Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W14.15.0062/IV

Ontwerpbesluit tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten), met nota van toelichting.

Kenmerk
W14.15.0062/IV
Datum advies
10 juli 2015
Vindplaats
Staatscourant 2015, nr. 39274
  • Infrastructuur en Waterstaat
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Samenvatting
  • Volledige tekst
Samenvatting

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft advies uitgebracht over het ontwerpbesluit waarbij het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten) worden gewijzigd. Het advies is op 1 oktober 2015openbaar gemaakt.

Inhoud en doel van ontwerpbesluit

Het ontwerpbesluit wijzigt het huidige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het betreft de zogenoemde vierde tranche van de tweede fase van het Activiteitenbesluit. Dit houdt in dat, net zoals bij de voorgaande drie tranches, bedrijfstakken aan het Activiteitenbesluit worden toegevoegd. Hierdoor vallen nog meer bedrijven volledig onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Ook voorziet het ontwerpbesluit in de inbouw van diverse regelingen in het Activiteitenbesluit, waaronder de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR). Het doel van deze wijzigingen is de milieuregelgeving te vereenvoudigen, te uniformeren en tegelijkertijd de administratieve lasten voor bedrijven te verlagen.

Strijd met doelstellingen

De Afdeling advisering stelt in haar advies vast dat het ontwerpbesluit op verschillende punten haaks staat op de doelstellingen.

In de eerste plaats wordt opgemerkt dat voor een aantal specifieke bedrijfstakken die onder de werking van het Activiteitenbesluit wordt gebracht meer dan in vergelijking tot voorgaande tranches en meer dan in vergelijking tot andere toegevoegde bedrijfstakken en activiteiten, maatwerk is vereist die voor bedrijven in afzonderlijke voorschriften zullen moeten worden vastgelegd. Deze mate van maatwerkvoorschriften doet afbreuk aan de beoogde uniformiteit en leidt bovendien tot hogere administratieve lasten. De Afdeling adviseert daarom dragend te motiveren waarom het nodig is het Activiteitenbesluit met die bedrijfstakken en activiteiten uit te breiden.

In de tweede plaats wordt opgemerkt dat de uitbreiding met nieuwe bedrijfstakken en de inbouw van diverse regelingen het Activiteitenbesluit nog complexer maakt dan het al is. Dit terwijl het Activiteitenbesluit door bedrijven en toezichthouders in de praktijk al als zeer complex wordt ervaren en de toename van die complexiteit op gespannen voet staat met het streven naar eenvoud. De Afdeling adviseert daarom de toegankelijkheid te verbeteren door in ieder geval in de toelichting op het ontwerpbesluit een overzichtstabel op te nemen.

Inbouw NeR

Het ontwerpbesluit voorziet in de inbouw van de NeR in het Activiteitenbesluit. De NeR is een richtlijn die door onder andere veel gemeenten en provincies wordt gebruik voor de beoordeling van luchtkwaliteit en geurhinder bij het verlenen van vergunningen aan bedrijven. In het advies wordt over de inbouw van de NeR opgemerkt dat het overgangsrecht bij de geurbepaling langer is dan de in het Activiteitenbesluit gehanteerde standaardtermijn. De Afdeling adviseert dit verschil dragend te motiveren.

Verder wordt opgemerkt dat voor de luchtkwaliteit een nieuwe regeling over zorgwekkende stoffen is opgenomen. In de toelichting bij het ontwerpbesluit komt echter niet duidelijk naar voren hoe deze regeling zich verhoudt tot het Europese recht. De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt te verduidelijken.

Lees hier de volledige tekst van het advies van de Afdeling advisering en het nader rapport van de minister.

Volledige tekst

Ontwerpbesluit tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten), met nota van toelichting.

Van dit advies is een samenvatting gemaakt.

Bij Kabinetsmissive van 12 maart 2015, no.2015000418, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten), met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit voorziet in wijziging van onder meer het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit).
In deze vierde tranche wordt in lijn met voorgaande tranches een aantal bedrijfstakken en activiteiten onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht. Hierdoor vallen nog meer bedrijven volledig onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Voorts voorziet het ontwerpbesluit in de opname van diverse regelingen in het Activiteitenbesluit, waaronder de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR).

De Afdeling Advisering van de Raad van State adviseert het ontwerpbesluit vast te stellen, maar acht op een aantal punten een dragende motivering of aanpassing van het ontwerpbesluit aangewezen. De volgende vier opmerkingen hebben daarbij het grootste gewicht.

In de eerste plaats bewerkstelligt de voorgestelde uitbreiding van het Activiteitenbesluit met een aantal specifieke bedrijfstakken dat meer dan voorheen en meer dan in vergelijking tot andere toegevoegde activiteiten, maatwerk is vereist, zodat naast de algemene regels van het Activiteitenbesluit vele maatwerkvoorschriften noodzakelijk zijn. Omdat de mate waarin deze maatwerkvoorschriften nodig zijn afbreuk doen aan de met het Activiteitenbesluit beoogde uniformiteit van regelgeving en daarnaast tot hogere administratieve lasten leidt, lijkt dit haaks te staan op de doelstellingen van het Activiteitenbesluit. De Afdeling adviseert dragend te motiveren waarom het nodig is het Activiteitenbesluit met genoemde bedrijfstakken en activiteiten uit te breiden. In de tweede plaats maakt de mate van uitbreiding met nieuwe activiteiten en de opname van diverse regelingen het Activiteitenbesluit nog complexer dan het al is. De Afdeling adviseert de toegankelijkheid te verbeteren door in ieder geval in de nota van toelichting een overzichtstabel op te nemen. In de derde plaats wordt over de opname van de NeR opgemerkt dat het overgangsrecht bij de geurbepaling voorziet in een termijn van vijf jaar, terwijl de in het Activiteitenbesluit gehanteerde standaardtermijn voor overgangsrecht met betrekking tot vergunningvoorschriften drie jaar is. De Afdeling adviseert dit verschil dragend te motiveren. In de vierde plaats wordt over de opname van de NeR voorts opgemerkt dat uit de toelichting onvoldoende duidelijk naar voren komt hoe de regeling over zeer zorgwekkende stoffen zich verhoudt tot het Europese recht. De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt te verduidelijken.

1. Toenemende complexiteit
Het Activiteitenbesluit is op 1 januari 2008 in werking getreden. Eén van de doelstellingen van het Activiteitenbesluit is om vereenvoudiging van milieuregelgeving te realiseren. (zie noot 1) Naar aanleiding van een daartoe opgenomen verplichting in het Activiteitenbesluit (zie noot 2) is inmiddels onderzoek verricht naar de doeltreffendheid en de effecten van het Activiteitenbesluit in de periode van 2008 tot en met 2012 (de eerste drie tranches), waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Evaluatie Activiteitenbesluit 2008-2012", augustus 2013, opgesteld door Royal Haskoning DHV in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (hierna: het evaluatierapport). Uit het evaluatierapport blijkt dat het Activiteitenbesluit vanwege de groeiende omvang en de gelaagdheid in de normstelling voor zowel bedrijven als toezichthouders moeilijk te doorgronden is. Er bestaat volgens het evaluatierapport een breed gedeelde zorg dat het Activiteitenbesluit te omvangrijk en daarmee te complex wordt. Hetzelfde blijkt uit de inspraakreacties van bedrijven op het voorgepubliceerde ontwerpbesluit, de bestuurlijke reactie van het Interprovinciaal Overleg (IPO) en het rapport "Evaluatie milieueffecten Activiteitenbesluit" van Royal Haskoning van maart 2015.

Het ontwerpbesluit voorziet desalniettemin in een uitbreiding van het Activiteitenbesluit met vele nieuwe activiteiten en de opname van verschillende voor de praktijk van belang zijnde regelingen en algemene maatregelen van bestuur. Hierdoor neemt de omvang van het Activiteitenbesluit en gelaagdheid in de normstelling verder toe. (zie noot 3) Aldus wordt het gesignaleerde probleem van de complexiteit vergroot. Dit staat haaks op de doelstelling om vereenvoudiging van de regelgeving te realiseren. De Afdeling merkt op dat de toelichting op het ontwerpbesluit geen aandacht besteedt aan de bevindingen in het genoemde evaluatierapport op het punt van de complexiteit en de aanbevelingen die in het evaluatierapport naar voren worden gebracht om de toegankelijkheid te verbeteren. (zie noot 4) Daardoor wordt niet duidelijk of en in hoeverre de aanbevelingen in het evaluatierapport, gelet op de gesignaleerde problematiek over de eerste drie tranches van het Activiteitenbesluit, zijn aangegrepen om de toegankelijkheid van het Activiteitenbesluit in het ontwerpbesluit (de vierde tranche) te verbeteren. Zo acht de Afdeling de voorgestelde verplaatsing van het overgangsrecht een verbetering maar zijn meer verbeteringen, gelet op de aanbevelingen in het evaluatierapport, mogelijk.

Voor zover de genoemde aanbevelingen niet zijn overgenomen, mogelijk omdat een dergelijke verbetering dermate ingrijpend zou zijn dat dit gelet op de aankomende stelselherziening in het kader van de Omgevingswet niet wenselijk is, merkt de Afdeling op dat het in dat geval met het oog op de toegankelijkheid wenselijk is de toelichting in ieder geval te voorzien van een overzicht in tabelvorm. Gedacht kan worden aan een tabel met daarin een overzicht van alle activiteiten waarvoor het ontwerpbesluit regelt dat de vergunningplicht vervalt of waarvoor de omgevingsvergunning die wordt voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure wordt vervangen door de omgevingsvergunning die wordt voorbereid met de reguliere procedure (de zogenoemde omgevingsvergunning beperkte milieutoets). (zie noot 5) Deze tabel zou aangevuld dienen te worden door voor iedere nieuwe activiteit tevens aan te geven welke artikelen van het Besluit omgevingsrecht en het Activiteitenbesluit met het onderhavige ontwerpbesluit worden gewijzigd of aangevuld. Opgemerkt zij in dit verband dat ook bij de voorhangprocedure om een overzicht is verzocht dat meer duidelijkheid kan bieden. (zie noot 6)

Daarnaast mist de Afdeling voor iedere wijziging waarin het ontwerpbesluit voorziet en die in het algemene deel van de toelichting per paragraaf wordt omschreven, een systematische verwijzing in die paragrafen naar de artikelen van het ontwerpbesluit waarin de desbetreffende wijziging wordt geregeld. Bij enkele wijzigingen die in algemene deel van de toelichting worden omschreven is dit wel vermeld, maar voor het merendeel niet. (zie noot 7)

Tot slot acht de Afdeling het met het oog op de toegankelijkheid van het ontwerpbesluit wenselijk dat ten aanzien van de regelingen die in het ontwerpbesluit worden ingebouwd, een tabel wordt opgenomen waarin wordt weergegeven of, hoe en waar de afzonderlijke bepalingen van de desbetreffende algemene maatregelen of regelingen zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. (zie noot 8)

De Afdeling adviseert in de toelichting op het evaluatierapport in te gaan en de toelichting met inachtneming van bovenstaande punten aan te vullen.

2. Toename maatwerk
Eén van de doelstellingen van het Activiteitenbesluit is het realiseren van uniformering van regelgeving en tegelijkertijd het bewerkstelligen van een vermindering van de administratieve lasten voor inrichtingen. (zie noot 9) Deze doelstelling geldt ook voor het ontwerpbesluit. (zie noot 10) In dit verband merkt de Afdeling het volgende op.

Het ontwerpbesluit regelt onder meer dat de vergunningplichtige activiteiten van inrichtingen uit negen bedrijfstakken aan het Activiteitenbesluit worden toegevoegd. (zie noot 11) Voor het merendeel van deze inrichtingen vervalt de vergunningplicht en worden nieuwe, algemene voorschriften in het Activiteitenbesluit ingevoegd. Daarnaast regelt het ontwerpbesluit dat de vergunningplichtige activiteiten van inrichtingen uit vijftien andere bedrijfstakken aan het Activiteitenbesluit worden toegevoegd, zonder dat daarvoor nieuwe voorschriften worden ingevoerd, omdat die voorschriften al in het Activiteitenbesluit staan, of omdat daarvoor geen voorschriften nodig zijn. (zie noot 12)

De toelichting op het ontwerpbesluit vermeldt dat door het toevoegen van deze nieuwe bedrijfstakken in vergelijking tot de voorgaande drie tranches van het Activiteitenbesluit meer maatwerk nodig zal zijn. (zie noot 13) De toelichting geeft aan dat dit vooral zal gelden voor de volgende bedrijfstakken: het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren (zie noot 14), ziekenhuizen en medisch specialistische instellingen (zie noot 15), grote sport- en recreatie-inrichtingen (zie noot 16), en terreinen voor modelvliegtuigen, modelvaartuigen en modelvoertuigen (zie noot 17).
Met betrekking tot de eerste genoemde bedrijfstak (het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren) wordt ook in de inspraakreacties gewezen op de verwachte noodzaak tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor deze categorie van activiteiten, omdat het een omvangrijke categorie is die veel verschillende activiteiten omvat en wegens het bijzondere geluidkarakter van veel van die activiteiten maatwerk vereist. Ten aanzien van de tweede genoemde bedrijfstak (ziekenhuizen en medisch specialistische instellingen), waar het maatwerk met name het lozen op het vuilwaterriool zal betreffen, wordt in de inspraakreacties gewezen op de noodzaak van maatwerk. (zie noot 18) Dit roept overigens de vraag op waarom ziekenhuizen en medisch specialistische instellingen onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit worden gebracht zonder dat daarvoor nieuwe voorschriften aan het Activiteitenbesluit zijn toegevoegd, nu de bestaande voorschriften blijkens de inspraakreacties onvoldoende zijn om de activiteiten van ziekenhuizen op het punt van lozingen te ondervangen. Met betrekking tot de derde bedrijfstak (grote sport- en recreatie-inrichtingen) wordt in de inspraakreacties benadrukt dat wordt getwijfeld aan de geschiktheid om dergelijke bedrijven onder algemene regels te laten vallen. (zie noot 19)

Het voorgaande klemt temeer nu de voorgestelde opname van de NeR in het Activiteitenbesluit eveneens zal leiden tot een toename van de noodzaak om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het opnemen van de NeR in het Activiteitenbesluit verandert het karakter van deze regelgeving: van een richtlijn met een inherente afwijkingsbevoegdheid naar algemene regels met emissiegrenswaarden. Omdat de inherente afwijkingsbevoegdheid voor bevoegde gezagen verloren gaat zullen relatief veel maatwerkvoorschriften nodig zijn om de lokale situatie en bijzondere kenmerken van een installatie alsnog mee te kunnen wegen. De noodzaak van meer maatwerk kan overigens verder toenemen doordat de bepaling over zeer zorgwekkende stoffen (zie noot 20) nu alleen geldt voor type C inrichtingen, maar nog niet voor type A of type B inrichtingen. (zie noot 21) Vooralsnog wordt er in de toelichting van uitgegaan dat de specifieke eisen in de hoofdstukken 3 en 4 van het Activiteitenbesluit voor type A en type B inrichtingen voldoende milieubescherming bieden, maar tegelijkertijd wordt vermeld dat zo nodig op grond van de algemene zorgplichtbepaling van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften worden gesteld. (zie noot 22)
Geconcludeerd kan worden dat door de uitbreiding met bedrijfstakken die zich moeilijk in algemene regels laten vatten (het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren, ziekenhuizen en medisch specialistische instellingen, grote sport- en recreatie-inrichtingen, en terreinen voor modelvliegtuigen, modelvaartuigen en modelvoertuigen) in vergelijking tot voorgaande tranches en in vergelijking tot de andere bij het ontwerpbesluit toegevoegde bedrijfstakken, relatief veel maatwerk nodig zal zijn.

Deze toename van maatwerkvoorschriften lijkt, gegeven het vermelde in de toelichting en gelet op de inspraakreacties, tot een zodanige pluriformiteit van regelgeving te leiden dat de vraag is of dit niet haaks staat op hetgeen met het Activiteitenbesluit werd beoogd, namelijk uniformering van regelgeving. Bovendien leidt het voorstel bij de genoemde bedrijfstakken vanwege het noodzakelijke maatwerk tot een verhoging van de administratieve lasten voor de betrokken bedrijven. Dat staat weer haaks op de doelstelling om een vermindering van de administratieve lasten voor inrichtingen te bewerkstelligen. Gelet hierop mist de Afdeling in de toelichting een analyse waarin wordt uiteengezet voor hoeveel inrichtingen naar verwachting door de uitbreiding met de genoemde bedrijfstakken maatwerkvoorschriften zullen moeten worden gesteld en een afweging van deze verwachtingen in het licht van de doelstellingen tot uniformering van regelgeving en verlaging van administratieve lasten.

De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande de voorgestelde uitbreiding met de genoemde bedrijfstakken in het Activiteitenbesluit dragend te motiveren of anders van uitbreiding met die bedrijfstakken af te zien.

3. Handhavingskosten
De toelichting vermeldt dat voor 1.500 inrichtingen de vergunningplicht volledig komt te vervallen. (zie noot 23) Verder geldt dat voor 750 inrichtingen de omgevingsvergunning wordt vervangen door de omgevingsvergunning beperkte milieutoets. (zie noot 24) Aan de omgevingsvergunningen beperkte milieutoets mogen geen voorschriften worden verbonden, maar zijn de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing. (zie noot 25)

De Afdeling merkt op dat als gevolg van het vervallen van de vergunningplicht en het vervangen van de omgevingsvergunning door de omgevingsvergunning beperkte milieutoets de nadruk veel meer komt te liggen op toezicht en handhaving van algemene regels. In lijn hiermee vindt onder meer een verschuiving plaats van de kosten van de controle van de vergunningaanvraag vooraf naar de kosten van toezicht en handhaving achteraf. In de toelichting wordt uitgebreid ingegaan op de lastenvermindering voor bedrijven, maar wordt geen inzicht gegeven in de toezichts- en handhavingskosten voor de decentrale overheden en de vraag of deze kosten overeenkomen met de kosten van toetsing van de vergunningaanvraag die zullen komen te vervallen. Een dergelijk inzicht is ook nodig voor een reëel beeld van de totale lastenvermindering. (zie noot 26)

De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande in de toelichting in te gaan op de handhavings- en toezichtkosten en het vervallen van de kosten van toetsing van de vergunningaanvraag teneinde inzicht te verkrijgen in de totale lastendruk.

4. Lucht en geur
Met het ontwerpbesluit wordt het zogenoemde normstellende deel van de NeR opgenomen in het Activiteitenbesluit, grotendeels in afdeling 2.3 (Lucht en geur). (zie noot 27) Daarmee wordt het Activiteitenbesluit voorzien van een complete systematiek van grenswaarden voor emissies naar de lucht, vrijstellingen, maatwerkbevoegdheden, meet- en controleregels en een algemene geurbepaling. (zie noot 28) Deze nieuwe algemene regels gelden voor alle inrichtingen. Het Activiteitenbesluit wordt voorts voorzien van algemene regels voor zeer zorgwekkende stoffen (zoals kankerverwekkende stoffen) die uitsluitend gelden voor inrichtingen type C. (zie noot 29)

a. NeR en NRB
Op verschillende plaatsen in het vigerende Activiteitenbesluit wordt verwezen naar externe normen, waaronder ook de NeR en de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Bij de totstandkoming van het Activiteitenbesluit heeft de Raad van State aangegeven het uit het oogpunt van inzichtelijkheid en kenbaarheid van de normstelling wenselijk te achten dat zoveel mogelijk de kern van de regel in het ontwerpbesluit of de ministeriële regeling wordt opgenomen. (zie noot 30) Het ontwerpbesluit komt daaraan tegemoet voor zover daarbij het normstellende deel van de NeR in het Activiteitenbesluit wordt opgenomen. Het zou voor de hand liggen om ook de NRB - die evenals de NeR als een (semi-) bestuurlijke norm zonder publiekrechtelijke grondslag moet worden gekarakteriseerd - in het Activiteitenbesluit op te nemen. Niet is toegelicht waarom met het ontwerpbesluit de NeR wel, en de NRB niet in het Activiteitenbesluit wordt opgenomen.

De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de keuze om met het ontwerpbesluit wel de NeR en niet de NRB in het Activiteitenbesluit op te nemen.

b. Algemene geurbepaling en overgangsrecht
Aan het Activiteitenbesluit wordt een algemene geurbepaling toegevoegd. Daarmee wordt het uitgangspunt voor geur uit de NeR - geurhinder wordt voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is tot een aanvaardbaar niveau beperkt - in het Activiteitenbesluit opgenomen. (zie noot 31) Het ontwerpbesluit voorziet in overgangsrecht: de geurvoorschriften van een vergunning worden - uitgaande van inwerkingtreding op 1 januari 2016 - gedurende vijf jaar aangemerkt als maatwerkvoorschriften. (zie noot 32) Daarmee wordt afgeweken van de in het Activiteitenbesluit gehanteerde standaard voor overgangsrecht met betrekking tot vergunningvoorschriften die uitgaat van drie jaar. (zie noot 33) De Afdeling acht een dragende motivering van deze afwijking gewenst vanwege het volgende.

De nieuwe geurbepaling biedt bescherming tegen geurhinder aan geurgevoelige objecten in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij. (zie noot 34) Daarmee is de werking van de algemene geurbepaling beperkt tot de bescherming van gebouwen. (zie noot 35)
Op grond van de NeR was er voor het bevoegd gezag ruimte om niet alleen gebouwen tegen geurhinder te beschermen, maar ook andere locaties waar mensen zich bevinden, zoals recreatiegebieden voor dagrecreatie. Op de NeR gebaseerde vergunningvoorschriften kunnen dus een hoger beschermingsniveau bieden dan waartoe het Activiteitenbesluit noopt, bijvoorbeeld als daarbij een recreatiegebied bescherming wordt geboden. In dat geval kan het overgangsrecht gedurende vijf jaar belastend werken voor inrichtingen. De desbetreffende vergunningvoorschriften worden immers voor die periode als maatwerkvoorschriften aangemerkt. Van de belastende werking van het overgangsrecht is in de toelichting geen rekenschap gegeven.

De Afdeling adviseert in de toelichting gelet op het voorgaande een dragende motivering op te nemen ter zake van de werking van het overgangsrecht gedurende vijf jaar en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.

c. Zeer zorgwekkende stoffen: verhouding tot Europees recht
Voor de emissie van zeer zorgwekkende stoffen gaan aanvullende regels gelden. (zie noot 36) Het gaat om een minimalisatieverplichting, een vijfjaarlijkse informatieplicht (over de emissie van zeer zorgwekkende stoffen en de mogelijkheden om de emissie te voorkomen dan wel te beperken) en een aanvullende emissiegrens. (zie noot 37) Voor de kwalificatie van zeer zorgwekkende stoffen wordt aansluiting gezocht (zie noot 38) bij de criteria of voorwaarden, bedoeld in artikel 57 van de REACH-verordening (zie noot 39). (zie noot 40)

De REACH-verordening is erop gericht dat risicovolle stoffen worden vervangen door minder gevaarlijke stoffen of technieken wanneer geschikte economisch en technisch haalbare alternatieven voorhanden zijn. (zie noot 41) De Afdeling merkt op dat het ontwerpbesluit niet voorziet in uitvoering van de REACH-verordening, nu de verordening niet de emissie van stoffen naar de lucht regelt en niet noopt tot een regeling van emissieminimalisatie zoals die in het ontwerpbesluit voor zeer zorgwekkende stoffen is opgenomen. Dat is echter niet in de toelichting vermeld. De toelichting kan daarom leiden tot de misvatting dat het ontwerpbesluit met de regeling voor zeer zorgwekkende stoffen strekt tot uitvoering van de REACH-verordening. Het is daarom wenselijk om de toelichting op dit punt te verduidelijken.

De toelichting vermeldt dat de aanpak voor zeer zorgwekkende stoffen aansluit bij de uitgangspunten van de Richtlijn industriële emissies. (zie noot 42) Daartoe wordt onder meer gewezen op het minimalisatiebeginsel dat aan deze richtlijn ten grondslag ligt. (zie noot 43) Dit beginsel geldt voor door industriële activiteiten veroorzaakte verontreinigingen. In de toelichting is onvoldoende duidelijk gemaakt of alle zeer zorgwekkende stoffen als bedoeld in het ontwerpbesluit onder het materiële bereik van de richtlijn vallen en of de nieuwe regeling voor zeer zorgwekkende stoffen in het ontwerpbesluit strekt tot implementatie of gewijzigde implementatie van de richtlijn. (zie noot 44)

De Afdeling adviseert de toelichting met inachtneming van het voorgaande te verduidelijken.

d. Zeer zorgwekkende stoffen: maatwerkvoorschriften inrichtingen type B
De algemene regels voor zeer zorgwekkende stoffen gelden uitsluitend voor inrichtingen type C. (zie noot 45) Van inrichtingen type A wordt aangenomen dat er geen relevante emissies van zeer zorgwekkende stoffen optreden, aldus de toelichting. Zoals de Afdeling hiervoor heeft aangegeven wordt er in de toelichting bij het ontwerpbesluit verder van uitgegaan dat de specifieke eisen in de hoofdstukken 3 en 4 van het Activiteitenbesluit voor inrichtingen type B voldoende milieubescherming bieden. Als dat niet het geval is, kunnen volgens de toelichting op grond van de algemene zorgplichtbepaling van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften worden gesteld.

Een maatwerkvoorschrift op grond van de algemene zorgplichtbepaling kan slechts worden gesteld voor zover het desbetreffende aspect bij of krachtens het Activiteitenbesluit niet uitputtend is geregeld. (zie noot 46) De passage in de toelichting dat de specifieke eisen in de hoofdstukken 3 en 4 van het Activiteitenbesluit voor inrichtingen type B voldoende milieubescherming bieden zou in de rechtspraktijk zo kunnen worden geïnterpreteerd dat met die hoofdstukken in een uitputtende regeling is voorzien. (zie noot 47) Die interpretatie zou alsdan leiden tot de conclusie dat geen maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld. Deze conclusie strookt niet met de kennelijke bedoeling van de wetgever. (zie noot 48)

De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt te verduidelijken.

5. Artikelsgewijze opmerkingen

a. Artikel I, onderdeel PP
In de in artikel I, onderdeel PP, voorgestelde artikelen 3.6d en 3.6f van het ontwerpbesluit worden algemene voorschriften gegeven voor het binnen inrichtingen lozen ten gevolge van ontgravingen of baggerwerkzaamheden en het binnen inrichtingen lozen ten gevolge van het schoonmaken van drinkwaterleidingen. Naar moet worden aangenomen geldt voor deze lozingen een meldplicht op grond van het huidige artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit. (zie noot 49) Voor lozingen buiten inrichtingen is deze meldplicht geregeld in artikel 1.10 van het Besluit lozen buiten inrichtingen.

