Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W13.14.0281/III

Ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van de Jeugdwet (Besluit Jeugdwet), met nota van toelichting.

Kenmerk
W13.14.0281/III
Datum advies
18 september 2014
Vindplaats
Staatscourant 2015, nr. 4203
  • Volksgezondheid, Welzijn en Sport
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van de Jeugdwet (Besluit Jeugdwet), met nota van toelichting.

Bij Kabinetsmissive van 11 augustus 2014, no.2014001499, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels ter uitvoering van de Jeugdwet (Besluit Jeugdwet), met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit beoogt ter uitvoering van de Jeugdwet nadere regels te stellen over onder meer de toegang tot en de kwaliteit van de jeugdhulp, de certificering, professionalisering, de verwijsindex, het burgerservicenummer en de beleidsinformatie.
Het bevat in grote lijnen de inhoud van het geldende Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen en is aangepast en verder toegesneden op de nieuwe Jeugdwet. Nieuwe onderwerpen betreffen:
- de certificering (zie noot 1);
- de aanwijzing van de jeugdhulpaanbieder als meldingsbevoegde functionaris om een melding in de verwijsindex te kunnen doen (zie noot 2) (in verband met het wegvallen van het Bureau Jeugdzorg als coördinator);
- de beleidsinformatie in zo verre deze verstrekt moet worden aan het CBS (zie noot 3) (inhoudelijk komen de gegevens overeen met het geldende Besluit beleidsinformatie jeugdzorg 2011 (zie noot 4));
- de vaststelling en inning van de ouderbijdrage door het CAK (voorheen LBIO; inhoudelijk overeenkomend met het Besluit maatschappelijke ondersteuning) (zie noot 5).

Op het moment dat het ontwerpbesluit bij de Afdeling aanhangig werd gemaakt was het advies van het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) over de toevoeging aan het ontwerpbesluit van artikel 9.15 dat strekt tot wijziging van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens nog niet ontvangen. (zie noot 6)
Bij brief van de Staatssecretarisen van VenJ en VWS van 12 september 2014 heeft de Afdeling het advies van het Cbp van 7 augustus 2014 en de reactie van de staatssecretarissen hierop ontvangen. De Afdeling onderschrijft de opmerkingen van het Cbp over de voorgestelde wijziging en gaat ervan uit dat die opmerkingen leiden tot de wijzigingen zoals in de genoemde brief aangeduid.

De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen van technische en inhoudelijke aard. De opmerkingen van inhoudelijke aard zien op het toezicht van de certificerende instelling. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.

1. Artikel 3.1.5
Ingevolge artikel 3.1.5, eerste lid, kan de Minister van Veiligheid en Justitie (Minister van VenJ) de noodzakelijke voorzieningen treffen indien naar zijn oordeel de certificerende instelling haar taak niet naar behoren vervult.
Uit de toelichting blijkt dat in die situaties de minister de aanwijzing kan intrekken. (zie noot 7) Voor zover beoogd is meer te begrijpen onder het begrip "noodzakelijke voorzieningen" dan slechts de intrekking van de aanwijzing adviseert de Afdeling dit meerdere te verduidelijken. Daarbij verdient het de voorkeur zowel de tekst van het voorstel als de toelichting aan te passen.

2. Artikel 3.2.1
Artikel 3.2.1 voorziet in voorschriften die de certificerende instelling in acht moet nemen bij het verstrekken van een certificaat (of voorlopig certificaat) aan een instelling die hiervoor in aanmerking wil komen. Het derde lid regelt dat de kosten voor het afgeven van een certificaat voor rekening van de aanvrager zijn.
Artikel 3.4, zesde lid, onderdeel d, van de wet, ter uitvoering waarvan dit artikel van het ontwerpbesluit strekt, is bij de Invoeringswet Jeugdwet gewijzigd om de kosten van het hele behandeltraject door het tarief te laten dekken. (zie noot 8)
De formulering van artikel 3.2.1 van het ontwerpbesluit reikt niet verder dan de kosten van het afgeven van een certificaat en sluit dan ook niet aan op de wettekst.
De Afdeling adviseert de tekst van het artikellid te laten aansluiten op de tekst van de Invoeringswet Jeugdwet.

3. Artikel 3.2.2
Artikel 3.2.2 geeft een opsomming van de gronden waarop en de gevallen waarin een certificaat kan worden geschorst of ingetrokken. Blijkens de aanhef van dit artikel is sprake van een facultatieve bevoegdheid ("kan"). Dit wijkt af van artikel 3.4, zesde lid, onderdeel c, van de Jeugdwet dat uitgaat van een verplichting. In die gevallen moet worden geschorst of ingetrokken.
De Afdeling adviseert de tekst van artikel 3.2.2, aanhef, in overeenstemming te brengen met de wet. Dit geldt ook voor de toelichting op dit artikel.

4. Artikel 3.2.3

a. Toezichthoudende taak certificerende instelling; wettelijke grondslag
Artikel 3.2.3 van het ontwerp-besluit bepaalt dat de certificerende instelling gedurende de looptijd van het certificaat vaststelt of de gecertificeerde instelling op grond van het normenkader haar wettelijke verplichtingen naar behoren nakomt en haar taken waarvoor zij is gecertificeerd naar behoren uitvoert. Uit de toelichting blijkt dat deze toetsing jaarlijks plaatsvindt naast de toetsing die wordt uitgevoerd om een nieuw certificaat te verkrijgen. De jaarlijkse toetsing houdt in dat nagegaan wordt of aan het normenkader dat de minister van Veiligheid en Justitie bij ministeriële regeling vaststelt, wordt voldaan. De nota van toelichting stelt dat deze taak een andere is dan die van de Inspectie jeugdzorg. De certificerende instelling kijkt met name naar de doelstellingen van de organisatie, de gehanteerde methoden, de professionals en de ketensamenwerking. (zie noot 9) De inspectie toetst of de instelling voldoet aan de kwaliteitseisen van de Jeugdwet. Dat betreft, naar de Afdeling meent, in principe ook of wordt voldaan aan het normenkader, aangezien dat behoort tot de eisen krachtens de Jeugdwet. (zie noot 10) In de Nota naar aanleiding van het verslag bij het voorstel voor de Jeugdwet is opgemerkt dat het gaat om twee verschillende taken. (zie noot 11) De inspectie toetst de daadwerkelijke kwaliteit. Wat de certificerende instelling anders zou doen, wordt evenwel niet duidelijk gemaakt. Voorts wordt in diezelfde nota opgemerkt dat tussen de inspectie en de certificerende instelling samenwerkingsafspraken zullen worden gemaakt. De noodzaak daarvan maakt duidelijk dat overlap van toezichthoudende taken zeer wel aanwezig kan zijn.

Daarbij komt dat in de memorie van toelichting bij het voorstel voor de Jeugdwet is uiteengezet dat de certificerende instelling controle houdt op de gecertificeerde instellingen via de periodieke verlenging van certificaten. (zie noot 12) Dat ligt voor de hand en beperkt de overlap in toezichthoudende taken tussen de certificerende instelling en de inspectie. In de Nota naar aanleiding van het verslag komt evenwel naar voren dat de certificerende instelling jaarlijks toetst of door de gecertificeerde instelling nog aan het normenkader wordt voldaan. (zie noot 13) Deze koerswijziging heeft evenwel geen uitwerking gekregen in de tekst van artikel 3.4 van de Jeugdwet. Dat biedt dan ook geen grondslag voor de jaarlijkse controle door de certificerende instelling. Artikel 3.4, zesde lid, biedt weliswaar de mogelijkheid om nadere regels te stellen, maar de limitatieve opsomming over de aard van de nadere regels ziet niet op de mogelijkheid om de certificerende instelling de bevoegdheid te geven tot tussentijdse toetsingen.

Voorts merkt de Afdeling op dat de Invoeringswet Jeugdwet de geldigheid van certificaten bekort van 5 tot 3 jaar met als reden dat de toepasselijke ISO-norm uitgaat van een periode van 3 jaar. (zie noot 14) Dit betekent dat een gecertificeerde instelling na twee jaar alweer een nieuw certificaat moet aanvragen. Nu de termijn van geldigheid van het certificaat aanmerkelijk wordt bekort, rijst ook in dit licht de vraag naar de noodzaak van jaarlijkse toetsingen door de certificerende instelling.

Ten slotte dient naar het oordeel van de Afdeling ook de administratieve belasting van de gecertificeerde instellingen die nu jaarlijks in ieder geval twee toezichthouders over de vloer krijgen, in ogenschouw te worden gehouden.

Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling af te zien van het jaarlijkse toezicht door de certificerende instelling. Indien daarvan niet zou worden afgezien, adviseert de Afdeling te voorzien in een wettelijke grondslag voor het jaarlijkse toezicht van de certificerende instelling, en de noodzaak ervan, mede gelet op de sterk verkorte geldigheidsduur van certificaten en de administratieve belasting voor de gecertificeerde instellingen, dragend te motiveren.

b. Doorberekening van toezichtskosten
Uit de toelichting kan niet worden opgemaakt dat de keuze voor doorberekening van de toezichtskosten getoetst is aan uitgangspunten van het rapport Maat houden 2014. (zie noot 15) Dit rapport vormt het toetsingskader voor de doorberekening van toelatings- en handhavingskosten bij het ontwerpen van wet- en regelgeving. Uitgangspunt van dit rapport is dat handhaving van wet- en regelgeving in beginsel uit de algemene middelen moet worden gefinancierd. Uitzonderingen daarop betreffen activiteiten met een quasi-collectief karakter, waardoor sprake is van profijt voor groepen of personen: systeemprofijt of individueel toerekenbaar profijt. Er is niet alleen sprake van systeemprofijt als toezicht noodzakelijk is voor de marktordening, maar ook als handhavingsactiviteiten noodzakelijk zijn voor het vertrouwen in de kwaliteit van producten of dienstverlening in een specifieke sector. Dit profijt bestaat daarin dat de toegelaten partij bepaalde handelingen mag verrichten die voor anderen verboden zijn dan wel gedrag mag nalaten dat voor anderen verplicht is gesteld.

Met de in het onderhavige ontwerpbesluit bedoelde certificering wordt verdere kwaliteitsverbetering van de sector beoogd. Certificering geeft zekerheid dat gemeenten alleen kwalitatief goede instellingen contracteren en dat die kwaliteit ook op peil blijft. (zie noot 16)
De Afdeling merkt op dat de in sector werkende instellingen weliswaar belang hebben bij adequaat toezicht en dat zij er profijt van hebben als het vertrouwen in de sector hierdoor zou kunnen toenemen, maar dat met het toezicht ook een publiek belang wordt gediend. Het profijt van het toezicht is in die zin het profijt van de maatschappij als geheel. Dit brengt naar het oordeel van de Afdeling met zich dat de kosten van toezicht niet geheel bij de sector kunnen worden neergelegd. Het in het rapport Maat houden 2014 bedoelde "groepsprofijt" kan derhalve geen rechtvaardiging vormen voor het volledig doorberekenen van de kosten van toezicht. (zie noot 17)

De Afdeling adviseert de doorberekening van toezichtskosten zoals voorgesteld, dragend te motiveren.

c. Kosten van vaststelling
Ingevolge het tweede lid van artikel 3.2.3 zijn de kosten van de vaststelling of de gecertificeerde instelling nog voldoet aan het normenkader voor rekening van die instelling. Verder blijkt uit de toelichting dat de gecertificeerde instelling de kosten die gemoeid zijn met de beoordeling, rechtstreeks aan de certificerende instelling betaalt. Ook dit onderdeel mist een wettelijke grondslag.
De Afdeling adviseert hierin te voorzien.

5. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State


Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W13.14.0281/III

- In de aanhef de verwijzing naar artikel 7.4.5, eerste lid, van de Jeugdwet aanvullen met: en tweede lid. Voorts de verwijzing naar artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten achterwege laten (komt te vervallen met de inwerkingtreding van de Jeugdwet). De verwijzing naar artikel 2.7, tweede lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wijzigen in artikel 5a van die wet. De verwijzing naar artikel 28c, achtste lid, van de Wet op de expertisecentra achterwege laten (is vervallen), en de verwijzing naar artikel 74, eerste lid, van de Politiewet 2012 wijzigen in artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012. Voorts ook verwijzen naar artikel 9, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, artikel 11, derde lid, van de Zorgverzekeringswet, en naar de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (in zoverre tot 1 januari 2016 van toepassing). Tenslotte de verwijzing naar artikel 44, eerste lid, Grondwet toelichten (onder meer betrekking hebbend op de departementale herindeling inzake jeugd en gezin (Stcrt. van 18 oktober 2010, nr. 16540).
- Artikel 1.1 voorzien van een aanhef: In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:.
- Artikel 3.1.3, laatste volzin, als volgt formuleren: Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie kunnen nadere regels gesteld worden met betrekking tot dit verslag.
- In het opschrift van hoofdstuk 4 tot uitdrukking brengen dat dit hoofdstuk ook verplichtingen bevat voor het college, zoals voorgesteld in de Invoeringswet Jeugdwet (Kamerstukken II 2013/14, 33 983, nr. 2, blz. 15).
- In artikel 4.1.3 " en de bepaling" wijzigen in: , de bepaling en het inzetten. (zie artikel 4.1.9. tweede lid, Invoeringswet Jeugdwet; Kamerstukken II 2013/14, 22 983, nr. 2, blz. 15). Deze wijziging ook aanbrengen in de artikelen 4.1.4, 5.1.1, eerste lid, 5.1.1a, 5.1.1.b, onderdeel a, 7.1.1, onderdeel a, en 10.3, eerste lid, onderdeel a. Ten slotte ook de toelichting nazien op onvolkomenheden op dit punt.
- In artikel 4.2.2, tweede lid, onderdeel b, de verwijzing naar het derde lid van artikel 265d van Boek 1 BW achterwege laten.
- In artikel 4.2.3, eerste lid, "vijf dagen" wijzigen in: vijf werkdagen. Voorts is behalve de ouders geen sprake van de voogd (vergelijk artikel 47, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg).
- In artikel 5.1.1.b, onderdeel b, "de periode" wijzigen in: de termijn.
- In artikel 5.5.2, eerste lid, "op de" achterwege laten.
- De artikelen 7.1.6 en 7.1.7 voorzien van een toelichting en zo nodig verwijzen naar Stb. 2010, 302, blz. 15/16.
- Artikel 7.4.2.2, dat ontleend is aan artikel 16 Besluit gebruik burgerservicenummer in de zorg, zelfstandig toelichten en ook voorzien in aanpassing van dit laatstgenoemde besluit, nu in artikel 10a nog verwezen wordt naar de Wet op de jeugdzorg.
- In de artikelen 8.1.6 en 8.1.7 de aanduiding "CAK" wijzigen in aansluiting op artikel 8.1.5 en daarbij rekening houden met de Invoeringswet Jeugdwet (Kamerstukken 33 983: het bestuursorgaan dat door Onze Ministers met de vaststelling en de inning is belast), dan wel anderszins op uniforme wijze opteren voor rechtstreekse verwijzing naar het CAK (vergelijk de artikelen 4.1b en 4.4a van het Besluit maatschappelijke ondersteuning). Voorts in artikel 8.1.7, eerste lid, na "CAK" het woord "ervan" weglaten en in het derde lid "vast te stellen" en "vastgesteld" wijzigen in "te herzien" en "herzien".
- De artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.6 zo mogelijk ook voorzien van een afzonderlijke inhoudelijk toelichting in aansluiting op paragraaf 8.2 van de toelichting (Financiële verantwoording).
- In artikel 9.10 rekening houden met Stb 2014, 95, waarbij het desbetreffende besluit is ingetrokken.
- De toelichting met betrekking tot de artikelen 9.12 en 9.13 voorafgaand aan die op artikel 9.18 plaatsen. Voorts in artikel 9.13, in de wijziging onder 2 "onderdeel d" wijzigen in: onderdeel g.
- In artikel 9.17 is in het tweede lid van artikel 4.1.1 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 de aanduiding van onderdeel a achterwege gelaten.
- In artikel 9.17 de volgorde van artikel 4.1.3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zoveel mogelijk uniformeren net artikel 5.1.1 van het Besluit Jeugdwet en in het derde lid de zinsnede "in afwijking van het tweede lid" wijzigen in: in afwijking van het eerste lid. Voorts zo nodig ook voorzien in een bepaling op de voet van artikel 5.1.1a (uitbreiding registratie naar nieuwe categorieën van beoefenaren).
- In artikel 9.17 met betrekking tot de artikelen 4.2.1 tot en met 4.2.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 ook voorzien in een omschrijving van degenen die betrokken zijn, zoals ook voorzien in artikel 4.1.5, eerste lid, van dat besluit.
- In artikel 9.17 met betrekking tot artikel 4.3.2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 "de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015" wijzigen in: de wet.
- Artikel 9.21 zodanig aanpassen dat na inwerkingtreding van de Jeugdwet het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling zal berusten op artikel 4.1.7 Jeugdwet (in verband met het wegvallen van de artikelen 13 en 25a van de Wet op de jeugdzorg). Voorts ook voorzien in aanpassing van artikel 1, onderdeel c, en artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van genoemd besluit die nog verwijzen naar de Wet op de jeugdzorg.
- In artikel 9.22 met betrekking tot artikel 2 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ de omschrijving van langdurige intensieve zorg in het derde lid na onderdeel b, als een apart lid opnemen, onder vernummering en aanpassing van het vierde lid.
- In artikel 10.1, tweede lid, de verwijzing naar artikel 9.25 wijzigen in artikel 9.19 en voorts rekening houden met Stb. 2014, 130.
- De toelichting geheel nazien op:
• onjuistheden (onder meer de verwijzing in paragraaf 4.5.4 van het algemeen deel van de toelichting naar artikel 2.6, tweede lid, terwijl dit moet zijn het eerste lid, onder a; in de toelichting op artikel 5.1.1, derde lid, de verwijzing naar artikel 47 Wet BIG achterwege laten en aanvullen met de relevante artikelen van de Wmo 2015 en de Zorgverzekeringswet);
• onzorgvuldigheden (onder meer paragraaf 4.5.1 van het algemeen deel, waar gemeente wordt aangemerkt als jeugdhulpaanbieder; dit wijkt af van definitie van jeugdhulpaanbieder, terwijl waarschijnlijk gedoeld wordt op de situatie waarin uitvoering plaatsvindt door gemeenteambtenaren; verder paragraaf 7 van het algemeen deel, onder c en d, die niet met elkaar in overeenstemming zijn en afwijken van de wettekst; voorts ontbreekt in paragraaf 12.6 van het algemeen deel de vindplaats van kamerstukken en in de toelichting op artikel 2.1 de vindplaats van de Wet ontwikkelingskansen door educatie: Stb. 2010, 296; ten slotte ontbreekt in de toelichting op artikel 4.2.5 de vermelding van ook de directeur justitiële jeugdinrichtingen);
• onduidelijkheden (in de toelichting op artikel 3.2.2 de verwijzing naar de "Handreiking samenwerking gemeente - raad voor de kinderbescherming" nader expliciteren en zo nodig deze handreiking aanpassen; voorts in paragraaf 4.1 van de artikelsgewijze toelichting de afbakening van de taken van de vertrouwenspersoon op grond van de Jeugdwet en die van de Wet Bopz); en
• niet meer actuele teksten (onder meer paragrafen 4.3 en 4.5.3 van het algemeen deel actualiseren voor zover hierin geen rekening is gehouden met de Wet van 21 mei 2014 tot aanpassingen van de Wet op de jeugdzorg en enkele andere wetten ten behoeve van de professionalisering van de jeugdzorg; Stb. 2014, 220).


Nader rapport (reactie op het advies) van 4 november 2014

1. Artikel 3.1.5
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is artikel 3.1.5, eerste lid, aangepast, in die zin dat de Minister van Veiligheid en Justitie de aanwijzing kan intrekken, indien naar zijn oordeel de certificerende instelling haar taak niet naar behoren vervult.

2. Artikel 3.2.1
Naar aanleiding van het advies is de formulering van artikel 3.2.1 aangepast aan de tekst van het wetsvoorstel Invoeringswet Jeugdwet.

3. Artikel 3.2.2
Het advies van de Afdeling is overgenomen: het ontwerpbesluit en de toelichting zijn aangepast en in overeenstemming gebracht met de Jeugdwet.

4. Artikel 3.2.3

a. Toezichthoudende taak certificerende instelling; wettelijke grondslag
Een jaarlijkse controle door de certificerende instelling wordt – zeker in deze startfase – noodzakelijk geacht om de kwaliteit van het door de gecertificeerde instelling geleverde werk te waarborgen. Wat betreft de frequentie van de controle in relatie tot de verkorting van de geldigheidsduur van het certificaat kan worden opgemerkt dat in het jaar dat de instelling een nieuw certificaat aanvraagt, de beoordeling van deze aanvraag in de plaats komt van de jaarlijkse controle.

Inderdaad wordt het opstellen van een samenwerkingsprotocol tussen de inspectie en de certificerende instelling noodzakelijk geacht om overlap van toezichthoudende taken te voorkomen. Daarmee zal ook de administratieve belasting worden beperkt. Dit is ook in de toelichting toegevoegd.

Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is in het wetsvoorstel Invoeringswet Jeugdwet een grondslag voor deze jaarlijkse controle opgenomen in artikel 3.6, zesde lid, onderdeel e, van de Jeugdwet.

b. Doorberekening van toezichtskosten
Volgens de herziening van het rapport Maat Houden is (gedeeltelijke) doorberekening van de kosten niet in strijd met de principes van goed toezicht als voldaan wordt aan een aantal criteria. Zo moet het stelsel aansluiten bij de uitgangspunten van risicogebaseerd toezicht. Dit is het geval: de certificerende instelling zal slechts één keer per jaar een audit houden of een hercertificatie verrichten.
Verder dient de onafhankelijkheid van het toezicht voldoende gewaarborgd te zijn. Ook hieraan wordt voldaan: in artikel 3.1.1, eerste lid, onderdeel b, van het ontwerpbesluit is opgenomen dat de instelling onafhankelijk dient te zijn.
Ook is voldoende rekening gehouden met het beleid van andere toezichthouders, zoals de Inspectie en de Raad voor Accreditatie. Daarnaast is voorzien in een prikkel tot kostenbeheersing, omdat de Minister van Veiligheid en Justitie te allen tijde de mogelijkheid heeft om maximumtarieven vast te stellen (artikel 3.2.1, vierde lid) en de instelling slechts voor vijf jaar wordt aangewezen (artikel 3.1.1, tweede lid). Mocht de sector of de Minister nu niet tevreden zijn met de hoogte van de kosten die de certificerende instelling toepast, dan zal het Keurmerkinstituut niet opnieuw worden aangewezen.
Ten slotte stelt het rapport dat het duidelijk moet zijn welke kosten worden gemaakt en welke worden doorberekend. Hierover dient te worden opgemerkt dat de kosten van de certificering niet geheel voor rekening van de sector komen.
Het normenkader maakt deel uit van het certificatieschema. In dit certificatieschema staat ook informatie ter toelichting op het normenkader. Het certificatieschema wordt beheerd door een onafhankelijke stichting. De Stichting Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid zal de eerste twee jaar het beheer uitvoeren. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie betaalt de stichting hiervoor rond de 50.000 euro exclusief BTW per jaar.
De kosten voor het verkrijgen van een certificaat zullen gemiddeld ongeveer 13.500 euro zijn. De jaarlijkse controle zal gemiddeld 4500 euro bedragen per instelling.

c. Kosten van vaststelling
Ook in deze grondslag is alsnog voorzien bij tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel Invoeringswet Jeugdwet. Artikel 3.4, zesde lid, onderdeel f, biedt een grondslag voor de vergoeding die de gecertificeerde instelling verschuldigd is aan de certificerende instelling voor de jaarlijkse controle.

5. Redactionele bijlage
De redactionele kanttekeningen van de Afdeling zijn overgenomen, met uitzondering van de volgende punten:
- De artikelen 8.2.1 tot en met 8.2.6 (nieuw 8.2.1 tot en met 8.2.4) zijn niet nader inhoudelijk toegelicht, omdat volstaan kan worden met verwijzing naar het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg, waar de overeenkomstig luidende artikelen zijn toegelicht.
- In toelichting is niet ingegaan op de afbakening van de taken van de vertrouwenspersoon op grond van de Jeugdwet en die van de Wet Bopz toegelicht, nu dit in de betreffende wetten en algemene maatregelen van bestuur al geregeld is.

6. Overige aanpassingen
Het ontwerpbesluit is daarnaast op enkele punten nader aangepast. Het gaat daarbij, naast enkele redactionele verbeteringen, om de volgende zaken:
- De hoogte van de ouderbijdragen is geactualiseerd (artikel 8.1.2).
- Er is eenzelfde delegatiegrondslag als in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 toegevoegd, om regels te kunnen stellen over de betalingen namens de colleges door de Sociale verzekeringsbank ten laste van verstrekte persoonsgebonden budgetten.
- De voorgestelde wijziging van het Besluit basisregistratie personen is beter aangepast aan de behoeften van de advies- en meldpunten huiselijk geweld en kindermishandeling (artikel 9.5).
- De wijziging van het Besluit gezagsregister is aangevuld met een ontbrekend artikel uit het Burgerlijk Wetboek (artikel 9.11).
- In artikel 11aa, eerste lid, van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt het mogelijk gemaakt dat ook een door het college aangewezen en onder zijn verantwoordelijkheid werkzame functionaris bevoegd wordt justitiële gegevens te ontvangen. Deze functionaris moet voldoen aan de eisen gesteld in artikel 2.2 van het Besluit Jeugdwet (artikel 9.13).

Wij mogen U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie


(1) Artikelen 3.1.1. tot en met 3.2.3.
(2) Artikel 7.1.1, onderdeel c.
(3) Artikelen 7.5.1 en 7.5.2.
(4) Artikelen 7.5.3 en 7.5.4.
(5) Artikelen 8.1.5 tot en met 8.1.7, die eveneens overeenkomen met het Bijdragebesluit zorg.
(6) De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft, mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, bij brief van 11 juli 2014 advies aan het Cbp gevraagd over dit onderdeel.
(7) Toelichting op de artikelen 3.1.2 tot en met 3.1.6.
(8) Kamerstukken II 2013/14, 33 983, nr. 2 en nr. 3, blz. 17.
(9) Paragraaf 12.2, onder punt 4, van de nota van toelichting.
(10) Artikel 9.1, eerste lid, Jeugdwet:
Er is een inspectie jeugdzorg die ressorteert onder Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en die tot taak heeft het onderzoeken van de kwaliteit in algemene zin van:
De jeugdhulpaanbieders;
De certificerende instelling, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid;
De gecertificeerde instellingen;
Het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling;
De raad voor de kinderbescherming, en
de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, alsmede waar nodig, het aangeven en bevorderen van middelen tot verbetering daarvan.
(11) Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 10, blz. 68.
(12) Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, blz. 158.
(13) Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 10, blz. 68. Zie ook: Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr 445, blz. 39.
(14) Artikel 3.4, vijfde lid, Jeugdwet:
5. Een certificaat wordt afgegeven voor een periode van drie jaar. (Kamerstukken II 2013/14, 33 983, nr. 2, blz. 15 en nr. 3, blz. 16/17).
(15) Kamerstukken I 2013/14, 24 036, nr. 407, bijlage.
(16) Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 45, blz. 39.
(17) Zie ook het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 17 april 2014 over de Wet bekostiging financieel toezicht in verband met de afschaffing van de overheidsbijdrage (W03.14.0056; Kamerstukken II 2013/14, 33 957, nr. 4) en van 7 mei 2014 inzake het voorstel Wet kansspelen op afstand (W03.14.0047; Kamerstukken II 2013/2014, 33 996, nr. 4).


Gehele tekst ontwerpregeling met toelichting (pdf, 949 kB)


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon