treden met ingang van 1 januari 2019.

Tot slot is aan het begin van hoofdstuk 4 (resultaten uitvoeringstoetsen) en hoofdstuk 5 (resultaten internetconsultatie) van de nota van toelichting een verduidelijking opgenomen waarmee wordt aangegeven dat de reactie op de uitvoeringstoetsen en internetconsultatie zoals beschreven in de desbetreffende paragrafen is gebaseerd op de tekst van het ontwerpbesluit zoals dat ten tijde van de uitvoeringstoetsen en internetconsultatie luidde. Dit om aan te geven dat de reactie in genoemde hoofdstukken op onderdelen niet overeenstemt met de uiteindelijke versie van het besluit.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid


(1) Kamerstukken II 2016/17, 31 322, nr. 337.
(2) Kamerstukken II 2016/17, 31 322, nr. 338 en bijlage.
(3) Kamerstukken II 2016/17, 31 322, nr. 335.
(4) Kamerstukken II 2016/17, 31 322, nr. 336.


Gehele tekst ontwerpregeling met toelichting (pdf, 577 kB)


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon