Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 in verband met de invoering van enige maatregelen in het kader van de stelselvernieuwing gesubsidieerde rechtsbijstand, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W03.14.0333/II
- Datum advies
- 20 november 2014
- Vindplaats
- Staatscourant 2015, nr. 3483
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 in verband met de invoering van enige maatregelen in het kader van de stelselvernieuwing gesubsidieerde rechtsbijstand, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 19 september 2014, no.2014001766, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 in verband met de invoering van enige maatregelen in het kader van de stelselvernieuwing gesubsidieerde rechtsbijstand, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit wijzigt het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand (Bebr) en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr). Een deel van de voorgestelde wijzigingen betreft beperkingen in de uitgaven aan de rechtsbijstand. Het gaat om de tijdelijke uitschakeling van de indexering van de vergoedingen voor de advocatuur, een puntenverlaging voor onderdelen van het straf(proces)recht, een verlaging van de vergoeding per punt voor bewerkelijke zaken in het strafrecht en een generieke verlaging van de vergoeding per punt. Daarnaast wordt voorgesteld de eigen bijdrage van rechtzoekenden tot 2019 niet te indexeren. Voorts wordt de maatregel inzake de kennelijke afdoeningen ingetrokken en wordt het Bebr in die zin aangepast, dat de regeling ten aanzien van de vaststelling van de financiële draagkracht van een minderjarige bij een conflict met zijn ouders eveneens geldt bij een conflict met de voogd of voogden.
De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat het ontbreken van een zelfstandige motivering van de voorgestelde maatregelen, de beoordeling van de maatregelen in het licht van een effectieve toegang tot de rechter bemoeilijkt. Daarbij komt dat door het stapsgewijze voorleggen van de verschillende maatregelen het effect van de stelselvernieuwing als geheel op de toegang tot de rechter lastig te beoordelen is. Voorts dat de motivering van de voorgestelde maatregelen in het algemeen ontoereikend is. Daarbij wordt specifiek ingegaan op de noodzaak dat voldoende rechtsbijstandsverleners zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin zullen blijven deelnemen aan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. De Afdeling adviseert de toelichting aan te vullen en het voorstel zo nodig aan te passen.
1. Verhouding tot het recht op toegang tot de rechter
De toelichting wijst er op dat bij het opstellen van dit besluit aandacht is besteed aan de mogelijke gevolgen voor de toegang tot de rechter. (zie noot 1) Een belangrijk onderdeel van een effectieve toegang tot de rechter betreft de mogelijkheid om kwalitatief goede rechtsbijstand te ontvangen. (zie noot 2) Zowel het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) als het Hof van Justitie van de Europese Unie hebben het standpunt ingenomen dat het recht op toegang tot de rechter niet een absoluut recht betreft, maar dat daarop aangebrachte beperkingen wel een legitiem doel moeten dienen en de daarbij gebruikte middelen in een redelijke verhouding moeten staan tot dat doel, terwijl zij de toegang tot de rechter niet in de praktijk illusoir mogen maken. (zie noot 3) Tegen die achtergrond maakt de Afdeling de volgende opmerkingen.
In de toelichting wordt als voornaamste reden voor de voorgestelde maatregelen genoemd dat zij noodzakelijk zijn om het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand beheersbaar te houden. (zie noot 4) De Afdeling merkt op dat het beheersbaar houden van het stelsel op zichzelf een legitiem doel kan zijn voor het aanbrengen van beperkingen op de toegang tot de rechter, indien en voor zover de gekozen middelen in redelijke verhouding tot het te bereiken doel staan. Deze verhouding blijft in de toelichting onderbelicht. De beperkingen worden niet anders gemotiveerd dan dat de noodzakelijke besparingen anders niet worden gehaald. Daar komt bij dat door het stapsgewijs voorleggen van verschillende maatregelen en voorstellen van de stelselvernieuwing - waarvan de voorgestelde maatregelen blijkens het opschrift van het ontwerpbesluit onderdeel uitmaken - het effect op het stelsel van de rechtsbijstand lastig is te overzien. Daardoor is ook het effect van de stelselvernieuwing als geheel op de toegang tot de rechter moeilijk te beoordelen. (zie noot 5)
De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande de voorgestelde maatregelen zelfstandig en in relatie tot de stelselvernieuwing te motiveren en het voorstel zo nodig aan te passen.
2. Inhoud van de voorgestelde maatregelen
a. Algemeen
Om kwalitatief goede rechtsbijstand te ontvangen (zie noot 6) is onder meer van belang dat er voldoende gekwalificeerde rechtsbijstandverleners zijn die deelnemen aan dit stelsel.
In de toelichting wordt de verwachting uitgesproken dat onderhavige maatregelen niet zullen leiden tot onvoldoende rechtsbijstandverleners. (zie noot 7) Daarbij wordt slechts als motivering aangevoerd dat het aantal rechtsbijstandverleners de afgelopen jaren is gestegen, zonder daarbij in te gaan op de achtergronden van deze stijging. Op het kwaliteitsaspect wordt niet ingegaan. De Afdeling acht de toelichting in beide opzichten ontoereikend.
In diverse adviezen over het ontwerpbesluit zijn vraagtekens geplaatst bij de verwachting dat voldoende rechtsbijstandverleners beschikbaar blijven voor gesubsidieerde rechtsbijstand. (zie noot 8) De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak wijst er daarnaast op dat de maatregelen het gevaar in zich bergen dat rechtsbijstandverleners niet meer de gewenste kwaliteit kunnen leveren. (zie noot 9) Ook de advocatuur wijst op dit risico. (zie noot 10) Het betreft een forse structurele besparing die oploopt tot € 26,1 miljoen in 2018 (zie noot 11) die bij de rechtsbijstandverleners terecht komt. Daar komt bij dat in de toelichting, ten aanzien van het niet indexeren van de vergoedingen ter rechtvaardiging van de maatregel, de vergelijking getrokken wordt met enkele andere beroepsgroepen die al jaren op de nullijn staan. De indruk lijkt daarmee te worden gewekt dat de rechtsbijstandverleners de afgelopen jaren zijn ontzien. De Afdeling merkt op dat deze vergelijking een te beperkt beeld schetst, nu los van de indexeringen, andere maatregelen de vergoeding per punt van € 111,82 per 1 juli 2010 hebben doen dalen tot thans € 105,96. (zie noot 12) Rechtsbijstandverleners zijn derhalve de laatste jaren niet ontzien.
Dit alles maakt een nadere motivering van deze maatregelen waarbij wordt ingegaan op de te verwachten effecten voor het aantal rechtsbijstandverleners en de te leveren kwaliteit des te noodzakelijker.
b. Maatregelen in het strafrecht
Het is evident dat ook in strafzaken de rechtzoekende kwalitatief goede rechtsbijstand moet ontvangen. Ook hier geldt dat daartoe van belang is dat er voldoende gekwalificeerde rechtsbijstandverleners zijn die deelnemen aan dit stelsel. Naast de maatregelen die beperkingen in de uitgaven aan de rechtsbijstand behelzen die alle rechtsbijstandverleners raken, (hiervoor onder a), worden in het ontwerpbesluit twee maatregelen voorgesteld die specifiek op het straf(proces)recht betrekking hebben. Het gaat om de puntenverlaging voor onderdelen van het straf(proces)recht en de verlaging van de vergoeding per punt voor bewerkelijke zaken in het strafrecht.
De Afdeling acht, gelet op deze cumulatie van maatregelen van belang dat in de toelichting wordt ingegaan op de effecten daarvan op de gesubsidieerde rechtsbijstand in het straf(proces)recht.
Dit klemt te meer nu de verlaging van de vergoeding voor bewerkelijke strafzaken aanvankelijk niet aan de orde was in het voorgestelde ontwerpbesluit. Deze maatregel komt, aldus de toelichting, in de plaats van de aanvankelijk voorgenomen bijstelling van het puntenaantal voor ondertoezichtstellingszaken. (zie noot 13) Ten aanzien van de vergoeding voor bewerkelijke zaken schreef de staatssecretaris eerder nog aan de Tweede Kamer dat hij deze vergoeding niet wenste te beperken met het oog op de vrees die was geuit door de advocatuur, namelijk dat binnen het stelsel geen financiële ruimte meer zal bestaan voor gespecialiseerde advocaten die zich toeleggen op complexe deelterreinen van het strafrecht. (zie noot 14) Uit de toelichting blijkt niet waarom de nu voorgestelde beperking wel gerechtvaardigd zou zijn.
Ten aanzien van de maatregel die strekt tot puntenverlaging in het straf(proces)recht merkt de Afdeling ten slotte nog op dat deze wordt onderbouwd door een verwijzing naar het voorstel van het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten. Dit voorstel is echter niet openbaar, zodat onvoldoende inzichtelijk is wat de onderliggende motivering van de NVSA voor de keuze voor deze maatregel is. Ook in dit verband is aanvulling van de toelichting gewenst.
c. Conclusie
De toelichting gaat onvoldoende in op de gevolgen van de voorgestelde maatregelen voor het aantal rechtsbijstandverleners dat deelneemt aan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand en voor de door hen te leveren kwaliteit. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van de effecten in het straf(proces)recht, nu de maatregelen daar cumuleren. De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande de voorgestelde maatregelen toereikend te motiveren en het voorstel zo nodig aan te passen.
3. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W03.14.0333/II
- In artikel II, onderdeel G, ‘in hoger beroep het hoger beroep’, vervangen door: het hoger beroep.
- In artikel II, onderdeel H. In het tweede lid in onderdeel a, b en c, de zinsnede ", niet zijnde een strafzaak als bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de wet," schrappen. Gezien het onderscheid dat reeds gemaakt wordt tussen het eerste en het tweede lid van het artikel, is deze zinsnede overbodig.
Nader rapport (reactie op het advies) van 29 januari 2015
1. Verhouding tot het recht op toegang tot de rechter
De Afdeling merkt terecht op dat het beheersbaar houden van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand op zichzelf een legitiem doel kan zijn voor het aanbrengen van beperkingen op de toegang tot de rechter, indien en voor zover de gekozen middelen in redelijke verhouding staan tot het te bereiken doel. De Afdeling vraagt aandacht voor het kunnen beoordelen van het gezamenlijk effect van alle maatregelen in het kader van de stelselvernieuwing gesubsidieerde rechtsbijstand op de toegang tot de rechter.
Door middel van dit besluit worden enkele maatregelen doorgevoerd die beogen op korte termijn enkele noodzakelijke wijzigingen aan te brengen die bijdragen aan een betere beheersbaarheid van het stelsel.
Het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand is naar zijn aard een open eind-stelsel. Dat betekent dat er niet tevoren een vast omlijnd bedrag wordt bepaald tot waar de uitgaven belopen. Gelet op die omstandigheid is bij gesubsidieerde rechtsbijstand van belang dat het stelsel beheersbaar is. Dat wil zeggen dat het kostenniveau in de hand wordt gehouden, controleerbaar is en dat het stelsel als zodanig niet dusdanig overbelast raakt dat het feitelijk niet meer bereikbaar is voor degenen voor wie het daadwerkelijk is bedoeld. Dit brengt mee dat van tijd tot tijd heroverweging van het stelsel nodig is. Gesubsidieerde rechtsbijstand moet rechtzoekenden die de kosten van rechtsbijstand in redelijkheid niet geheel zelf kunnen dragen in staat stellen met juridische hulp een adequate oplossing voor hun serieuze geschillen te bereiken. Gesubsidieerde rechtsbijstand is daarmee een vangnet, voor rechtzoekenden die van deze voorziening afhankelijk zijn voor de toegang tot het recht. Dit besluit is noodzakelijk om maatregelen door te voeren die bijdragen aan de houdbaarheid van het stelsel als zodanig en, daarmee, het bereikbaar houden van het stelsel voor de rechtzoekenden die daarvan afhankelijk zijn voor een goede toegang tot de rechter. Met de aangekondigde maatregelen wordt de toegang tot de rechter niet afgesloten. Voor rechtzoekenden die van het stelsel afhankelijk zijn voor de oplossing van hun juridische geschillen en de gang naar de rechter blijft beroep op het stelsel mogelijk. Daarmee is beantwoordt aan de doelstellingen van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en de daarop gebaseerde door de Afdeling aangehaalde arresten. Het algemeen deel van de nota van toelichting is op dit punt op onderdelen aangevuld.
Vanwege het onderzoek dat naar aanleiding van de motie-Scholten c.s. (zie noot 15) wordt uitgevoerd kan niet vooruit worden gelopen op eventuele andere maatregelen die nodig zijn voor een betere beheersbaarheid van het stelsel.
2.Inhoud van de voorgestelde maatregelen
a.Algemeen
De Afdeling verwijst naar de passage in het algemeen deel van de nota van toelichting waarin wordt aangegeven dat het - in het licht van de toegang tot de rechter - voor het ontvangen van kwalitatief goede rechtsbijstand onder meer van belang is dat er voldoende gekwalificeerde rechtsbijstandverleners zijn die deelnemen aan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. In dat kader wijst de Afdeling op het belang om in de toelichting een nadere motivering op te nemen van de maatregelen, waarbij wordt ingegaan op de te verwachten effecten voor het aantal rechtsbijstandverleners en de kwaliteit van hun dienstverlening.
In de Monitor gesubsidieerde rechtsbijstand 2013 (zie noot 16) wordt geconcludeerd dat de vraag naar en het aanbod van gesubsidieerde rechtsbijstand met elkaar in evenwicht zijn, en dat zelfs niet valt uit te sluiten dat in de toekomst een aanbodoverschot zal ontstaan. Naar de oorzaak van de toename van het aantal actieve advocaten in het stelsel is geen specifiek onderzoek gedaan. Wel bevestigt dit het beeld dat het voor advocaten nog altijd voldoende aantrekkelijk is om aan het stelsel deel te nemen. Daarbij moet worden aangetekend dat er, zoals de Afdeling ook in het advies aangeeft, de afgelopen jaren ook maatregelen zijn ingevoerd die zich richten tot rechtsbijstandverleners. Hun bereidheid om deel te nemen aan het stelsel blijft ook bij deze gewijzigde omstandigheden nog altijd voldoende in balans met de vraag naar hun diensten. Uiteraard blijf ik de ontwikkelingen op dit punt goed volgen.
De Afdeling wijst er terecht op dat het voor een effectieve toegang tot de rechter ook noodzakelijk is dat er voldoende gekwalificeerde rechtsbijstandsverleners deelnemen aan het stelsel. Een goede borging van de kwaliteit van de verlening van rechtskundige bijstand aan cliënten - of het nu om Wrb-gerechtigden of anderen gaat - is primair een verantwoordelijkheid van de beroepsgroep zelf. Die verantwoordelijk vloeit voort uit het uitgangspunt dat onafhankelijke èn kwalitatief deugdelijke advocatuur een voorwaarde is voor een goed functionerende democratische rechtstaat. Deze onafhankelijkheid ontslaat de overheid echter niet van een systeemverantwoordelijkheid, die onder meer ziet op het scheppen van de randvoorwaarden die nodig zijn om de kwaliteit van de beroepsuitoefening door advocaten te waarborgen. Met de op 1 januari 2015 inwerking getreden aanpassing van Advocatenwet (zie noot 17) wordt de Nederlandse orde van advocaten nog beter toegerust om regels te stellen ter verhoging van de integriteit en kwaliteit van de advocatuur. Ook is het toezicht op (de beroepsuitoefening door) advocaten verbeterd. Naast deze algemene kwaliteitsnormen voor advocaten, geldt voor advocaten die deelnemen aan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand dat de raad voor rechtsbijstand inschrijfvoorwaarden hanteert die mede zien op het waarborgen van de kwaliteit van rechtsbijstandsverleners die deelnemen aan het stelsel. Het geheel van deze regels die van toepassing zijn op advocaten die deelnemen aan het stelsel, maakt dat er voldoende kwaliteitswaarborgen zijn voor de aan rechtzoekenden te verlenen rechtsbijstand. De toelichting is op dit punt aangevuld.
Als wordt gekeken naar het verloop van de basisvergoeding voor de advocatuur (de puntenvergoeding) sinds de invoering van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr), dan valt op dat de vergoeding in de afgelopen 15 jaar vooral is gestegen. Deze stijging is niet alleen het gevolg geweest van inflatiecorrectie, maar ook van verhogingen. De twee verlagingen van de basisvergoeding die in het verleden hebben plaatsvonden - een verlaging per 1 januari 2011 en een verlaging per 1 oktober 2013 - moeten worden gezien in het licht van de kostenstijging binnen het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand en de wens om het stelsel beheersbaar te houden. Gelet op de ontwikkeling van de vergoeding in de afgelopen jaren is het gerechtvaardigd de vergoeding voor de advocatuur te vergelijken met werknemers die al enkele jaren op de nullijn staan, zoals ambtenaren. Zoals gezegd is de basisvergoeding de afgelopen jaren wel geïndexeerd, terwijl dat voor andere vergoedingen - buiten het stelsel - niet het geval is geweest. De basisvergoeding zal niet lager uitvallen dan de eerder aan de Tweede Kamer gemelde ondergrens van € 100. Daarmee blijft een redelijke vergoeding gewaarborgd.
b.Maatregelen in het strafrecht
De Afdeling acht het van belang dat in de toelichting wordt ingegaan op de effecten van de maatregelen in het straf(proces)recht, gelet op de cumulatie van maatregelen voor dit rechtsgebied. De door de Afdeling bedoelde cumulatie doet zich nagenoeg niet voor. De procedures waarop de bijstellingen van de puntenaantallen in de bijlage bij het Bvr zien, betreffen geen zaken die in de praktijk bewerkelijk zijn. In de praktijk blijken voor de advocatuur met name strafzaken die worden behandeld door een meervoudige kamer bewerkelijk te zijn. Een cumulatie van een bijstelling van het puntenaantal en een verlaging van de vergoeding voor het bewerkelijke deel van een zaak doet zich in de praktijk dan ook slechts in een verwaarloosbaar aantal gevallen voor. De toelichting is op dit punt aangevuld.
De Afdeling vraagt voorts om een nadere motivering voor de verlaging van de vergoeding voor bepaalde bewerkelijke strafzaken. Gelet op het aandeel dat zowel straf- als echtscheidingszaken hebben in het totale budget van de gesubsidieerde rechtsbijstand, is het gerechtvaardigd dat juist ten aanzien van die rechtsgebieden wordt bezien of er maatregelen kunnen worden getroffen in het kader van de betere beheersbaarheid van het stelsel. Bij eerdere gelegenheid heb ik al aangegeven open te staan voor alternatieve maatregelen binnen het betreffende rechtsgebied. Dat is ook de reden waarom er is gekeken naar de door het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten (NVSA) aangedragen suggesties als alternatief voor de oorspronkelijke maatregelen ter zake het strafrecht. Deze suggesties zijn ook overgenomen in het ontwerpbesluit zoals dat in consultatie is gegaan.
De kritiek die vervolgens is gekomen op een specifiek onderdeel van de door het bestuur van de NVSA aangedragen suggesties, te weten de verlaging van het puntenaantal bij de ondertoezichtstellingszaken, is ter harte genomen. Daarmee zou het besluit leiden tot een tekort van € 1,4 miljoen, waarvoor vervolgens elders binnen hetzelfde rechtsgebied compensatie is gezocht. Bij het uitblijven van andere alternatieven is deze compensatie gevonden in een zeer beperkte verlaging van de vergoeding voor extra uren in bewerkelijke strafzaken met 4,5%. Met deze verlaging komt de vergoeding voor bewerkelijke uren nog steeds boven de ondergrens van € 100 per punt uit. Deze verlaging is dan ook is van een heel andere orde dan de verlaging die was aangekondigd in de door de Afdeling aangehaalde brief aan de Tweede Kamer. In die brief werd uitgegaan van een korting op de vergoeding voor bewerkelijke zaken met een derde. Deze korting moet worden gezien in het licht van het aandeel dat strafrechtzaken hebben in het totaal van de vergoedingen voor bewerkelijke zaken. De toelichting is op dit punt uitgebreid.
De Afdeling vraagt om een nadere motivering in de toelichting ten aanzien van de voorstellen die zijn gedaan door het bestuur van de NVSA. Met het overnemen van de puntenverlaging, zoals voorgesteld door de NVSA, is afgegaan op de expertise vanuit de strafrechtpraktijk. Het overnemen van de voorstellen moet worden gezien in het licht van de kritiek die er vanuit de strafrechtadvocatuur was ten aanzien van de eerder aangekondigde voorstellen ter zake het strafrecht en de gesprekken die in dat kader met het bestuur van de NVSA hebben plaatsgevonden.
c.Conclusie
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is de nota van toelichting aangevuld ter nadere onderbouwing van de in het besluit opgenomen maatregelen.
3.Redactionele bijlage
De redactionele opmerkingen van de Afdeling zijn overgenomen.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele verbeteringen aan te brengen in de formulering van bepalingen van het ontwerpbesluit en in de nota van toelichting. Voorts is een wijziging opgenomen van het Besluit toevoeging mediation, om buiten twijfel te stellen dat ook voor mediationtoevoegingen geldt dat de eigen bijdragen en vergoedingen tot 1 januari 2019 niet worden geïndexeerd.
Tevens is in het aangepaste besluit voorzien in het opnieuw vaststellen van de eigen bijdragen. Dit is noodzakelijk om het besluit om de inwerkingtreding aan te houden naar aanleiding van de motie Kox (zie noot 18) niet nadelig te laten uitpakken voor rechtzoekenden. (zie noot 19) Daarnaast wordt de hoogte van de vergoeding voor administratieve kosten vastgesteld op het niveau van 2014. De toelichting is op deze onderdelen aangevuld. Het opschrift van het ontwerpbesluit is aangepast naar aanleiding van de doorgevoerde wijzigingen.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
(1) Het recht op effectieve toegang tot de rechter is verankerd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (EU-Handvest) (Nota van toelichting, algemeen, toegang tot de rechter).
(2) Nota van toelichting, algemeen, toegang tot de rechter.
(3) EHRM 9 oktober 1979, Airey t. Ierland (6289/73); EHRM 28 mei 1985, Ashingdane t. Verenigd Koninkrijk (8225/78), resp. HvJEU 22 december 2010, DEB t. Bondsrepubliek Duitsland (C-279/09).
(4) Nota van toelichting, algemeen, inleiding.
(5) De Afdeling heeft er kennis van genomen dat inmiddels het wetsontwerp stelselvernieuwing rechtsbijstand in consultatie is gegaan. De Afdeling heeft bij het tot stand brengen van het onderhavige advies dit wetsontwerp niet betrokken.
(6) Nota van toelichting, algemeen, paragraaf 3 toegang tot de rechter.
(7) Nota van toelichting, algemeen, paragraaf 3 toegang tot de rechter.
(8) Nota van toelichting, algemeen, paragraaf 3 toegang tot de rechter. Advies op het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, 26 mei 2014, bijlage 2. Ontwerp Algemene maatregel van Bestuur Stelselvernieuwing rechtsbijstand I en 33750 VI, Nederlandse Orde van Advocaten, 16 mei 2014.
(9) Advies op het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, 26 mei 2014.
(10) Kamerstukken II 2013/14, 31 753, nr. 83, blz. 1 e.v.: Uit een enquête onder 463 advocaten gehouden door Radio 1, volgt dat de meerderheid van deze advocaten heeft aangegeven te vrezen hun cliënten in de toekomst niet meer in voldoende mate te kunnen bijstaan.
(11) Kamerstukken II 2013/14, 31 753, nr. 86, blz. 32 en tabel 1 uit de bijlage.
(12) Kamerstukken I 2013/14, 33 750 VI, Z, blz. 17.
(13) Nota van toelichting, algemeen, verlaging vergoeding bewerkelijke strafzaken waarbij verdachten betrokken zijn. Kritiek naar aanleiding van de consultatie en voorhang heeft de staatssecretaris doen besluiten de maatregel die ertoe strekte het puntenaantal voor ondertoezichtstellingszaken te verminderen, uit het ontwerp te halen. Nota van toelichting, algemeen, consultatie en voorhang.
(14) Kamerstukken II 2013/14, 31753, nr. 70, blz. 10.
(15) Kamerstukken I 2014/15, 34000 VI, O.
(16) http://www.rvr.org/binaries/rbv-library/onderzoeken/mgr/monitor-rvr-2013-def.pdf.
(17) Stb. 2015, 354.
(18) Kamerstukken I 2014/15, 34 000, E.
(19) Kamerstukken II 2014/15, 31 753, nr. 90.