Voorstel van wet tot wijziging van de Mijnbouwwet (regels voor afsplitsing betreffende vergunningen voor het winnen van koolwaterstoffen die voor 1965 zijn verleend), met memorie van toelichting.
- Kenmerk
- W15.14.0117/IV
- Datum advies
- 26 juni 2014
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2014/2015, 34 092, nr. 4
- Economische Zaken en Klimaat
- Wet
Toon inhoud
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft advies uitgebracht over het wetsvoorstel tot wijziging van de Mijnbouwwet in verband met de afsplitsing van vergunningen. Het wetsvoorstel is op 27 november 2014 bij de Tweede Kamer ingediend. Daarmee is ook het advies van de Afdeling adviserign openbaar geworden.
Bestaande situatie
Momenteel komt het voor dat gebieden waarvoor een vergunning voor het winnen van delfstoffen is verleend, niet worden benut. De minister van Economische Zaken kan in dat geval het vergunningsgebied verkleinen. Niet benutte (delen van) van het gebied kunnen zo beschikbaar worden gesteld aan anderen. Voordat de minister een vergunningsgebied verkleint, worden vergunninghouders in de gelegenheid gesteld om een deel van de vergunning over te dragen aan een derde partij.
Inhoud wetsvoorstel
Het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid om een deel van een vergunning voor het winnen van delfstoffen af te splitsen en dat deel over te dragen aan een derde partij. Het gaat om vergunningen die zijn verleend op grond van een wet uit 1810 (Bulletin de Lois no. 285). Voor houders van deze oude vergunningen geldt overgangsrecht op grond waarvan zij onder meer eigenaar van de mijn blijven. In het wetsvoorstel wordt bepaald dat dit overgangsrecht ook gaat gelden voor houders van een nieuwe vergunning voor het gebied dat is afgesplitst van de oude vergunning. Hiermee worden voor deze nieuwe vergunninghouders uitzonderingen gemaakt op het reguliere regime van de Mijnbouwwet. Het gaat om bepalingen op grond waarvan de vergunninghouder eigenaar is van een mijn en niet verplicht wordt tot staatsdeelneming. Anders dan andere vergunninghouders, worden deze nieuwe vergunninghouders niet verplicht om 40% van de gewonnen en beschikbare hoeveelheden delfstoffen in eigendom over te dragen aan een vennootschap waarvan alle aandelen middellijk of onmiddellijk aan de staat toebehoren.
Rechtvaardiging begunstiging
De Afdeling advisering merkt op dat bovengenoemde houders van een nieuwe vergunning worden bevoordeeld ten opzichte van alle andere vergunninghouders, die onder het reguliere regime van de Mijnbouwwet vallen. Volgens de toelichting bij het wetsvoorstel is begunstiging noodzakelijk voor het bevorderen van het afsplitsen van vergunningen. De Afdeling advisering acht dit onvoldoende rechtvaardiging. Daarnaast is de begunstiging afhankelijk van de wijze waarop het winningsgebied wordt verkregen, wat moeilijk te rechtvaardigen is. Voor nieuwe vergunninghouders geldt immers een gunstiger regime in geval van afsplitsing dan in het geval waarin de minister een soortgelijk winningsgebied verkleint en een nieuwe vergunning verleent.
Tot slot wijst de Afdeling advisering erop dat het overgangsrecht, dat is geïntroduceerd voor 'oude vergunninghouders', niet behoort te gelden voor nieuwe winningsvergunningen die worden verleend op grond van de huidige Mijnbouwwet.
De Afdeling adviseert de begunstiging van het beperkte aantal vergunninghouders dragend te motiveren en zo nodig te schrappen uit het wetsvoorstel.
Staatssteun
De Afdeling adviseert om in de toelichting op het wetsvoorstel aandacht te schenken aan de regelgeving over staatssteun, omdat het wetsvoorstel onder meer voordelen verschaft aan houders van een nieuwe vergunning voor het gebied dat is afgesplitst van de oude vergunning. Deze voordelen worden bekostigd met staatsmiddelen. Daarnaast kan een vergunninghouder met deze voordelen zijn kosten drukken en hiermee zijn concurrentiepositie ten opzicht van andere ondernemingen versterken.
Lees hier de volledige tekst van het advies van de Afdeling advisering en het nader rapport van de minister.
Voorstel van wet tot wijziging van de Mijnbouwwet (regels voor afsplitsing betreffende vergunningen voor het winnen van koolwaterstoffen die voor 1965 zijn verleend), met memorie van toelichting.
Van dit advies is een samenvatting gemaakt.
Bij Kabinetsmissive van 29 april 2014, no.2014000846, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Mijnbouwwet (regels voor afsplitsing betreffende vergunningen voor het winnen van koolwaterstoffen die voor 1965 zijn verleend), met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel voorziet in de mogelijkheid om een deel van een winningsvergunning die voor 1965 is verleend (zie noot 1) af te splitsen en dat deel aan een derde partij over te dragen.
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt opmerkingen over het begunstigen van houders van nieuwe winningsvergunningen voor afgesplitste delen van een oud concessiegebied (1810) ten opzichte van vergunninghouders waarvoor het regulier regime van de Mijnbouwwet geldt. In het licht van het vorenstaande maakt de Afdeling tevens een opmerking over staatssteun. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is.
1. Achtergrond wetsvoorstel
In 2010 is een wijziging van de Mijnbouwwet in werking getreden die voorziet in de bevoegdheid voor de Minister van Economische Zaken tot gebiedsverkleining van een winningsvergunning. (zie noot 2) Niet benutte (delen van) vergunningsgebieden kunnen zo beschikbaar komen voor anderen. Hiermee wordt beoogd om de actieve benutting van winningsvergunningen van delfstoffen te bevorderen. Dit in verband met de voorzieningszekerheid en de inkomsten voor de staat. (zie noot 3)
Indien een gebiedsverkleining betrekking heeft op een gebied waarvoor een concessie is verleend krachtens artikel 5 van de wet van 21 april 1810 (hierna: concessie 1810), (zie noot 4) dient de minister de vergunninghouder schadeloos te stellen omdat het vergunningsgebied eigendom is van de vergunninghouder (onteigening). (zie noot 5) De minister kan vervolgens een nieuwe winningsvergunning verlenen aan een derde partij voor de gebieden die onteigend zijn.
Alvorens een vergunningsgebied wordt verkleind, worden vergunninghouders in de gelegenheid gesteld om alsnog winningsactiviteiten te ondernemen, dan wel de vergunning over te dragen aan een derde partij. Op grond van de Mijnbouwwet kan de concessiehouder (met toestemming van de minister) een deel van zijn vergunning aan een ander overdragen. Daarvoor is splitsing van de vergunning vereist.
2. Wettelijk regime nieuwe vergunninghouders afgesplitst vergunningsgebied
a. Onderhavige wetsvoorstel
De memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel vermeldt dat thans, op grond van het huidig wettelijk kader, niet met afdoende zekerheid vaststaat of door splitsing van een vergunning het (gunstige) overgangsrecht dat geldt voor een concessie 1810 al dan niet van toepassing is op de vergunningen die door de splitsing ontstaan. Deze onduidelijkheid biedt voor partijen teveel risico’s om in de praktijk tot splitsing over te gaan. (zie noot 6)
Het wetsvoorstel introduceert daarom in plaats van de huidige mogelijkheid tot splitsing (zie noot 7) de mogelijkheid tot afsplitsing. Op grond hiervan blijft het oude overgangsrecht van toepassing op het gebied van de oude concessiehouder en geldt in beginsel het huidige wettelijke systeem van de Mijnbouwwet voor het gebied dat is overgedragen aan een nieuwe vergunninghouder.
Op dit laatste wordt echter een uitzondering gemaakt: ingevolge het wetsvoorstel gaan enkele gunstige overgangsrechtelijke bepalingen die betrekking hebben op concessies 1810 eveneens gelden voor de houders van een dergelijke nieuwe winningsvergunning. (zie noot 8) Het betreft de bepaling op grond waarvan de vergunninghouder eigenaar is van een mijn. Dit is een afwijking van artikel 3 van de Mijnbouwwet, dat bepaalt dat de eigendom van de delfstof bij de staat berust en deze eigendom pas door de winning overgaat op de vergunninghouder. Voorts wordt de vergunninghouder niet verplicht tot staatsdeelneming, hetgeen een afwijking is van paragraaf 5.2.3 van de Mijnbouwwet. (zie noot 9) Op grond hiervan is de vergunninghouder bijvoorbeeld niet verplicht om 40% van de gewonnen en beschikbare hoeveelheden koolwaterstoffen in eigendom over te dragen aan een vennootschap waarvan alle aandelen middellijk of onmiddellijk aan de staat toebehoren. (zie noot 10) De toelichting vermeldt dat deze bepalingen noodzakelijk zijn voor de aantrekkelijkheid van een afsplitsing met overdracht. (zie noot 11)
b. Rechtvaardiging begunstiging
De Afdeling merkt over de begunstigde positie van houders van een winningsvergunning van een afgesplitst vergunningsgebied het volgende op.
De Mijnbouwwet zondert thans één groep vergunninghouders uit van de toepasselijkheid van de reguliere regels omtrent de eigendom van een mijn en de verplichting tot staatsdeelneming. Deze uitzondering is geïntroduceerd in het kader van het overgangsrecht. Bij de invoering van de Mijnbouwwet is voorzien in eerbiedigend overgangsrecht (zie noot 12) voor houders van destijds bestaande winningsvergunningen (waaronder concessies 1810). Hiermee is destijds beoogd om de positie van de houders van concessies 1810 niet aan te tasten. (zie noot 13)
Ingevolge het onderhavige wetsvoorstel wordt de reikwijdte van een deel van dat gunstige overgangsrecht uitgebreid tot een nieuwe categorie vergunninghouders, te weten de houders van een nieuwe winningsvergunning voor afgesplitste delen van een oud concessiegebied (1810). De Afdeling merkt op dat zij hierdoor een gunstigere positie verkrijgen ten opzichte van alle andere vergunninghouders. Voor de laatsten geldt immers het reguliere regime van de Mijnbouwwet.
Blijkens de toelichting houdt de motivering van dit verschil in rechtspositie verband met de aantrekkelijkheid van afsplitsing met overdracht. De Afdeling onderkent dat voorgestelde bepalingen de aantrekkelijkheid voor een afsplitsing met overdracht kan bevorderen. Zij acht dit echter onvoldoende rechtvaardiging voor afwijking van de reguliere regelgeving van de Mijnbouwwet voor houders van een nieuwe winningsvergunning voor afgesplitste delen van een oud concessiegebied (1810). Dit vanwege de verkregen voordelen ten opzichte van alle andere vergunninghouders.
In zoverre de rechtvaardiging zou worden gezocht in het feit dat het wetsvoorstel betrekking heeft op een oud concessiegebied (1810), merkt de Afdeling op dat ook daar moeilijk te rechtvaardigen begunstiging optreedt. De toepasselijkheid van het regime inzake eigendom en staatsdeelneming voor een nieuwe vergunninghouder die de beschikking krijgt over een oud concessiegebied (1810) is afhankelijk van de wijze van verkrijging van dit gebied. Bij afsplitsing van een concessie 1810 wordt de nieuwe vergunninghouder eigenaar van de mijn en is niet verplicht tot staatsdeelneming. (zie noot 14) Bij verkleining van een 1810 gebied door de minister (zie noot 15) echter wordt een nieuwe vergunninghouder geen eigenaar van de mijn en is hij wel verplicht tot staatsdeelneming. De wijze waarop een vergunninghouder de beschikking krijgt over een winningsgebied, te weten na afsplitsing of na een gebiedsverkleining, rechtvaardigt geen gunstiger en afwijkend wettelijk regime voor een beperkt aantal vergunninghouders.
Tot slot wijst de Afdeling erop dat de toepassing van bepalingen uit het overgangsrecht dat is geïntroduceerd ten behoeve houders van concessies uit 1810 niet aangewezen is voor nieuwe rechtsposities, zoals de nieuwe winningsvergunning die wordt verleend op grond van de huidige Mijnbouwwet. (zie noot 16)
De Afdeling adviseert de voorgestelde bepalingen over de eigendom van een mijn en de uitzondering op de verplichting tot staatsdeelneming voor houders van een nieuwe winningsvergunning voor afgesplitste delen van een oud concessiegebied (1810) dragend te motiveren en zo nodig te schrappen.
3. Staatssteun
Het wetsvoorstel bepaalt dat houders van een nieuwe winningsvergunning voor afgesplitste delen van een oud concessiegebied (1810) niet verplicht zijn tot staatsdeelneming en dat zij eigenaar zijn van de mijn, (zie noot 17) in tegenstelling tot alle andere vergunninghouders.
De Afdeling merkt op dat de toelichting geen aandacht besteedt aan de regelgeving inzake staatssteun. Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) vermeldt vier voorwaarden waaraan voldaan moet zijn vooraleer sprake is van staatssteun. (zie noot 18) In de eerste plaats moet het gaan om een maatregel van een staat of een maatregel die met staatsmiddelen is bekostigd. In de tweede plaats moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. In de derde plaats moet de maatregel de begunstigde een voordeel verschaffen en in de vierde plaats moet deze de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen.
De Afdeling acht het wenselijk om in de toelichting aandacht te schenken aan de regelgeving inzake staatssteun, nu het wetsvoorstel nieuwe houders van een winningsvergunning ten opzichte van alle andere vergunninghouders voordelen verschaft door middel van de eigendom van de mijn en er geen verplichting geldt tot staatsdeelneming. Deze voordelen worden bekostigd met staatsmiddelen nu de staat afziet van inkomsten. (zie noot 19) Voorts gaat het om een beperkt aantal bedrijven die dit voordeel verkrijgen, de maatregel is daarmee selectief. Daarnaast zouden deze maatregelen de mededinging kunnen vervalsen, nu het wetsvoorstel een onderneming toelaat haar kosten te drukken en hiermee haar concurrentiepositie ten opzichte van andere ondernemingen te versterken. (zie noot 20) Tot slot worden koolwaterstoffen (hoofdzakelijk) verhandeld op een internationale markt, waardoor niet op voorhand kan worden uitgesloten dat het handelsverkeer tussen de lidstaten hierdoor ongunstig wordt beïnvloed. (zie noot 21)
De Afdeling merkt bij het voorgaande op dat, indien het overgangsrecht voor nieuwe vergunninghouders wordt gekwalificeerd als staatssteun, dit niet hoeft te impliceren dat sprake is van staatssteun die onverenigbaar is met het VWEU. Mogelijk zou er bijvoorbeeld een beroep gedaan kunnen worden op de de-minimisdrempel en op de uitzonderingen op grond van artikel 107 VWEU.
De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan en zo nodig het voorstel aan de Europese Commissie voor te leggen. (zie noot 22)
4. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W15.14.0117/IV
- In artikel 143, dertiende lid, van het wetsvoorstel tot uitdrukking brengen dat paragraaf 5.2.3 niet van toepassing is indien een bestaand vergunningsvoorschrift tot staatsdeelneming verplicht (negende lid).
Nader rapport (reactie op het advies) van 21 november 2014
1. De beschrijving die de Afdeling geeft van de bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken tot gebiedsverkleining, geeft geen aanleiding tot het maken van nadere inhoudelijke opmerkingen.
2a. De Afdeling merkt op dat de houder van een afgesplitste vergunning niet volledig is onderworpen aan het reguliere wettelijk kader van de Mijnbouwwet, maar dat daarop enkele uitzonderingen zijn gemaakt. De daaruit voortkomende veronderstelde verschillen ten opzichte van wat op grond van het reguliere wettelijk kader voor vergunninghouders geldt, vereist in meerdere opzichten aanzienlijke nuancering.
Terecht stelt de Afdeling vast dat in het wetsvoorstel is bepaald dat houders van afgesplitste vergunningen, evenals houders van de oorspronkelijke vergunningen waar de afsplitsing op betrekking heeft, over de eigendom van de mijn beschikken, inhoudende dat zij daarmee ook eigenaar van de delfstoffen zijn. Dit is evenwel geen uitzonderlijke situatie. De meeste houders van winningsvergunningen op het Nederlands territoir van na 1965 beschikken eveneens over de eigendom van de mijn. Dit is enkel anders voor de houders van die winningsvergunningen die na de inwerkingtreding van de Mijnbouwwet in 2003 zijn verleend. In die laatste gevallen berust de eigendom van de delfstoffen bij de staat en gaat die pas na winning over op de vergunninghouder. En bij de overgang van een bestaande vergunning, of die nu al dan niet door splitsing is ontstaan, is de praktijk dat dit tegen betaling door de verkrijgende vergunninghouder plaatsvindt tegen een prijs die overeenkomt met de economische waarde van de over te dragen vergunning. De waarde van de eigendom van de mijn is in de door de nieuwe vergunninghouder te betalen prijs verdisconteerd. Zoals hierna nog nader wordt toegelicht, zal dit bij overdracht van een afgesplitste vergunning niet anders zijn.
De stelling van de Afdeling dat een houder van een afgesplitste vergunning niet verplicht is tot het realiseren van een staatsdeelneming, vereist eveneens nuancering. Ter waarborging van het technisch karakter van afsplitsing waarvan de achtergrond hierna nader wordt toegelicht, is op grond van het wetsvoorstel de realisering van een staatsdeelneming door een houder van een afgesplitste vergunning wel degelijk verplicht indien een staatsdeelneming ook op grond van voorschriften in de oorspronkelijke winningsvergunning aan de orde is. Dit volgt uit artikel 143, negende lid, van het wetsvoorstel, zoals in de memorie van toelichting is toegelicht. Door daarnaast paragraaf 5.2.3 niet van toepassing te verklaren op de houders van afgesplitste vergunningen, wordt aan de ene kant voorkomen dat alsnog een verplichting betreffende staatsdeelneming gaat gelden waar die ook niet aanwezig is voor de houder van de oorspronkelijke winningsvergunning. En aan de andere kant wordt voorkomen dat in gevallen waarin wel een verplichting tot staatsdeelneming geldt de inhoud van die verplichting door de toepasselijkheid van paragraaf 5.2.3 een andere zou zijn dan die in de oorspronkelijke en daarmee ook in de afgesplitste vergunning is opgenomen. En verder zijn er bovendien ook gesplitste vergunningen van voor 2003 waarvoor afhankelijk van de oorspronkelijke vergunning voorwaarden betreffende staatsdeelneming gelden. Of op houders van afgesplitste vergunningen en houders van gesplitste vergunningen wel of niet een verplichting tot staatsdeelneming geldt, is dus telkens afhankelijk van de vraag of in de oorspronkelijke vergunning voorwaarden betreffende staatsdeelneming zijn opgenomen.
2b. De Afdeling adviseert de voorgestelde bepalingen inzake eigendom van de mijn en staatsdeelneming dragend te motiveren en zo nodig te schrappen. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling is de memorie van toelichting met een nadere motivering gewijzigd. In het algemeen deel van de memorie van toelichting wordt thans benadrukt dat inherent aan afsplitsing is dat het technisch karakter daarvan voldoende gewaarborgd dient te blijven en dat dit ook doorwerking heeft naar het toepasselijk wettelijk kader. Afsplitsing onderscheidt zich wezenlijk van situaties waarin een nieuwe vergunning na een open en gereguleerde aanvraagprocedure wordt verleend, zoals bijvoorbeeld in situaties waarbij na gebiedsverkleining een open gebied is ontstaan. Er is in het laatste geval sprake van een open winnings- of opsporingsgebied met een ook materieel nieuw door de Minister te verlenen vergunning, terwijl bij afsplitsing – evenals bij splitsing – sprake is van een bestaande winningsvergunning waarvan een deel op initiatief en aanvraag van de bestaande vergunninghouder kan worden overgedragen.
Door in het wetsvoorstel recht te doen aan het technisch karakter van afsplitsing, rekening houdend met het toepasselijk wettelijk kader, blijft de samenhang met de oorspronkelijk bestaande vergunning afdoende gewaarborgd. Die samenhang waarborgt dat voor het geografisch gebied waarop de afsplitsing betrekking heeft niet een zodanig nieuwe situatie wordt gecreëerd dat een afgesplitste vergunning in feite leidt tot een volledig andere, nieuwe vergunning waarvoor de toepasselijkheid van het volgen van een reguliere aanvraagprocedure eerder aangewezen zou zijn. Het gevolg daarvan is dat het reguliere wettelijk kader in het wetsvoorstel niet in alle opzichten integraal en volledig op die afgesplitste vergunningen van toepassing is, maar in enkele afwijkingen daarop voorziet. Zoals hierna nader wordt toegelicht kan daardoor niet van alle onderdelen van het overgangsrecht afstand worden genomen bij een afgesplitste vergunning en kan dit daarmee nog niet als volledig uitgewerkt worden aangemerkt. De rechtspositie die wordt gecreëerd voor een houder van een afgesplitste vergunning is binnen de systematiek van de Mijnbouwwet er daarmee een die noodzakelijkerwijs voortbouwt en afhankelijk is van wat voor de oorspronkelijke vergunning geldt. De situatie is daarmee een andere dan die waarnaar de Afdeling in voetnoot 16 bij het advies verwijst.
De noodzaak tot het waarborgen van het technisch karakter bij afsplitsing werkt door ten aanzien van de eigendom van de mijn en de staatsdeelneming. De opmerkingen van de Afdeling over ongerechtvaardigde begunstiging hebben in het bijzonder hierop betrekking. Ten aanzien van de eigendom van de mijn geldt dat dit als zodanig nauw verbonden is met de materie van de oorspronkelijke vergunning dat het voor het waarborgen van het technisch karakter van afsplitsing noodzakelijk is hierin voor het afgesplitste gebied geen wijziging aan te brengen. Dit betekent dat na afsplitsing de houder van de winningsvergunning de eigendom van de mijn ook voor het afgesplitste gebiedsdeel blijft behouden. Bij een daarop volgende overgang zal hij voor de vergunning een prijs verlangen die overeenkomt met de economische waarde daarvan. Dit is niet anders dan bij de overgang van een oorspronkelijke vergunning of van een gesplitste vergunning. De te betalen prijs voor een te verkrijgen afgesplitste vergunning zal ook op de eigendom van de mijn betrekking hebben. Met die overgang zal immers de eigendom van de mijn van rechtswege overgaan. Een verschil met vergunningverlening na gebiedsverkleining waaraan de Afdeling refereert, is dat bij afsplitsing met overgang de oorspronkelijke vergunninghouder aan iemand anders een deel van de vergunning overdraagt die die vergunning wil hebben. Onteigening door de staat met schadeloosstelling aan de vergunninghouder is daarmee niet aan de orde. Hierin onderscheidt deze overgang van eigendom van rechtswege zich van noodzakelijke verlening van een nieuwe vergunning na gebiedsverkleining. Samenvattend zal een vergunninghouder die over een afgesplitste vergunning beschikt die hij wil overdragen, evenals bij splitsing of bij de overgang van een gehele vergunning, er belang bij hebben een prijs voor de overgang van die vergunning te eisen die overeenkomt met de economische waarde daarvan. Dit omvat mede de eigendom van de mijn die bij overgang van rechtswege meegaat. De nieuwe vergunninghouder zal daarmee ook voor de eigendom van de mijn moeten betalen. Gelet op bovenstaande is een (ongerechtvaardigd) onderscheid en/of een vorm van begunstiging niet aan de orde.
Ten aanzien van de niet-toepasselijkheid van een verplichting tot staatsdeelneming als bedoeld in paragraaf 5.2.3. is hiervoor toegelicht dat de aanwezigheid van een verplichting tot staatsdeelneming afhangt van de inhoud van de oorspronkelijke vergunning. In de memorie van toelichting werd in dit verband bovendien opgemerkt dat de aantrekkelijkheid van een overdracht met afsplitsing zou worden verkleind en onvoldoende gestimuleerd, indien een verplichting tot staatsdeelneming zou gaan gelden waar dit voorheen niet het geval is. Dit is een op zichzelf feitelijk juiste constatering, maar niet de rechtvaardiging hiervoor. De achterliggende ratio om een verplichting tot staatsdeelneming afhankelijk te stellen van en te laten aansluiten op hetgeen de oorspronkelijke vergunning daarover bepaalt, is gelegen in het waarborgen van het technisch karakter van afsplitsing. Overeenkomstig het advies van de Afdeling is de memorie van toelichting hierin aangepast.
3. De Afdeling concludeert dat in de memorie van toelichting geen aandacht is besteed aan de regelgeving inzake staatssteun. Hiervoor is nader gemotiveerd dat bij de eigendom van de mijn of de staatsdeelneming begunstiging of het verschaffen van voordelen die bekostigd zijn met staatsmiddelen ten behoeve van houders van een afgesplitste vergunning niet aan de orde is. De betreffende bepalingen zijn gerechtvaardigd om het technisch karakter van afsplitsing te waarborgen en leiden niet tot een (selectief) voordeel dat als maatregelen inzake staatssteun dient te worden aangemerkt en die eventueel aan de Europese Commissie dienen te worden voorgelegd. Overeenkomstig het advies van de Afdeling is dit in paragraaf 3 van de memorie van toelichting nader toegelicht.
4. De Afdeling adviseert in het dertiende lid van artikel 143 tot uitdrukking te brengen dat paragraaf 5.2.3 niet van toepassing is indien een bestaand vergunningsvoorschrift tot staatsdeelneming verplicht (negende lid) is niet overgenomen. Overname van die opmerking zou er toe leiden dat paragraaf 5.2.3 betreffende staatsdeelneming wel op een afgesplitste vergunning van toepassing is in situaties waarbij uit de vergunning waarvan het deel wordt afgesplitst geen verplichting tot staatsdeelneming volgt. Zoals hiervoor is toegelicht is dit onvoldoende verenigbaar met de waarborging van het technisch karakter van afsplitsing.
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De minister van Economische Zaken
(1) Het betreft een concessie verleend krachtens artikel 5 van de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois no. 285).
(2) Hoofdstuk 3A van de Mijnbouwwet.
(3) Kamerstukken II 2007/08, 31 479, nr. 3, blz. 1.
(4) Bulletin des Lois no. 285. Het betreft de vergunningen die betrekking hebben op Schoonebeek, Tubbergen, Rijkswijk, Rossum- De Lutte en Groningen.
(5) Zie artikel 150 van de Mijnbouwwet.
(6) Paragraaf 1 van de memorie van toelichting.
(7) Bij splitsing van een vergunning, vervalt de oorspronkelijke vergunning en worden nieuwe vergunningen verleend.
(8) Artikel 143, dertiende lid, van het wetsvoorstel.
(9) Dit is een afwijking van paragraaf 5.2.3 van de Mijnbouwwet.
(10) Artikel 94 van de Mijnbouwwet.
(11) Toelichting bij artikel I.
(12) Aanwijzing 169 Ar.
(13) Kamerstukken 1998/99, 16 219, nr. 3, blz. 91.
(14) Artikel 143, dertiende lid, wetsvoorstel.
(15) Hoofdstuk 3a van de Mijnbouwwet.
(16) Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 7 februari 2014 over het ontwerpbesluit, houdende wijziging van het Besluit houders van dieren in verband met het stellen van regels met betrekking tot fokken en bedrijfsmatige activiteiten met gezelschapsdieren (W15.13.0461).
(17) Artikel 143, dertiende lid, van het wetsvoorstel.
(18) Artikel 107, eerste lid, VWEU.
(19) HvJ EG 23 maart 2006, C-237/04, Enrisorse, Jur. 2006, blz. I-02843, r.o. 42.
(20) Zie HvJ EG 17 september 1980, 730/79, Philip Morris, Jur. 1980, blz. I-02671, r.o. 11.
(21) Wanneer financiële steun de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer versterkt, moet dit handelsverkeer worden geacht door steun te worden beïnvloed. Zie HvJ EG 17 september 1980, 730/79, Philip Morris, Jur. 1980, blz. I-02671, r.o. 11.
(22) Zie Verordening (EG) Nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het verdrag betreffende de werking van de Europese unie en de gedragscode voor een goed verloop van de staatssteunprocedures, PB C 136/13,16-6-2009.