De Afdeling merkt op dat bij een melding op grond van het Besluit lozen buiten inrichtingen voor dezelfde soort lozingen buiten inrichtingen aanvullende gegevens dienen te worden verstrekt. (zie noot 50) Het ontwerpbesluit voorziet niet in een wijziging van het Activiteitenbesluit die regelt dat die aanvullende gegevens ook moeten worden verstrekt voor deze lozingen binnen inrichtingen. Daardoor ontstaat op dit punt een verschil tussen het Activiteitenbesluit en het Besluit lozen buiten inrichtingen. Dat verschil verdraagt zich niet met de opmerking in de toelichting dat is beoogd om de regels en procedures voor lozingen binnen inrichtingen gelijk te stellen met die van lozingen buiten inrichtingen. (zie noot 51)

De Afdeling adviseert in de toelichting het verschil te verklaren of anders het ontwerpbesluit aan te passen.

b. Artikel I, onderdeel ZZ
Artikel I, onderdeel ZZ, voorziet in wijziging van artikel 3.12 van het Activiteitenbesluit. Artikel 3.12, vierde lid, onderdeel a, van het Activiteitenbesluit bepaalt dat degene die een inrichting drijft waar gasdrukmeet- en regelstations categorie B en C in werking zijn, een algemeen beheerssysteem voor milieu- en veiligheidsaspecten beschikbaar heeft. Ziet de Afdeling het goed, dan is noch in het Activiteitenbesluit noch in de Activiteitenregeling bepaald aan welke eisen dit algemene beheerssysteem dient te voldoen. Met het oog op de handhaafbaarheid is dit wel noodzakelijk. Het had dan ook voor de hand gelegen om deze eisen, in het kader van de wijziging van artikel 3.12 van het Activiteitenbesluit, op te nemen.

De Afdeling adviseert in de toelichting te motiveren waarom deze eisen niet zijn opgenomen en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

c. Artikel I, onderdeel YYYYYY
In het in artikel I, onderdeel YYYYYY, voorgestelde artikel 5.46 worden grenswaarden gesteld aan de emissie van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAKs) bij de productie van asfalt. Het voorgestelde artikel 5.46 regelt echter niet hoe het PAKs-gehalte moet worden bepaald. Ziet de Afdeling het goed, dan wordt dit ook niet geregeld elders in het ontwerpbesluit of in de voorziene wijziging van de Activiteitenregeling. (zie noot 52) De toelichting op het voorgestelde artikel 5.46 verschaft hierover evenmin duidelijkheid. Gelet op de handhaafbaarheid is duidelijkheid over de wijze waarop het PAKs-gehalte bij de productie van asfalt moet worden bepaald, wel noodzakelijk.

De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.

6. Voorhangprocedure
Het ontwerpbesluit is voorgehangen bij de beide Kamers der Staten-Generaal. De toelichting maakt hiervan geen melding. (zie noot 53) Ook is niet toegelicht wat de uitkomsten van de voorhang zijn.

De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de uitkomsten van de voorhangprocedure.

7. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State


Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W14.15.0062/IV

Artikel I, onderdeel ZZZZZZ:
- In artikel 5.51, tweede lid, "mobiele tank als bedoeld in artikel 2, onderdeel f, van richtlijn 94/63" vervangen door: mobiele tank als bedoeld in artikel 2, onderdeel e, van richtlijn 94/63.
Artikel I, onderdeel HHHHHHH:
- Bijlage 3 overhevelen naar de Activiteitenregeling milieubeheer. In verband daarmee de verwijzingen naar deze bijlage aanpassen in de artikelen I, onderdeel BBBB, IV, onderdeel G, en V.
Transponeringstabel richtlijn 94/63/EG:
- De enkele stelling dat een bepaling geen implementatie behoeft beperken tot die richtlijnbepalingen waarvoor dit daadwerkelijk geldt en, overeenkomstig Aanwijzing 338, derde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving, telkens aangeven wat de reden is voor het niet implementeren of om het niet in bestaande wet- of regelgeving op te nemen.
- De aangegeven reden voor het niet implementeren van de artikelen 7 tot en met 11 van de richtlijn, namelijk dat termijnen niet meer relevant zijn, aanpassen nu het hier gaat om artikelen die naar hun aard geen implementatie behoeven.
- Artikel 2, onderdeel b, van de richtlijn in de transponeringstabel opnemen.
- Bijlagen I tot en met IV van de richtlijn in de transponeringstabel opnemen.


Nader rapport (reactie op het advies) van 10 september 2015

Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State aanleiding tot het maken van een aantal inhoudelijke opmerkingen. De Afdeling geeft U in overweging in deze een besluit te nemen, nadat met het advies rekening zal zijn gehouden. Hieronder volgt een bespreking van het advies.

1. Toenemende complexiteit
De Afdeling merkt op dat door de uitbreiding van het Activiteitenbesluit met nieuwe activiteiten en de opname van verschillende voor de praktijk van belang zijnde regelingen en algemene maatregelen van bestuur de omvang van het Activiteitenbesluit en de gelaagdheid in de normstelling toeneemt. De Afdeling concludeert dat hierdoor de complexiteit van het Activiteitenbesluit toeneemt. De Afdeling constateert dat hierover zowel in het rapport ‘Evaluatie Activiteitenbesluit 2008-2012’ uit 2013, als in de inspraak- en voorhangprocedures en in het recent gepubliceerde rapport ‘Evaluatie milieueffecten Activiteitenbesluit’ opmerkingen zijn gemaakt.

De Afdeling adviseert in de nota van toelichting op het evaluatierapport uit 2013 in te gaan en aan te geven of en hoe de aanbevelingen uit het rapport zijn aangegrepen om de toegankelijkheid van het Activiteitenbesluit te verbeteren.

De in het evaluatieonderzoek genoemde aanbevelingen richten zich op de volgende verbeterpunten: de leesbaarheid en werkbaarheid van het Activiteitenbesluit, de informatievoorziening, de verwerking van richtlijnen in de ministeriële regeling, de advisering door de werkgroep gelijkwaardigheid en het kennisniveau van toezichthouders, waarbij ik opmerk dat met name het eerste punt ziet op de vormgeving van de regelgeving. Bij de aanbieding van het evaluatierapport aan de Tweede Kamer heb ik aangegeven dat ik deze verbeterpunten voortvarend zal oppakken en waar relevant zal verwerken in de nieuwe regelgeving onder de Omgevingswet. Zoals de Afdeling veronderstelt, acht ik een ingrijpende aanpassing van de structuur van het Activiteitenbesluit gelet op de komende stelselherziening bij deze wijziging niet opportuun. Wel wordt continu geïnvesteerd in het verbeteren van de informatievoorziening en de ontsluiting van de normen die in het Activiteitenbesluit en de daaronder liggende regeling zijn opgenomen. De digitale Activiteitenbesluit Internetmodule (AIM) is een hulpmiddel voor de ontsluiting van het Activiteitenbesluit ter ondersteuning van zowel bedrijven als bevoegde gezagsinstanties. Deze digitale ontsluiting van de regelgeving blijkt in de praktijk een zeer goede wijze om de toegankelijkheid van het Activiteitenbesluit te vergroten. De toelichting is aangevuld met een passage over het evaluatieonderzoek.

De Afdeling adviseert daarnaast de toelichting op meerdere punten te verduidelijken om de toegankelijkheid van het besluit te vergroten. In paragraaf 2.1 van de toelichting is een tabel opgenomen, waarin per activiteit is aangegeven of en zo ja welk effect het ontwerpbesluit heeft op de vergunningplicht en op welke plaatsen het Activiteitenbesluit en het Besluit omgevingsrecht met betrekking tot deze activiteiten zijn aangepast. Vergelijkbare informatie zal ook op de website van Rijkswaterstaat geplaatst worden. Ook zijn in het algemeen deel van de toelichting per paragraaf verwijzingen toegevoegd naar de artikelen van het ontwerpbesluit waarin de beschreven wijzigingen zijn geregeld. Ten slotte zijn in de paragrafen 4.2, 4.4 en 4.5 van de toelichting transponeringstabellen opgenomen waaruit blijkt waar de bepalingen uit de Nederlandse emissierichtlijn (NeR), het Besluit LPG-tankstations en het Besluit hefschroefvliegtuigen die aan het Activiteitenbesluit zijn toegevoegd, zijn opgenomen. Ten behoeve van de inzichtelijkheid is, daar waar dit relevant is, in deze tabellen tevens aangegeven waar de bepalingen in de Activiteitenregeling zijn opgenomen. Met betrekking tot de Regeling op- en overslag en distributie benzine wordt volstaan met een aanpassing van de implementatietabel van richtlijn nr. 94/63/EG in paragraaf 4.3, aangezien bij de inbouw van deze regeling alle nationale bepalingen die de regeling bevatte, zijn verwijderd en enkel de bepalingen van de richtlijn in het Activiteitenbesluit zijn opgenomen.

2. Toename maatwerk
De Afdeling merkt op dat het ontwerpbesluit onder meer regelt dat de vergunningplichtige activiteiten van inrichtingen uit negen bedrijfstakken aan het Activiteitenbesluit worden toegevoegd. Voor het merendeel van deze activiteiten vervalt de vergunningplicht en worden nieuwe, algemene voorschriften in het Activiteitenbesluit gevoegd. Daarnaast regelt het ontwerpbesluit dat de vergunningplichtige activiteiten van inrichtingen uit vijftien andere bedrijfstakken aan het Activiteitenbesluit worden toegevoegd, zonder dat daarvoor nieuwe voorschriften worden ingevoerd. De Afdeling merkt op dat de nota van toelichting vermeldt dat er in vergelijking tot de voorgaande drie tranches van het Activiteitenbesluit voor deze bedrijfstakken meer maatwerk nodig zal zijn. Ook de inpassing van de NeR in het Activiteitenbesluit en de nieuwe regelgeving inzake zeer zorgwekkende stoffen zorgen voor een toenemende noodzaak om maatwerkvoorschriften te stellen. De Afdeling vraagt zich af of deze toename van maatwerkvoorschriften niet haaks staat op het doel van het Activiteitenbesluit om te komen tot uniformering van de regelgeving en de verlaging van administratieve lasten.

De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande de voorgestelde uitbreiding met de genoemde bedrijfstakken in het Activiteitenbesluit dragend te motiveren of anders van uitbreiding met die bedrijfstakken af te zien.

Kort samengevat is het doel van het brengen van extra activiteiten onder het Activiteitenbesluit vereenvoudiging, vermindering en uniformering van regelgeving te realiseren en tegelijkertijd een vermindering van de administratieve lasten voor inrichtingen als gevolg van rijksregelgeving te bewerkstelligen, waarbij het niveau van milieubescherming gelijk blijft. Deze uitgangspunten zijn in acht genomen bij de beoordeling van de vraag of bedrijfstakken onder het Activiteitenbesluit konden worden gebracht. Daarnaast bleek bij de doorlichting van de lijst met vergunningplichtige inrichtingen uit het Besluit omgevingsrecht (Bor) dat vergunningen voor sommige activiteiten slechts één aspect reguleerden of dat daarvoor de vergunningsvoorschriften ook al in algemene regels terug te vinden waren. Ook de wens vanuit de maatschappij om bepaalde ontwikkelingen, zoals mono-vergisting, mogelijk te maken, heeft meegespeeld bij de keuze om activiteiten onder de algemene regels te brengen. Bij het maken van de keuze zijn vertegenwoordigers van de betrokken bedrijfstakken nauw betrokken. Iedere aanpassing wordt individueel toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij de wijziging van bijlage I bij het Bor. Op een aantal punten is de toelichting aangevuld.

In verhouding tot de vorige tranches van het Activiteitenbesluit zal de mogelijkheid tot de inzet van maatwerk toenemen door het wijzigingsbesluit. Dit betekent niet per definitie dat er evenredig meer gebruik zal worden gemaakt van die mogelijkheden. De evaluatie van het Activiteitenbesluit heeft laten zien dat het bevoegd gezag zorgvuldig gebruik maakt van maatwerkbevoegdheden. Verwacht mag worden dat bevoegde overheden, net als nu het geval is, alleen maatwerk inzetten als dat nodig is. Voorts wordt opgemerkt dat de toevoeging van de nieuwe activiteiten wel degelijk een uniformerende werking in de praktijk tot gevolg heeft. Een deel van de vergunningvoorschriften zal zes maanden na inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving komen te vervallen, omdat zij niet aan de voorwaarden van het overgangsrecht voldoen. Het merendeel van de huidige vergunningvoorschriften wordt nog gedurende drie jaar als maatwerk aangemerkt, waarna het bevoegd gezag de mogelijkheid heeft om de voorschriften om te zetten in permanente maatwerkvoorschriften. De praktijk heeft aangetoond dat slechts een beperkt deel wordt omgezet naar permanente voorschriften, omdat deze voorschriften noch voor de inrichting, noch voor het bevoegd gezag noodzakelijk blijken. De inpassing van activiteiten in het Activiteitenbesluit leidt aldus tot een algehele heroverweging van voorschriften, wat uiteindelijk tot uniformering leidt.

De omzetting van vergunningvoorschriften in - eerst tijdelijke en indien dit noodzakelijk is later permanente - maatwerkvoorschriften leidt eenmalig tot een toename in de administratieve lasten, maar betekent vervolgens een daling in de structurele lasten. Indien een nieuwe inrichting van start gaat, zal beoordeeld moeten worden of voor de activiteiten van deze inrichting maatwerk noodzakelijk is. Deze beoordeling zal gepaard gaan met administratieve lasten. Aangezien het uitgangspunt is dat de activiteit onder algemene regels valt, zullen deze lasten aanzienlijk lager zijn vergeleken met de oude situatie waarin de inrichting vergunningplichtig was. Per saldo draagt het ontwerpbesluit aldus bij aan een verlaging van de lasten.

Met betrekking tot de drie specifieke bedrijfstakken, waarover de Afdeling haar bezorgdheid uit, kan het volgende worden opgemerkt. Ten aanzien van ziekenhuizen en medisch specialistische inrichtingen en de noodzaak tot maatwerk met betrekking tot lozingen wordt ten eerste benadrukt dat de algemene regels voor lozingen uit het Activiteitenbesluit nu reeds van toepassing zijn op een aantal ziekenhuizen en instellingen. Deze set aan voorschriften is voldoende gebleken. Het afvalwater van de ziekenhuizen en instellingen die nu onder het Activiteitenbesluit worden gebracht, verschilt niet wezenlijk van het afvalwater van de ziekenhuizen en instellingen die reeds onder algemene regels vallen. De verwachting is dan ook dat zich op dit punt geen grote problemen zullen voordoen. Ten tweede, het Activiteitenbesluit reguleerde al zeer veel activiteiten van ziekenhuizen en medisch specialistische instellingen, waaronder activiteiten met betrekking tot afval, lozingen, voedselbereiding, laboratoria en diverse installaties, waardoor de vergunningplicht gemakkelijk vervangen kon worden door algemene regels zonder nieuwe voorschriften op te nemen in het Activiteitenbesluit. Ten slotte is nadrukkelijk besloten dat de vergunningplicht voor een aantal activiteiten, waaronder het werken met genetische gemodificeerde organismen onder ingeperkt gebruik of met overige biologische agentia van niveau 3 en 4, zal blijven bestaan. Ook kan het voorkomen dat ziekenhuizen vergunningplichtig blijven omdat zij de grenzen van een andere categorie uit bijlage C bij het Bor overschrijden zoals de opslag van lachgas. Dit zal met name de academische ziekenhuizen betreffen. Met betrekking tot het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren en de grote sport- en recreatie-inrichtingen is de noodzaak voor het gebruikmaken van de mogelijkheid tot het treffen van maatwerk direct gerelateerd aan de locatie van de inrichting. Op basis van de gevoeligheid van de locatie kon de vergunning voor bepaalde inrichtingen uit deze categorieën specifieke voorschriften bevatten, met name ter voorkoming van geluidhinder of met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking van de inrichting. Om de omgeving op een gelijkblijvend niveau te kunnen blijven beschermen is er bewust voor gekozen het bevoegd gezag de bevoegdheid te geven tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor deze activiteiten. Echter, een groot deel van de inrichtingen uit deze categorieën ligt op minder gevoelige locaties, waardoor de inzet van maatwerk niet noodzakelijk zal zijn. In dergelijke gevallen zal de uniformerende werking van het Activiteitenbesluit relatief groot zijn.

Met betrekking tot toename in maatwerkvoorschriften door de opname van de NeR en de algemene regels voor zeer zorgwekkende stoffen wordt het volgende opgemerkt. De NeR had als aangewezen BBT-document al een meer bindend karakter dan andere nationale richtlijnen en de inherente afwijkbevoegdheid die normaal gesproken aan dergelijke richtlijnen is verbonden was al zeer beperkt. Bij het opnemen van de NeR in het Activiteitenbesluit is dan ook de inschatting gemaakt dat bij de toepassing relatief weinig maatwerk in de praktijk nodig is. Deze inschatting is gebaseerd op de bestaande praktijk bij de vergunningverlening.

Voor zeer zorgwekkende stoffen geldt dat aan die stoffen in de bestaande vergunningen vaak onvoldoende aandacht werd besteed. Nu deze stoffen onder de algemene regels worden gebracht, vindt een meer uniforme toepassing van de, voorheen in de NeR opgenomen, voorschriften plaats. Indien er in een specifieke situatie voor een type C-inrichting maatwerk nodig is, zal dit naar verwachting niet tot een toename van de lasten leiden. Voorheen zou dit immers in de vergunning moeten worden geregeld, waarvoor een vergelijkbare inspanning nodig zou zijn. Maatwerk voor type B-inrichtingen zal aan de orde kunnen zijn als in hoofdstuk 4 van het Activiteitenbesluit de mogelijkheid is opgenomen om eisen te stellen aan de locatie en uitvoering van het emissiepunt. Voor het overige wordt er op dit moment van uitgegaan dat de voorschriften in hoofdstuk 4 voldoende milieubescherming bieden. Bij type A bedrijven wordt niet verwacht dat er zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht worden geëmitteerd. De algemene zorgplichtbepaling van artikel 2.1 zal voor type A -en type B-inrichtingen slechts relevant zijn als vangnet voor de situatie dat er toch, onvoorzien, op basis van nieuwe informatie die beschikbaar is gekomen, vanuit het oogpunt van milieubescherming ontoelaatbare emissies naar de lucht blijken plaats te vinden van zeer zorgwekkende stoffen. In een dergelijke situatie zijn derhalve niet alle aspecten geregeld en is maatwerk mogelijk. De aard van de zeer zorgwekkende stoffen en ontwikkelingen bij het beschikbaar komen van informatie over zeer zorgwekkende stoffen nopen daartoe.

Op een aantal punten is de toelichting aangepast om de verwachting van de toename van het maatwerk te verduidelijken.

3. Handhavingskosten
De Afdeling merkt op dat als gevolg van het vervallen van de vergunningplicht en het vervangen van de omgevingsvergunning door de omgevingsvergunning beperkte milieutoets de nadruk veel meer komt te liggen op toezicht en handhaving van algemene regels. De Afdeling geeft aan dat in lijn hiermee onder meer een verschuiving plaatsvindt van de kosten van de controle van de vergunningaanvraag vooraf naar de kosten van toezicht en handhaving achteraf.

De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande in de toelichting in te gaan op de handhavings- en toezichtkosten en het vervallen van de kosten van toetsing van de vergunningaanvraag teneinde inzicht te verkrijgen in de totale lastendruk.

Al bij de vorige tranches van het Activiteitenbesluit is geconstateerd dat de verschuiving van vergunningen naar algemene regels bij het bevoegd gezag leidt tot een daling van de inzet die nodig is voor vergunningverlening en aldus een daling van de lasten voor het bevoegd gezag met zich meebrengt. Hier staat tegenover dat de handhaving van de algemene normen meer capaciteit vergt vanwege de verschuiving van preventief toezicht naar repressief toezicht. Er wordt aangenomen dat deze verschuiving op macroniveau budgetneutraal verloopt. Aangezien het vervolgens aan het individuele bevoegde gezag is om prioritering in repressief toezicht en handhaving aan te brengen, kan op deze plek geen kwantitatief beeld worden gegeven van de totale bestuurlijke lasten. Met inachtneming van het voorgaande zal de toelichting op dit punt worden aangevuld.

4. Lucht en geur
De Afdeling constateert dat het normstellende deel van de NeR wordt opgenomen in het Activiteitenbesluit en dat tevens wordt voorzien in de opname van algemene regels voor zeer zorgwekkende stoffen, die uitsluitend gelden voor inrichtingen type C.

a. NeR en NRB
De Afdeling constateert dat de normstellende delen van de NeR wel en de normstellende delen van de NRB niet met het ontwerpbesluit in het Activiteitenbesluit worden opgenomen en adviseert in de toelichting in te gaan op deze keuze.

Met het inbouwen van het normatieve deel van de NeR in het Activiteitenbesluit, wordt de verhouding tussen de inhoud van het Activiteitenbesluit, de NeR en die documenten waarin de meest milieuvriendelijke technieken zijn opgenomen die een inrichting kan toepassen (BREF’s/BBT’s) verduidelijkt. De opzet van de NeR maakte het mogelijk duidelijk onderscheid te maken tussen de normstellende en informatieve delen. Bij de stelselherziening in het kader van de Omgevingswet wordt bekeken of opname in algemeen verbindende voorschriften ook voor andere documenten zoals de NRB mogelijk is. In de toelichting is hiervan melding gemaakt.

b. Algemene geurbepaling en overgangsrecht
De Afdeling merkt op dat aan het Activiteitenbesluit een algemene geurbepaling wordt toegevoegd, waarmee het uitgangspunt voor geur uit de NeR in het Activiteitenbesluit wordt opgenomen. In afwijking van de NeR wordt bescherming tegen geurhinder echter enkel nog toegekend aan geurgevoelige objecten en niet langer aan andere locaties waar zich mensen bevinden. De Afdeling merkt vervolgens op dat de overgangstermijn voor geurvoorschriften op vijf jaar wordt gesteld, waarmee wordt afgeweken van de standaardtermijn van drie jaar. Deze termijn kan belastend werken voor inrichtingen.

De Afdeling adviseert in de toelichting gelet op het voorgaande een dragende motivering op te nemen ter zake van de werking van het overgangsrecht gedurende vijf jaar en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.

Voor de termijn van vijf jaar is gekozen mede wegens de inhoud van de inspraakreacties op het besluit. Een periode van drie jaar werd door het bevoegd gezag in dit geval te kort geacht voor het omzetten van vergunningvoorschriften in maatwerkvoorschriften. De belastende werking van deze termijn wordt beperkt geacht. Bestaande bedrijven zullen immers al de maatregelen getroffen hebben om een aanvaardbaar hinderniveau te bereiken. De toelichting is op dit punt aangevuld.

c. Zeer zorgwekkende stoffen: verhouding tot Europees recht
De Afdeling merkt op dat voor de emissie van zeer zorgwekkende stoffen aanvullende regels gaan gelden. Voor de kwalificatie van zeer zorgwekkende stoffen wordt aangesloten bij de REACH-verordening, (zie noot 54) maar het ontwerpbesluit moet niet gezien worden als implementatie van deze verordening. De Afdeling constateert dat dit onvoldoende duidelijk blijkt uit de toelichting. Voor de aanpak voor zeer zorgwekkende stoffen wordt aangesloten bij de uitgangspunten van de Richtlijn industriële emissies. (zie noot 55) De Afdeling geeft aan dat de toelichting de relatie tussen het Activiteitenbesluit en de richtlijn onvoldoende duidelijk maakt.

De Afdeling adviseert de toelichting met inachtneming van het voorgaande te verduidelijken.

In paragraaf 4.2 van het algemeen deel van de toelichting wordt de verhouding tussen de REACH-verordening en het ontwerpbesluit vermeld. Hieraan is expliciet toegevoegd dat het ontwerpbesluit niet strekt ter implementatie van de verordening. De EU-richtlijn industriële emissies is in Nederland onder meer geïmplementeerd in de afdeling 2.3 Lucht van het Activititeitenbesluit en met betrekking tot de vergunningplicht in het Besluit omgevingsrecht. De richtlijn bevat de verplichting om nadere eisen te stellen aan de emissie van bepaalde verontreinigende stoffen die zijn opgenomen in bijlage II bij de richtlijn. Deze eisen kunnen in vergunningvoorschriften of in algemene verbindende voorschriften worden opgenomen. Tot op heden waren deze nadere eisen in de NeR opgenomen en werden zij door het bevoegd gezag bij de vergunningverlening in acht genomen. Voor de zeer zorgwekkende stoffen worden de emissiegrenswaarden en eisen nu in het Activiteitenbesluit opgenomen. Voor het deel van de zeer zorgwekkende stoffen dat onder bijlage II van de richtlijn valt, is op dit punt dus sprake van een nadere invulling van de verplichtingen uit de richtlijn. De lijst met zeer zorgwekkende stoffen zoals deze op basis van de criteria uit REACH is vastgesteld omvat echter een grotere groep van stoffen van vergelijkbare zorg. Voor al deze stoffen worden nu regels gesteld. De toelichting is op dit punt verduidelijkt.

d. Zeer zorgwekkende stoffen: maatwerkvoorschriften inrichtingen type B
De Afdeling merkt op dat de passage in de toelichting inzake de invoering van de regels voor zeer zorgwekkende stoffen waarin staat dat de specifieke eisen in de hoofdstukken 3 en 4 van het Activiteitenbesluit voor inrichtingen type B voldoende milieubescherming bieden, in de rechtspraktijk zo zou kunnen worden geïnterpreteerd dat met die hoofdstukken in een uitputtende regeling is voorzien. Die interpretatie zou dan leiden tot de conclusie dat geen maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld. Deze conclusie strookt niet met de kennelijke bedoeling van de wetgever. De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt te verduidelijken.

Hierboven is onder punt 2 aangegeven in welke gevallen maatwerk mogelijk is, ook in relatie tot de algemene zorgplichtbepaling. In de toelichting is op dit punt een overeenkomstige passage opgenomen.

5. Artikelsgewijze opmerkingen

a. Artikel I, onderdeel PP
Door de opname van algemene voorschriften voor het binnen inrichtingen lozen ten gevolge van ontgravingen of baggerwerkzaamheden en het binnen inrichtingen lozen ten gevolge van het schoonmaken van drinkwaterleidingen in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit, vallen deze lozingen onder de meldplicht van hoofdstuk 1 van het besluit. De Afdeling merkt op dat bij een melding op grond van het Besluit lozen buiten inrichtingen voor dezelfde soort lozingen buiten inrichtingen aanvullende gegevens dienen te worden verstrekt en adviseert in de toelichting het verschil te verklaren of anders het ontwerpbesluit aan te passen.

Besloten is dat de gegevens die op grond van het Besluit lozingen buiten inrichtingen dienen te worden verstrekt niet allemaal noodzakelijk zijn voor de melding: deze zijn om die reden niet als eis opgenomen in het Activiteitenbesluit. Deze gegevens zullen desgevraagd wel beschikbaar moeten bij de inrichting met het oog op de handhaving. De toelichting is op dit punt aangepast.

b. Artikel I, onderdeel ZZ
De Afdeling merkt op hoewel artikel 3.12 van het besluit een bedrijfsnoodplan of een veiligheidsbeheerssysteem verplicht stelt, noch in het Activiteitenbesluit noch in de Activiteitenregeling is bepaald aan welke eisen dat systeem moet voldoen. De Afdeling acht deze eisen noodzakelijk voor de handhaving. De Afdeling adviseert in de toelichting te motiveren waarom deze eisen niet zijn opgenomen en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

Doel van artikel 3.12 is te garanderen dat iedere inrichting waar gasdrukmeet- en regelstations categorie B en C staan, beschikt over een bedrijfsnoodplan. Dit kan een zelfstandig document zijn, maar het is ook mogelijk dat het onderdeel is van het veiligheidsbeheerssysteem. Artikel 3.12 heeft niet tot doel een veiligheidsbeheerssysteem verplicht te stellen. Globaal moet een bedrijfsnoodplan dat onderdeel is van een veiligheidsbeheerssysteem aan dezelfde eisen voldoen als een zelfstandig bedrijfsnoodplan. Omdat het echter mogelijk is dat de plicht tot het hebben van het veiligheidsbeheerssysteem voortvloeit uit regelgeving waarin randvoorwaarden aan het systeem worden gesteld, staan in artikel 3.12 geen specifieke eisen opgenomen. Tevens is een kenmerk van een veiligheidsbeheerssysteem dat het specifiek op het individuele bedrijf is toegespitst, waardoor het vrijwel niet mogelijk is om concrete vereisten in regelgeving op te nemen. Aangezien de toepassing van artikel 3.12 tot op heden niet tot problemen heeft geleid, is ervan afgezien de toelichting op dit punt aan te passen.

c. Artikel I, onderdeel YYYYYY
De Afdeling constateert dat in het ontwerpbesluit grenswaarden gesteld worden aan de emissie van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAKs) bij de productie van asfalt, maar dat het voorgestelde artikel 5.46 niet regelt hoe het PAKs-gehalte moet worden bepaald. Met het oog op de handhaafbaarheid adviseert de Afdeling de toelichting op dit punt aan te vullen en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.

Uit de systematiek van het Activiteitenbesluit volgt dat in hoofdstuk 2 wordt bepaald hoe emissies gemeten moeten worden en welke methoden hiervoor gebruikt kunnen worden. Een verwijzing naar artikel 5.46 ontbrak inderdaad in dit hoofdstuk. De voorgestelde artikelen 2.3a en 2.8 zijn op dit punt aangepast.

6. Voorhangprocedure
De Afdeling mist in de toelichting verwijzingen naar voorhangprocedure en adviseert in de toelichting in te gaan op de uitkomsten van de deze procedure.

Bij brief van 30 juni 2014 is het onderhavige ontwerpbesluit conform de wettelijk voorgeschreven voorhangprocedure van artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer aan het parlement aangeboden. (zie noot 56) De schriftelijke vragen van de Kamer zijn beantwoord bij brief van 17 december 2014. (zie noot 57) Het ontwerpbesluit is niet aangepast naar aanleiding van deze procedure.

De nota van toelichting is aangevuld met een korte passage over de gevolgde procedure met betrekking tot de voorhang.

7. Redactionele opmerkingen
De redactionele opmerkingen van de Afdeling zijn overgenomen met uitzondering van de opmerking om bijlage 3 uit het besluit over te hevelen naar de regeling. Hoewel het technisch karakter van de bijlage opname bij de regeling niet uitsluit, is het voor de gebruiker transparanter indien enkel op basis van het besluit bepaald kan worden in welke stuifcategorie bepaalde stoffen vallen. Aangezien de stuifcategorieën ook voor de toepassing van andere algemene maatregelen van bestuur van belang zijn, acht ik aanwijzing van de categorieën bij besluit wenselijk.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het ontwerpbesluit op een aantal kleine punten aan te passen.

Ten eerste is onderdeel A de definitiebepaling van ‘natuurlijk koudemiddel’ aangepast aan de definitie zoals die gebruikt wordt in het ontwerpbesluit gefluoriseerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen. Dit besluit dient ter uitvoering van twee Europese verordeningen. (zie noot 58) Ten tweede is in artikel 2.3, eerste lid, een tweetal verwijzingen naar NEN-normen geactualiseerd. Met deze wijziging uit onderdeel R is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Ten derde is in onderdeel YYYYYY aan artikel 5.43 een verwijzing naar de artikelen 3.10i, 301j en 3.10p opgenomen. Abusievelijk ontbrak deze verwijzing waardoor niet gereguleerd was hoe de emissies van glycol gemeten moeten worden. Ten vierde laat onderdeel GGGGGGG (nieuw) de verwijzing naar de NeR uit artikel 6.41 vervallen. Ten slotte is in artikel II, onderdeel D, categorie 17 van onderdeel C van bijlage I bij het Bor gewijzigd om aan te geven dat ook buitenschietbanen die gebruikt worden door andere overheidsdiensten dan de krijgsmacht niet langer vergunningplichtig zijn. Abusievelijk was deze uitzondering nog niet eerder opgenomen in het ontwerpbesluit.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU


(1) Zie het "Meerjarenprogramma herijking van de VROM-regelgeving (Stb. 2012, 558, paragraaf 3). Paragraaf 1 van het algemeen deel van de nota van de toelichting merkt op dat dit doel eveneens geldt voor het onderhavige ontwerpbesluit.
(2) Artikel 6.42.
(3) Een voorbeeld van de extra gelaagdheid als gevolg van het ontwerpbesluit vormt de opname van het Besluit LPG-tankstations milieubeheer. Het in werking hebben van een LPG-tankstation blijft op grond van de Wabo vergunningplichtig. Aan een dergelijke vergunning zijn in het algemeen voorschriften verbonden. Daarnaast gelden nu voor LPG-tankstations de in het ontwerpbesluit opgenomen algemene regels. Verder gelden voor de externe veiligheid, de technische eisen van de installaties en explosieveiligheid ook nog de specifieke regels van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Regeling externe veiligheid inrichtingen, het Warenwetbesluit drukapparatuur en het Arbeidsomstandighedenbesluit.
(4) Zie voor deze aanbevelingen paragraaf 6 van de managementsamenvatting van het evaluatierapport. Aanbevolen wordt duidelijker te omschrijven dat hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3 van toepassing zijn op een IPPC-installatie binnen een bedrijf en op structuurniveau de relaties te verhelderen tussen onder andere de omgevingsvergunning, de milieueffectrapportage en de omgevingsvergunning beperkte milieutoets.
(5) Bij wijze van voorbeeld kan worden gewezen op de tabel zoals die is gepubliceerd op de website van Infomill: (www.infomill.nl/onderwerpen/integrale/activiteitenbesluit/ontwikkelingen/grenzen).
(6) Kamerstukken II 2014/15, 29 383, nr. 230.
(7) Als willekeurig voorbeeld kan paragraaf 3.4 van het algemeen deel van de toelichting worden genoemd. In deze paragraaf wordt aangegeven dat de verplichte VOS-boekhouding voor niet-vergunningplichtige inrichtingen met een oplosmiddelenverbruik van minder dan 1000 kg vluchtige organische stoffen komt te vervallen. Omdat niet wordt aangegeven waar dit in het ontwerpbesluit wordt geregeld, leidt dit leidt tot veel blader- en zoekwerk in het toch al omvangrijke ontwerpbesluit. Dit voorbeeld is met vele andere voorbeelden aan te vullen.
(8) Het gaat om de NeR, de Regeling op-, overslag en distributie benzine milieubeheer, het Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer en het Besluit LPG-tankstations milieubeheer.
(9) Zie het "Meerjarenprogramma herijking van de VROM-regelgeving (Stb. 2012, 558, paragraaf 3).
(10) Zie paragraaf 1 van het algemeen deel van de nota van de toelichting.
(11) Het betreft het smelten en gieten van metalen, het opslaan of bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen bij defensie-inrichtingen, het schieten op buitenschietbanen, het kleinschalig vergisten van uitsluitend dierlijke meststoffen, dierencrematoria, het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren, het op- en overslaan van verwijderd asbest, bloemenververijen en enkele activiteiten met mergel, grind en kalk.
(12) Het betreft ziekenhuizen en instellingen voor medisch-specialistische zorg, sport- en recreatie-inrichtingen die per jaar 500.000 bezoekers of meer trekken, terreinen voor modelvliegtuigen, modelvaartuigen en modelvoertuigen, het assembleren van motorvoertuigen, de productie van vezel en houtplaatmateriaal,
Pet food-bedrijven, het veredelen van textiel, de opslag van ruwe cacao, het vullen van gasflessen, inrichtingen voor de productie en toepassing van natuurhars, het vervaardigen en bewerken van bont en leer, meelfabrieken, het afmeren van zeegaande veerboten, het kweken van ongewervelde dieren en diverse handelingen met afval verrichten.
(13) Zie paragraaf 6 van de toelichting: "Vergeleken met voorgaande tranches van het Activiteitenbesluit, is er met dit wijzigingsbesluit voor een groter aantal inrichtingen maatwerk nodig, zoals voor een dierentuin of een groot museum".
(14) Zie de toelichting op artikel I, onderdeel KKKKK, artikelen 3.168 en 3.169: "Dieren in de buitenlucht zorgen voor een duidelijk hoorbaar geluid. Dat kan verschillen per diersoort. (…) Op basis van de melding en/of het akoestisch onderzoek zullen in veel gevallen voorschriften gesteld worden voor technische voorzieningen en gedragsregels. Maatwerk zal in veel gevallen worden toegepast."
(15) Zie paragraaf 2.11 van de toelichting. Maatwerk zal vooral nodig zijn op het punt van lozingen vanuit een ziekenhuis op het vuilwaterriool van afval van de gezondheidszorg. Het Activiteitenbesluit bevat daarvoor onvoldoende concrete voorschriften. Deze zullen op grond van de algemene zorgplicht nader moeten worden ingevuld door middel van maatwerk, aldus de toelichting.
(16) Zie paragraaf 2.11 van de toelichting. De toelichting merkt hier op dat bij grote sport- en recreatie-inrichtingen vooral voor geluid vaak maatwerk aan de orde zal zijn. Ook de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied wijst hier op in haar inspraakreactie: "Het betreft vaak omvangrijke inrichtingen waarbij veel verschillende milieuaspecten een rol spelen. Vergunningen voor dergelijke inrichtingen zijn maatwerk waarbij alle milieuonderdelen voldoende worden ondervangen. In de vergunningen zijn in zijn algemeenheid voorschriften opgenomen die niet in het Abm staan. Veel van deze voorschriften kunnen niet op grond van het Abm worden gesteld of alleen op grond van de zorgplicht worden opgelegd."
(17) Zie paragraaf 2.11 van de toelichting. Zie ook de toelichting op artikel II, onderdeel D, onder 4, onder P, subonderdeel 2: "Bij inrichtingen voor modelvliegtuigen zijn geluid, veiligheid van personen in de vliegcirkel en natuur belangrijke aspecten. Voor geluid waren de gestelde geluidgrenswaarden bij de afgegeven vergunningen vaak lager dan de standaardgrenswaarden van het Activiteitenbesluit. Daarnaast waren veel aanvullende voorschriften gesteld over bijvoorbeeld het aantal vliegtuigen en de vliegduur, het motortype, de geluidmetingen aan vliegtuigen en het bijhouden van logboeken. In veel gevallen zal maatwerk moeten worden toegepast.".
(18) Inspraakreactie van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.
(19) Inspraakreactie van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. De Jaarbeurs reageert in dezelfde zin.
(20) Zie artikel 2.4 (nieuw) voor de bepaling over zeer zorgwekkende stoffen.
(21) Zie voor de omschrijving van type A, type B en type C inrichtingen artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit. Inrichtingen type A zijn inrichtingen waarvoor geen omgevingsvergunning milieu nodig is en waarvoor bij opricht of wijziging ook geen melding hoeft te worden gedaan aan het bevoegd gezag, omdat ze voor het milieu minder relevante activiteiten uitvoeren. Inrichtingen type B zijn inrichtingen waarvoor ook geen omgevingsvergunning milieu nodig is, maar waarvoor bij oprichting of wijziging wel een melding moet worden gedaan, omdat ze voor het milieu meer relevante activiteiten uitvoeren. Inrichtingen type C zijn inrichtingen die wegens hun voor het milieu relevante activiteiten altijd een omgevingsvergunning nodig hebben.
(22) Paragraaf 4.2. van de toelichting.
(23) Paragraaf 6.2.1. van de toelichting.
(24) Idem.
(25) Artikel 5.13a van het Besluit omgevingsrecht.
(26) Zie ook Aanwijzing 212, onderdeel e, van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Indien, zoals in dit geval, dat ter zake doet, komen in de toelichting in ieder geval de lasten voor de overheid, waaronder de lasten verbonden aan de handhaving, aan de orde.
(27) Blijkens de toelichting betreft het resterende deel van de NeR informatieve teksten. Die worden bewerkt tot een hulpmiddel bij het vaststellen van de beste beschikbare technieken: het zogenoemde Informatiedocument Industriële Emissie dat zal worden ontsloten via www.infomil.nl.
(28) Onderscheidenlijk in de artikelen 2.5, 2.6, 2.7, 2.8 en 2.7a (alle nieuw).
(29) Artikel 2.4 (nieuw).
(30) Advies van de Raad van State van 28 juni 2007 over het ontwerpbesluit, houdende algemene regels voor inrichtingen (W08.07.0082/IV), nader rapport van 15 oktober 2007, DJZ2007098397, Bijvoegsel Stcrt. 2007, nr. 220.
(31) Artikel 2.7a.
(32) Artikel 2.8a (nieuw): Voor een inrichting type C waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, worden de geurvoorschriften van die vergunning in afwijking van artikel 6.1, eerste lid, na het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, tot 1 januari 2021 aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de geurvoorschriften van de vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.
(33) Artikel 6.1, eerste lid.
(34) Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van het Abm wordt onder geurgevoelig object verstaan: geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij.
(35) Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij wordt onder geurgevoelig object verstaan: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, (…)
(36) Voor de emissie van zeer zorgwekkende stoffen gelden ook de algemene regels die gelden voor de emissie van alle in het ontwerpbesluit benoemde stofcategorieën (artikel 2.5 ev., nieuw).
(37) Artikel 2.4, tweede, derde en vijfde lid (nieuw).
(38) Artikel 2.3b (nieuw)
(39) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (PbEU 2006, L 136).
(40) De NeR kent weliswaar een vergelijkbare regeling, maar kent niet de stofcategorie zeer zorgwekkende stoffen. De regeling in de NeR geldt voor drie in de NeR nader aangeduide stofklassen en voor stoffen die (nog) niet behoren tot de desbetreffende stofklassen, maar die wel voorkomen op lijsten bij de REACH-verordening.
(41) Overweging 12 en artikel 55. Indien een stof voldoet aan een of meer van de kenmerken van artikel 57 kan de stof worden opgenomen in de lijst van autorisatieplichtige stoffen (bijlage XIV). Een fabrikant, importeur of downstreamgebruiker mag een in bijlage XIV opgenomen stof niet voor een bepaald gebruik in de handel brengen of zelf gebruiken, tenzij daarvoor - samengevat weergegeven - in Europees verband autorisatie is verleend (artikel 56).
(42) Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)(herschikking) (PbEU 2010, L 334).
(43) Overweging 2 van de richtlijn.
(44) Zie het samenstel van de artikelen 14 en 17 van de richtlijn.
(45) Artikel 2.4, eerste lid (nieuw).
(46) Artikel 2.1, vierde lid.
(47) Zie voor voorbeelden in de rechtspraktijk over onduidelijkheden met betrekking tot de vraag of aspecten uitputtend geregeld zijn de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 november 2009 in zaak nr. 200907040/2/M2 (www.raadvanstate.n) en van 11 maart 2015 in zaak nr. 201403910/1/A4 (www.raadvanstate.nl).
(48) Ook in een eerder advies heeft de Raad van State gesignaleerd dat het de uitleg van het criterium "uitputtende regeling" complicaties kent; advies van de Raad van State van 28 juni 2007 over het ontwerpbesluit, houdende algemene regels voor inrichtingen (W08.07.0082/IV), nader rapport van 15 oktober 2007, DJZ2007098397, Bijvoegsel Stcrt. 2007, nr. 220.
(49) De artikelsgewijze toelichting vermeldt alleen ten aanzien van het binnen de inrichting lozen van afvalwater ten gevolge van calamiteitenoefeningen dat hiervoor de meldplicht van het Activiteitenbesluit geldt. De Afdeling gaat er van uit dat deze meldplicht ook geldt voor het binnen de inrichting lozen ten gevolge van ontgravingen of baggerwerkzaamheden en het binnen de inrichtingen lozen ten gevolge van het schoonmaken van drinkwaterleidingen. Gezien de systematiek van het Activiteitenbesluit valt niet in te zien waarom voor deze lozingen niet ook een meldplicht geldt.
(50) Zie voor deze aanvullende gegevens de artikelen 1.17 en 1.19 van het Besluit lozen buiten inrichtingen. Bij een melding voor het lozen ten gevolge van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden, en andere onderhoudswerkzaamheden dienen op grond van artikel 1.17 tevens gegevens over de toe te passen technieken, stoffen, conserveringsmiddelen en de hoeveelheid toe te passen ontvetters worden verstrekt. Bij een melding voor het lozen ten gevolge van ontgravingen of baggerwerkzaamheden dienen op grond van artikel 1.10 tevens gegevens over de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem en een werkplan te worden verstrekt.
(51) Zie paragraaf 3.9 van de toelichting.
(52) Ontwerpregeling Activiteitenregeling milieubeheer en enkele andere regelingen (nieuwe activiteiten) (Stcrt. 2014, nr. 20652).
(53) Kamerstukken II 2013/14, 29 383, nr. 223.
(54) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (PbEU 2006, L 136.
(55) Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)(herschikking) (PbEU 2010, L 334).
(56) Kamerstukken II, 2014-2015, 29 383, nr 223.
(57) Kamerstukken II, 2014-2015, 29 383, nr. 230.
(58) Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 (PbEU L 150) en Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 (PbEU L286).


Gehele tekst ontwerpregeling met toelichtig (pdf, 1.9 MB)


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon