Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit WWB 2007 in verband met de invoering van een nieuw verdeel model.
- Kenmerk
- W12.14.0268/III
- Datum advies
- 23 juli 2014
- Vindplaats
- Staatscourant 2014, nr. 28337
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit WWB 2007 in verband met de invoering van een nieuw verdeel model.
Bij Kabinetsmissive van 11 juli 2014, no.2014001378, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit WWB 2007 in verband met de invoering van een nieuw verdeel model, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.
De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling geeft U in overweging dienovereenkomstig te besluiten.
Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, is de Afdeling van oordeel dat openbaarmaking van dit advies achterwege kan blijven.
De waarnemend vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W12.14.0268/III
- In de toelichting ingaan op de verhouding van het ontwerpbesluit tot het voorstel van wet houdende Tijdelijke bepalingen in verband met de instelling van een deelfonds sociaal domein (Tijdelijke wet deelfonds sociaal domein) (33 935). (zie noot 1)
(1) Vgl. brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 15 mei 2014 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer de Staten-Generaal (Kamerstukken II 30 545, nr. 137, paragraaf 2.2.4).
Nader rapport (reactie op het advies) van 26 september 2014
Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. De Afdeling heeft wel als redactionele opmerking de suggestie meegegeven om in de toelichting in te gaan op de verhouding van het ontwerpbesluit tot het voorstel van wet houdende Tijdelijke bepalingen in verband met de instelling van een deelfonds sociaal domein (Tijdelijke wet deelfonds sociaal domein) (33 935). Hierbij verwijst de Afdeling naar een passage uit een brief van mij aan de Tweede Kamer van 15 mei 2014 (Kamerstukken II 30 545, nr. 137, paragraaf 2.2.4). Ik ga ervan uit dat hier sprake is van een misverstand. In de betreffende passage wordt gesproken over het participatiebudget. In het ontwerpbesluit gaat het echter om het inkomensdeel van de uitkering, bedoeld in artikel 69 van de Participatiewet, (ten behoeve van de algemene bijstand en uitkeringen op grond van de PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 voor zover deze laatste betrekking heeft op algemene bijstand voor startende ondernemers). Er is geen directe relatie tussen het inkomensdeel en de instelling van een sociaal deelfonds, dat mede betrekking zou hebben op participatie-voorzieningen. Nieuw is dat de kosten voor de loonkostensubsidies gefinancierd zullen worden vanuit het inkomensdeel. Het inkomensdeel is vrij besteedbaar. Dit betekent onder meer dat gemeenten overschotten op dit budget ook mogen aanwenden voor de uitvoering van taken op het terrein van onder meer jeugd, maatschappelijke ondersteuning en participatie, het zogeheten sociaal domein. Dit is evenwel geen nieuw gegeven, aangezien deze bestedingsvrijheid samenhangt met de in 2004 ingevoerde vorm van budgetbekostiging voor de inkomensvoorzieningen.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt nog enkele redactionele verbeteringen door te voeren en zijn daarnaast twee wijzigingen aangebracht die in de slotfase van de ontwikkeling van het verdeelmodel noodzakelijk bleken. Ten eerste is voor het jaar 2015 in artikel 1 een afwijkende bepaling voor de bepaling van de gemeentelijke lasten opgenomen. Dit is noodzakelijk gebleken omdat het CBS is overgestapt op een andere wijze van registeren van het aantal huishoudens van 15 tot en met 64 jaar. Deze statistiek wordt gebruikt om de gemeentelijke lasten aan te passen aan de groei of krimp in gemeenten. Het gebruiken van deze statistiek zou ongewenste effecten hebben voor de verdeling in 2015 en om die reden is het wenselijk eenmalig een andere statistiek te gebruiken. De berekening van deze lasten waarbij huishoudens is vervangen door inwoners maakt dit mogelijk.
De tweede wijziging betreft de ijking van de uitkomsten van het verdeelmodel. Het verdeelmodel wordt zo geijkt dat de uitkomsten voor grote gemeenten gelijk zijn aan het budget voor deze gemeenten (afgezien van het overgangsregime waarin 50% historisch wordt bepaald). Om dit mogelijk te maken is het nodig de formule voor de berekening van het budget voor middelgrote gemeenten aan te passen. Voor deze middelgrote gemeenten wordt de grondslag deels bepaald op basis van de gemeentelijke lasten (historische verdeling) en deels op basis van de objectief vastgestelde kosten (objectieve verdeling). Welk deel objectief en welk deel op basis van de gemeentelijke lasten wordt bepaald hangt af van het aantal inwoners. Bij een stijgend aantal inwoners loopt het aandeel dat objectief wordt bepaald lineair op van 0% bij 15.000 inwoners tot 100% bij 40.000 inwoners. Gewijzigd is het deel van de grondslag dat op basis van de gemeentelijke lasten wordt bepaald. Berekend wordt wat het budget zou zijn geweest van de gemeente als dit volledig op basis van de gemeentelijke lasten zou zijn bepaald. Dit budget wordt vermenigvuldigd met het voor de gemeente berekende aandeel dat op basis van de gemeentelijke lasten wordt bepaald. Met het objectieve verdeelmodel worden vervolgens de te verwachten bijstandsuitgaven voor zowel middelgrote als grote gemeenten berekend. Voor een middelgrote gemeente wordt het berekende bedrag vermenigvuldigd met het voor de gemeente berekende aandeel dat objectief wordt bepaald. Het historisch bepaalde deel van de grondslag en het objectief bepaalde deel van de grondslag worden bij elkaar opgeteld. De uitkomsten van het verdeelmodel worden zo geijkt dat het totaal van de grondslagen van de middelgrote en grote gemeenten samen precies gelijk zijn aan het macrobudget dat beschikbaar is voor middelgrote en grote gemeenten. De eerst op basis van de historische verdeling bepaalde delen van de grondslag staan hierbij vast en wijzigen dus niet. Deze systematiek heeft, zoals hiervoor is aangegeven, als grote voordeel dat de uitkomst van het verdeelmodel voor een grote gemeente direct het budget is dat de gemeente ontvangt (afgezien van het overgangsregime). Er hoeft dus geen extra omrekening te worden gemaakt van grondslag naar uiteindelijk budget. De berekende grondslag is gelijk aan het budget. Een ander voordeel van de wijziging is dat het budget voor een middelgrote gemeente, voor wat betreft het historisch bepaalde deel van de grondslag, hetzelfde wordt berekend als het budget van een kleine gemeente. Voor beide type gemeenten wordt het budget of een deel van het budget vastgesteld op basis van een volledig historische verdeling. Dit voorkomt vreemde effecten tussen gemeenten met iets meer en iets minder inwoners dan 15.000 inwoners.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid