Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en enige andere besluiten en intrekking van het Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie en de Regeling compensatie inkomensgevolgen WIA in verband met de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W03.15.0046/II
- Datum advies
- 3 april 2015
- Vindplaats
- Staatscourant 2015, nr. 27239
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en enige andere besluiten en intrekking van het Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie en de Regeling compensatie inkomensgevolgen WIA in verband met de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 2 maart 2015, no.2015000327, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en enige andere besluiten en intrekking van het Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie en de Regeling compensatie inkomensgevolgen WIA in verband met de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, met nota van toelichting.
In verband met de inwerkingtreding van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) worden het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), het Besluit bezoldiging politie (Bbp) en het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie op onderdelen gewijzigd. Daarnaast worden het Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie en de Regeling compensatie inkomensgevolgen WIA ingetrokken.
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het ontwerpbesluit vast te stellen. Niet duidelijk is echter waarom dit ontwerpbesluit met aanpassing van de regelgeving aan de WIA pas negen jaar na inwerkingtreding van de WIA is voorbereid. Tevens constateert de Afdeling dat er discrepantie bestaat tussen de inhoud van het ontwerpbesluit en de uitgangspunten van de WIA. Zij adviseert in de toelichting op deze punten in te gaan.
1. Vertraagde aanpassing van regelgeving aan de WIA
De WIA is op 29 december 2005 in werking getreden. De toelichting vermeldt dat bij de invoering van de WIA tussen de werkgever en de vakorganisaties nadere afspraken zijn gemaakt over de omgang met de WIA. Zowel het maken van deze afspraken als het uitwerken daarvan heeft ertoe geleid dat de wijzigingen in de rechtspositionele besluiten van de sector politie later worden verwerkt, aldus de toelichting. (zie noot 1)
De Afdeling is zich ervan bewust dat het overleg tussen vakorganisaties en werkgever en de uitwerking daarvan de nodige tijd kost. Zij merkt echter op dat er sinds de inwerkingtreding van de WIA meer dan 9 jaar is verstreken. Een dusdanig vertraagde aanpassing van de rechtspositieregelingen acht de Afdeling buitensporig. Dat sinds de inwerkingtreding van de WIA wel overeenkomstig de WIA is gehandeld door het bevoegd gezag doet daaraan niet af. Het kan zelfs tot complicaties leiden in het geval van geschillen, aangezien onduidelijk kan zijn welk recht van toepassing is.
De Afdeling wijst erop dat andere rechtspositieregelingen, zoals het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) al meer dan 5 jaar geleden zijn aangepast. (zie noot 2) De nota van toelichting motiveert onvoldoende waarom de opmerkelijk lange tijdsduur in dit geval noodzakelijk was en vermeldt niet hoe een dergelijke vertraging in de toekomst voorkomen kan worden.
De Afdeling adviseert de toelichting aan te vullen.
2. Discrepantie met uitgangspunten WIA
De Afdeling constateert dat het voorliggende ontwerpbesluit een neerslag vormt van het overleg tussen sociale partners. Zij heeft geen opmerkingen over de wijze waarop die afspraken in het voorgestelde besluit zijn verwerkt. Wel vraagt zij aandacht voor de discrepantie tussen enerzijds onderdelen van de voorliggende regeling en anderzijds de aan de WIA ten grondslag liggende uitgangspunten. (zie noot 3) Zoals de nota van toelichting terecht vermeldt ligt het accent in de WIA op wat mensen nog wel kunnen. Door middel van financiële prikkels worden werkgevers en werknemers gestimuleerd er alles aan te doen om gedeeltelijk arbeidsgeschikten aan het werk te helpen of te houden. Tegelijkertijd is er inkomensbescherming voor mensen die echt niet meer aan de slag kunnen komen. (zie noot 4)
Het voorgestelde artikel 94, zesde lid, van het Barp bevat een verlengde ontslagbeschermingstermijn en vormt daarmee een bovenwettelijke afspraak die dempend werkt op de door de WIA beoogde financiële prikkels. Ook de regeling van de aanvullende uitkeringen na een dienstongeval of beroepsziekte hebben dit effect. (zie noot 5) Weliswaar kennen deze aanvullingen een beperkte differentiatie naar gelang de betrokkene kans ziet zijn resterende verdiencapaciteit te benutten, de bovenwettelijke uitkeringen garanderen niettemin het behoud van een groot gedeelte van het voorafgaande inkomen voor een soms langdurige periode. Dergelijke bovenwettelijke afspraken beperken de beoogde werking van de WIA voor zover deze is gericht op het stimuleren van het re-integreren van arbeidsongeschikte werknemers in het arbeidsproces. Daarmee hebben zij aanzienlijke invloed op het functioneren van de arbeidsmarkt. Het ligt in de rede dat de overheid ook in haar hoedanigheid van werkgever het doel dat de wetgever nastreeft met de WIA en het door de regering gevoerde arbeidsmarktbeleid voldoende laat meewegen bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden en de daaraan voorafgaande onderhandelingen met de vakorganisaties. (zie noot 6)
De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 16 juli 2015
De Afdeling wijst in haar advies op de opmerkelijk lange periode tussen inwerkingtreding van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de totstandkoming van de voorliggende regeling. Het advies om de toelichting aan te vullen met betrekking tot deze lange tijdsduur is overgenomen.
De Afdeling stelt voorts dat er sprake is van discrepantie tussen enerzijds onderdelen van de voorliggende regeling en anderzijds de aan de WIA ten grondslag liggende uitgangspunten. Een deel van de geregelde financiële aanspraken zou een dempend effect hebben op de door de WIA beoogde financiële prikkels waarmee werkgevers en werknemers worden gestimuleerd er alles aan te doen om gedeeltelijk arbeidsongeschikten aan het werk te helpen of te houden.
Deze opvatting van de Afdeling deel ik niet. Met de verlengde ontslagbescherming en aanvullingen in de post-actieve periode wordt de verantwoordelijkheid en bijzondere zorgplicht van de werkgever bij arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval of beroepsziekte tot uiting gebracht.
Verlenging van de ontslagbescherming leidt niet tot een vermindering van de prikkel tot werkhervatting, maar vormt juist een stimulans voor de werkgever om zich maximaal in te spannen om betrokkene gereed te maken voor een passende andere functie. Zowel de werkgever als werknemer dient overigens te blijven voldoen aan de in de WIA, maar ook aan de met de Wet verbetering poortwachter en de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting bij ziekte 2003 gestelde eisen om inspanningen tot werkhervatting te verrichten. Ik merk daarbij op dat in het kader van de WIA juist voor werkgevers die onvoldoende inspanningen verrichten bij wijze van loonsanctie sprake kan zijn van een verplichting tot loondoorbetaling gedurende maximaal een jaar. De verlengde ontslagbescherming betekent dan ook juist dat de werkgever op voorhand bereid is een dergelijke verplichting, die een financiële prikkel vormt in lijn met de WIA, te accepteren.
De prikkel tot werkhervatting, zoals opgenomen in de WIA, vormt conform de door het kabinet gehanteerde lijn tevens het uitgangspunt voor de binnen de overheid overeengekomen aanvullende uitkeringen in de post-actieve sfeer. Het gaat daarbij zowel om de overheidsbrede aanvullende regeling (het ABP ArbeidsOngeschiktheidsPensioen, AAOP) als om sectorale regelingen bij beroepsrisico’s.
Ook de onderhavige regeling voldoet aan dit uitgangspunt. Aanvullende uitkeringen zijn evenals uitkeringen op grond van de WIA alleen aan de orde als minimaal 50% van de restverdiencapaciteit wordt benut. De hoogte van de aanvullende uitkering is evenals uitkeringen op grond van de WIA afgeleid van het verschil tussen het inkomen in de oude en de nieuwe functie. Het niveau van de vergoeding bij beroepsgerelateerde ziekten is conform het in aanpalende overheidssectoren (Rijk, Defensie) gehanteerde percentage van het verschil tussen het inkomen in de oude en de nieuwe functie.
Het advies van de Afdeling om in de toelichting op de gestelde discrepantie in de gaan is daarom niet overgenomen.
Ik moge U hierbij het ontwerp-besluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Veiligheid en Justitie
(1) Toelichting bij artikel VIII.
(2) Besluit van 18 december 2009, houdende wijziging van het Algemeen rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten onder meer in verband met de inwerkingtreding van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, Stb 2010, 9.
(3) Kamerstukken II 2004/05, 30 034, nr. 3, blz. 23, 40 en 61.
(4) Nota van Toelichting, algemeen.
(5) De voorgestelde artikelen 38b en 39 van het Bbp.
(6) Zie ook het advies van 6 december 2013 over de wijziging van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren en het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren onder meer in verband met het aanpassen van de duur en hoogte van de bovenwettelijke uitkering (W03.13.0384/II).