Ontwerpbesluit houdende een wijziging van het Vuurwerkbesluit met betrekking tot een verlenging van een overgangstermijn en enkele andere wijzigingen, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W14.14.0013/IV
- Datum advies
- 20 februari 2014
- Vindplaats
- Staatscourant 2014, nr. 21042
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende een wijziging van het Vuurwerkbesluit met betrekking tot een verlenging van een overgangstermijn en enkele andere wijzigingen, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 28 januari 2014, no.2014000176, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende een wijziging van het Vuurwerkbesluit met betrekking tot een verlenging van een overgangstermijn en enkele andere wijzigingen, met nota van toelichting.
Het besluit wijzigt het Vuurwerkbesluit om onder meer de overgangstermijnen voor consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk categorie 4, ter voldoening aan de conformiteitsprocedure en de regels inzake CE-markering, te verlengen en een tegenstrijdigheid tussen arbeidsomstandighedenregelgeving en bouwregelgeving ten aanzien van (vuurwerk-)bewaarplaatsen op te heffen. De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking over de inwerkingtredingsbepaling. Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
Ingevolge artikel II, eerste lid, treedt het besluit in werking met ingang van 1 juli 2014. Volgens de toelichting bij dit artikel wordt daarmee voldaan aan het systeem van de vaste verandermomenten.
De systematiek van vaste verandermomenten houdt onder meer in dat wetten en amvb’s twee vaste veranderdata kennen, 1 januari of 1 juli, waarbij tevens een minimale invoeringstermijn van twee maanden geldt. Een uitzonderingsgrond, voor afwijking van zowel de vaste inwerkingtredingsdata als de minimale invoeringstermijn, is als de doelgroepen gebaat zijn bij een spoedige inwerkingtreding. (zie noot 1) De Afdeling merkt op dat alle voorgestelde wijzigingen in het ontwerpbesluit een gunstige situatie voor de doelgroepen tot gevolg hebben, waardoor mag worden afgeweken van de invoeringstermijn en het besluit eerder dan 1 juli 2014 in werking mag treden. Daar komt bij dat de verlengde overgangstermijn voor consumentenvuurwerk loopt tot 4 juli 2014.
De Afdeling adviseert artikel II, eerste lid, zo aan te passen dat een snellere inwerkingtreding dan 1 juli 2014 mogelijk is.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 24 juni 2014
Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State aanleiding tot het maken van een inhoudelijke opmerking. Hieronder zal ik op deze opmerking ingaan.
De Raad van State adviseert de inwerkingtredingtermijn aan te passen. In het ontwerpbesluit was als inwerkingtredingdatum 1 juli 2014 opgenomen, conform de vaste verandermomenten die voor algemene maatregelen van bestuur gelden. Daarbij geldt tevens een minimale invoeringstermijn van twee maanden. Omdat de voorgestelde wijzigingen van het Vuurwerkbesluit gunstig uitvallen voor de doelgroepen van het besluit, en omdat de verlengde overgangstermijn tot 4 juli 2014 loopt, adviseert de afdeling om af te wijken van de invoeringstermijn zodat een snellere invoering mogelijk wordt. Het ontwerpbesluit en de toelichting zijn in deze zin aangepast. Het besluit treedt nu in werking de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het besluit is opgenomen.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Infrastructuur en Milieu
(1) Brief van 11 december 2009 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2009/10. 29 515, nr. 309, blz. 2 - 4).