Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W15.12.0441/IV

Ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot houders van dieren (Besluit houders van dieren), met nota van toelichting.

Kenmerk
W15.12.0441/IV
Datum advies
3 januari 2013
Vindplaats
Staatscourant 2014, nr. 23215
  • Economische Zaken en Klimaat
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot houders van dieren (Besluit houders van dieren), met nota van toelichting.

Bij Kabinetsmissive van 25 oktober 2012, no.12.002517, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot houders van dieren (Besluit houders van dieren), met nota van toelichting.

Het ontwerp-Besluit houders van dieren strekt tot uitvoering van de nieuwe Wet dieren. Het bevat voorschriften ten aanzien van dieren, die zich richten tot de houders ervan. Het gaat daarbij in hoofdzaak om houders van gezelschapsdieren, van dieren voor de landbouwproductie en van dieren in dierentuinen. Het ontwerpbesluit bevat daarnaast regels voor het doden (slachten) van dieren. Het ontwerpbesluit is een samenvoeging en harmonisering van bestaande regels, die thans nog verspreid zijn over diverse regelingen. Het strekt mede ter uitvoering van Europese regelgeving.

De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt onder meer opmerkingen over de invoering van de lijst van dieren die mogen worden gehouden (de positieflijst), het gebruik van globale normen en de verhouding van het ontwerpbesluit tot zowel de reeds geldende als de in voorbereiding zijnde wettelijke voorschriften inzake ritueel slachten. Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.

1. Positieflijst
Artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren verbiedt het houden van dieren die niet behoren tot door de Minister aangewezen diersoorten of diercategorieën. Deze opsomming van dieren waarvan het houden is toegestaan (de zogenoemde positieflijst), komt tot stand op basis van de criteria in artikel 1.4 van het ontwerpbesluit. De bedoeling van de positieflijst is te voorkomen dat dieren worden gehouden die gelet op hun aard daartoe niet geschikt zijn of bij welke zich onder de in Nederland gangbare houderij-omstandigheden onaanvaardbare welzijnsproblemen zouden voordoen.(zie noot 1) In de huidige situatie biedt artikel 33 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren voor de positieflijst reeds een wettelijke basis. Dit artikel is echter nog niet in werking getreden, onder meer omdat de regering problemen voorzag met de handhaafbaarheid.(zie noot 2)
Tijdens de parlementaire behandeling van het voorstel van Wet dieren heeft de regering opnieuw aandacht gevraagd voor de problemen die samenhangen met de invoering van een positieflijst. De regering vroeg zich af of "het inzetten van een instrument als de positieflijst, waarvan nu al bekend is dat het aan effectiviteit te wensen overlaat en bovendien een toename in de lasten met zich zal brengen voor burgers, bedrijven, overheid en rechterlijke macht, het juiste instrument is om de doelen te bereiken die met de lijst worden beoogd, namelijk de bescherming van diergezondheid en het dierenwelzijn."(zie noot 3) Ondanks deze bezwaren wilde de regering vasthouden aan haar eerdere toezegging aan de Tweede Kamer om te komen tot een positieflijst. Om de gesignaleerde problemen te verminderen heeft de regering een nota van wijziging ingediend.(zie noot 4) Hierdoor is het mogelijk gemaakt om bij algemene maatregel van bestuur:

- criteria vast te stellen op grond waarvan de minister diersoorten of diercategorieën aanwijst voor de positieflijst;(zie noot 5)
- te regelen dat het verbod om dieren te houden slechts van toepassing is op één of meer dierklassen.
In artikel 1.4, tweede lid, van het ontwerpbesluit wordt als uitvloeisel daarvan de positieflijst alleen voor zoogdieren van toepassing verklaard. De bedoeling is om op die manier ervaring op te doen met het opstellen van deugdelijke criteria en met de handhaving van het verbod.(zie noot 6)
In het licht van het bovenstaande merkt de Afdeling het volgende op.

a. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het voorstel van de Wet dieren heeft de regering opgemerkt, dat controle op de aanwezigheid van verboden dieren bij particulieren ‘achter de voordeur’ zo goed als onmogelijk is.(zie noot 7) Voor de houders van productiedieren ligt dit naar verwachting anders. Maar gelet op de veelheid aan dieren, de wijze waarop de handel in productiedieren verloopt, de beschikbare capaciteit voor toezicht en opsporing en prioriteitstellingen daarbij, mogen de verwachtingen ook hier niet al te hoog gestemd zijn, aldus de regering.
De Afdeling onderkent dat van het vaststellen van een positieflijst op zichzelf reeds een normerende werking kan uitgaan. Niettemin wordt uit de toelichting op het ontwerpbesluit nog niet voldoende duidelijk in hoeverre het voorgestelde verbod in de praktijk gaat werken en in welke mate en op welke wijze, mede gelet op de door de regering zelf gesignaleerde handhavingsproblemen, zal worden toegezien op de naleving van het verbod tot het houden van zoogdieren die niet in de lijst zijn vermeld. In de toelichting is geen indicatie gegeven van de met de positieflijst samenhangende toename van de toezichts- en handhavingsinspanningen en hoe deze zich zal verhouden tot de overige uit de Wet dieren voortkomende handhavingstaken.

b. Volgens de regering brengt de introductie van een positieflijst een omvangrijke overgangsproblematiek met zich. Voor zover het gaat om dieren die niet langer mogen worden gehouden, zal in redelijkheid dienen te worden voorzien in een overgangsregime of uitsterfregeling op grond waarvan eenduidig is vast te stellen welke dieren daaronder vallen, aldus de regering.(zie noot 8) Daarbij zal ook aandacht dienen te worden besteed aan voorzieningen voor onder de meer de overdracht van dieren (inclusief hun nakomelingen) die onder het wettelijk verbod vallen. Dergelijke overgangsvoorzieningen gaan gepaard met lasten voor burgers, het bedrijfsleven en de overheid en compliceren voorts de handhaving en de effectiviteit van de regeling, aldus de regering. In het licht van deze beschouwingen valt het de Afdeling op dat de toelichting op het ontwerpbesluit geen aandacht besteedt aan de vraag op welke wijze aan de gesignaleerde overgangsproblemen het hoofd zal worden geboden en in hoeverre deze problemen nopen tot het stellen van regels van overgangsrecht.
De Afdeling adviseert om in de toelichting op het bovenstaande nader in te gaan en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.

2. Gebruik van globale normen
Op een aantal plaatsen in het ontwerpbesluit worden globale of vage normen gesteld, waarbij gebruik wordt gemaakt van begrippen die met het oog op de naleving door de normadressaten in de dagelijkse praktijk operationalisering behoeven. In een aantal gevallen is daarbij sprake van globale normen die zijn overgenomen uit de toepasselijke richtlijn.(zie noot 9)
De Afdeling vraagt aandacht voor het feit dat vage normen met het oog op de naleving en de handhaving in de praktijk een knelpunt kunnen zijn. Dit geldt te meer indien de doelstelling van de globale norm - die veelal de vorm zal hebben van een zorgplichtbepaling - niet of niet noodzakelijkerwijs overeenkomt met het belang van de normadressaat. Indien laatstgenoemde niet zonder meer geneigd is tot vrijwillige naleving, zal een globale norm naar verwachting minder effectief zijn dan wanneer de norm is geoperationaliseerd tot concrete voorschriften. De Afdeling wijst er voorts op dat, voor zover sprake is van omzetting van EU-recht, de lidstaten op grond van artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) alle algemene en bijzondere maatregelen dienen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van Europeesrechtelijke verplichtingen te verzekeren. Dit brengt met zich dat de implementatie van bepalingen uit richtlijnen moet plaatsvinden met de specificiteit, nauwkeurigheid en duidelijkheid die volgens de rechtspraak van het Hof nodig zijn om te voldoen aan het vereiste van rechtszekerheid.(zie noot 10) Derhalve kan niet in alle gevallen worden volstaan met alleen het overnemen van de globale norm in een wettelijk voorschrift, maar zijn lidstaten in bepaalde situaties verplicht de door die norm gegeven beleidsruimte te concretiseren om de nuttige werking van het EU-recht te verzekeren.(zie noot 11)
De Afdeling adviseert om de vage normen, voor zover die strekken tot implementatie van Europese regelgeving, te concretiseren en ook overigens na te gaan of de vage normen in het ontwerpbesluit met het oog op naleefbaarheid en handhaafbaarheid operationalisering behoeven, en waar nodig het ontwerpbesluit daarop aan te passen.

3. Doden van dieren
De inhoud van het Besluit doden van dieren en van het Besluit ritueel slachten wordt opgenomen in het ontwerpbesluit.(zie noot 12) Beide besluiten zijn met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1099/2009.(zie noot 13) De Afdeling constateert dat hetgeen in het ontwerpbesluit wordt geregeld, op een aantal onderdelen en zonder toelichting afwijkt van beide besluiten zoals die vanaf 1 januari 2013 luiden.
De regering heeft voorts aangekondigd de regels over het doden van dieren en de rituele slacht op korte termijn opnieuw te zullen wijzigen door overneming van het convenant tussen de regering en de israëlitische en islamitische organisaties over de rituele slacht(zie noot 14) in het Besluit houders van dieren.(zie noot 15) Een voorstel daartoe is voorgehangen bij de beide kamers der Staten-Generaal.(zie noot 16) In dat licht bezien valt het de Afdeling op dat in artikel 6.6, eerste lid, van het ontwerpbesluit het Opperrabbinaat bij de slacht volgens de israëlitische ritus de bevoegdheid krijgt om degenen die de dieren doden aan te stellen.(zie noot 17) Dit artikellid brengt mee dat alleen voor de slacht volgens de israëlitische ritus wordt voorzien in religieus toezicht, maar dat zodanig toezicht bij de islamitische ritus vooralsnog niet geregeld wordt. Deze bevoegdheid van het Opperrabbinaat, die is overgenomen uit het convenant, is nog niet opgenomen in het Besluit ritueel slachten zoals dat na 1 januari 2013 luidt. Het ontwerpbesluit loopt dus voor een deel vooruit op de omzetting van het convenant.
Naar het oordeel van de Afdeling ligt het niet voor de hand om in het ontwerpbesluit (deels) vooruit te lopen op de komende verwerking van het convenant in het Besluit houders van dieren. Zij adviseert om het betreffende onderdeel van het ontwerpbesluit te schrappen. Ten aanzien van de overige afwijkingen van het Besluit doden van dieren en van het Besluit ritueel slachten, zoals deze luiden met ingang van 1 januari 2013, adviseert de Afdeling om deze toe te lichten en om waar nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

4. Voorbehoud in verband met voorhang
Bij brief van 14 juni 2012 heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie ingevolge artikel 10.10 van de Wet dieren het ontwerp-Besluit houders van dieren aan de Tweede Kamer voorgelegd.(zie noot 18) Op verzoek van de Kamer is deze voorhang aangehouden.(zie noot 19) De Afdeling gaat ervan uit dat, indien het overleg met de Kamer aanleiding geeft tot verandering van meer dan bijkomstige aard, het ontwerpbesluit nogmaals aan haar voor advies zal worden voorgelegd.

5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Afdeling naar de bij het advies behorende bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De waarnemend vice-president van de Raad van State


Bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W15.12.0441/IV met redactionele kanttekeningen die de Afdeling in overweging geeft.

- In de aanhef verwijzen naar de volgende artikelen in de Wet dieren:
- 2.19, tweede lid, in verband met het voorgestelde artikel 1.21;
- 2.21, vierde lid, in verband met het voorgestelde artikel 1.25;
- 7.5, vierde lid, in verband met het voorgestelde artikel 4.4.
- In de aanhef verwijzingen opnemen naar de volgende Europese rechtshandelingen ter uitvoering of implementatie waarvan het ontwerp blijkens de toelichting strekt: richtlijnen 90/167/EEG, 96/22/EG, 96/23/EG, 2002/4/EG, alsmede verordening (EG) nr. 470/2009.
- In de aanhef een verwijzing opnemen naar richtlijn 2001/82/EG in verband met onder meer het voorgestelde artikel 1.22 (zie de implementatietabel in de toelichting op het ontwerp-Besluit diergeneesmiddelen).
- In de aanhef de verwijzing naar artikel 10.4 van de Wet dieren specificeren.
- In artikel 1.3, aanhef, en elders waar zich het voordoet, ‘Als gedragingen (…) worden aangewezen’ vervangen door: ‘Gedragingen (…) zijn’, nu de aanwijzing in het ontwerpbesluit zelf plaatsvindt en de voorgestelde terminologie een nadere opdracht tot aanwijzing zou betekenen.
- In artikel 1.3, onderdeel a, ‘het zich ontdoen’, dat een ruimere betekenis heeft dan hier beoogd, vervangen door: in de steek laten (terminologie van artikel 3, tweede lid, van de Europese Overeenkomst tot bescherming van kleine huisdieren, Trb. 1988,1).
- In artikel 1.4 door gebruik van ‘en’ dan wel ‘of’ in de diverse niveaus van criteria aangeven of deze zich als alternatieven of als cumulatieven tot elkaar verhouden.
- Ten aanzien van artikel 1.9 toelichten waarom het verbod tot doden alleen voor de hier genoemde drie soorten dieren geldt.
- In artikel 1.17 de normadressaat vermelden (dierenarts of embryotransplanteur).
- In artikel 1.20, eerste lid, onderdeel d, niet doordelegeren naar ministeriële regeling, nu artikel 2.2, zevende lid, van de Wet dieren regeling bij algemene maatregel van bestuur voorschrijft.
- Ten aanzien van artikel 1.20 toelichten waaraan de opsomming van de in dit artikel genoemde dieren is ontleend (waarom wel de chimpansee, maar niet de leeuw, waarom wel papegaaiachtigen, maar geen kippen of eenden?)
- In artikel 1.23, derde lid, na ‘artikel 5.8’ invoegen: , eerste lid.
- In artikel 2.1 aangeven op welke wijze bij de aanwijzing van productiedieren met het daarbij te implementeren punt 21 uit de bijlage van richtlijn 98/58/EG rekening is gehouden.
- Ten aanzien van artikel 2.1 toelichten of de Andibel-criteria ook voor de hier bedoelde positieve lijst van gebruiksdieren van toepassing zijn.
- In artikel 2.4, zesde lid, ‘voedsel’ vervangen door: voer.
- In artikel 2.15, eerste lid, aanhef, ‘artikel 2.14, eerste lid’ vervangen door: artikel 2.13, eerste lid.
- De artikelen 2.18 en 2.21 beter afstemmen op artikel 3, tweede lid, van richtlijn 2008/120.
- In artikel 2.20, eerste lid, ‘horen en ruiken’ vervangen door: horen, ruiken en zien (richtlijn 2008/120 EG, bijlage I, hoofdstuk II, onderdeel A).
- In artikel 2.27 ‘PbEG 2008, L 80’ vervangen door: PbEG 2009, L 47.
- In artikel 2.32, derde lid, het begrip ‘levend gewicht’ definiëren (vergelijk in artikel 2.18, vierde lid ‘gemiddeld gewicht’ en in 2.71, tweede lid, onderdeel e, ‘gewicht’).
- Ten aanzien van artikel 2.37, tweede lid, toelichten waaraan de percentages van 2 respectievelijk 5 voor de normering van de daglichttoetreding materieel zijn ontleend.
- In artikel 2.48 bij het derde streepje ‘gedood’ verduidelijken, bijvoorbeeld door de toevoeging: als bedoeld in hoofdstuk 6.
- Ten aanzien van artikel 2.51 toelichten waarom hier voor dynamische verwijzing is gekozen en elders in het ontwerpbesluit niet.
- De artikelen 2.60 en 2.62, die kennelijk zijn bedoeld als voorwaarden voor de toepassing van artikel 2.59, ook als zodanig formuleren.
- In artikel 2.62 verduidelijken op welke wijze (bijvoorbeeld in de tijd) de cumulatie plaatsvindt, nu blijkens artikel 2.48 per stal één koppel aanwezig is.
- Artikel 2.63, derde lid, tweede volzin, wegens kennelijke misslag herformuleren.
- In artikel 2.68, derde lid, door letter- of cijferaanduiding aangeven bij welk onderdeel de zinsnede aan het slot (‘en dat het huisvestingssysteem’ etc.) behoort.
- In of krachtens artikel 2.69, dat strekt ter uitvoering van richtlijn 2002/4, regelen dat de in de bijlage bij deze richtlijn genoemde gegevens worden geregistreerd.
- Artikel 3.4 in terminologie en volgorde nauwkeuriger laten aansluiten bij artikel 5 van de Overeenkomst tot bescherming van kleine huisdieren (Trb. 1988, 1), waarmee duidelijker wordt dat met anatomische, fysiologische en gedragskenmerken slechts rekening gehouden wordt voor zover dat in het belang van de populatie is en derhalve ook niet leidt tot onverantwoord doorfokken.
- Nu de reikwijdte van hoofdstuk 4 alleen dierentuinen betreft, het opschrift dienovereenkomstig aanpassen.
- In artikel 4.2, gezien de kennelijke bedoeling van dit artikel, in het tweede lid na onderdeel c invoegen ‘of’ en in het derde lid na onderdeel b ‘en’.
- In artikel 4.2, tweede lid, onderdeel c, onder 2°, de woorden ‘niet tijdelijk of langdurig’ verduidelijken.
- In artikel 4.3, tweede lid, onderdeel c, ‘personeelsleden en de kwalificatie daarvan’ vervangen door: personeelsleden en hun kwalificatie.
- In de artikelen 4.7. en 4.8, conform de overige artikelen van het hoofdstuk, de vergunninghouder tot normadressaat maken.
- In artikel 4.13, eerste lid, ‘exploitant van een dierentuin’ vervangen door: vergunninghouder.
- Artikel 6.2 - waarvan het eerste lid voor de slacht van productiedieren een uitzondering maakt op algemene regels omtrent het doden van dieren - maakt in het tweede lid een uitzondering op het eerste lid voor het doden van dieren voor bepaalde experimenten, waardoor de algemene regels voor doden van dieren gelden voor die experimenten. Nu in artikel 2 van het Besluit doden van dieren deze experimenten geheel worden uitgezonderd van dat besluit, het voorgestelde artikel 6.2 daarop afstemmen.
- De tekst van artikel 6.3 opnemen in artikel 6.1 en bijgevolg in artikel 6.2, eerste lid, de aanduiding van verordening (EG) 1099/2009/EG verkorten.
- In het eerste lid van artikel 7.1, dat blijkens de tabel in bijlage 1 bij de toelichting een voortzetting vormt van artikel 2c van het Varkensbesluit, ‘de artikelen 2.14 en 2.16’ wijzigen in: de artikelen 2.13 en 2.15, met het oog op overeenstemming met genoemd artikel 2c.
- Ten aanzien van artikel 7.3, tweede lid, toelichten waarom in het licht van het overgangsrecht een afwijkende begripsbepaling van ‘stal’ hier wenselijk is, en ‘artikel 2.9’ vervangen door: artikel 2.11.
- In bijlage II bij de toelichting (implementatietabellen) aangeven waar de volgende bepalingen zijn geïmplementeerd: artikel 10, eerste lid, van richtlijn 98/58/EG, de artikelen 7 en 8 van richtlijn 1999/22/EG, artikel 8, eerste lid, van richtlijn 1999/74/EG, artikel 7, eerste lid, tweede volzin, van richtlijn 2008/119/EG, alsmede van richtlijn 2008/120/EG:
- artikel 8, eerste lid;
- bijlage I, hoofdstuk I, onder 5 (‘effen maar niet glibberig’);
- bijlage I, hoofdstuk II, onderdeel D, onder 2 (‘verbergen’) en onder 4.
- In het algemene en het artikelsgewijze deel van de toelichting de verwijzingen naar de te implementeren bepalingen in overeenstemming brengen met de implementatietabel.


Nader rapport (reactie op het advies) van 4 juni 2014

Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State aanleiding tot het maken van drie opmerkingen. Hieronder wordt nader op deze punten ingegaan.

1. Positieflijst
De Afdeling advisering van de Raad van State constateert dat de nota van toelichting op het ontwerpbesluit onvoldoende duidelijkheid verschaft over de werking van de zogenoemde 'positieflijst' in de praktijk en over mogelijke met deze lijst samenhangende toezichts- en handhavingsaspecten en overgangsproblemen en adviseert dat inzicht alsnog te verschaffen en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.
Het door de Afdeling gevraagde inzicht is afhankelijk van de uiteindelijke invulling van de zogenoemde 'positieflijst', zoals deze op grond van artikel 2.2, eerste lid, van de wet bij besluit van de Minister zal worden vastgesteld. Artikel 1.4 van het ontwerpbesluit bevat slechts de criteria die de Minister bij die vaststelling moet hanteren. Op de werking van de positieflijst in de praktijk en op de mate waarin en de wijze waarop zal worden toegezien op de naleving van het verbod tot het houden van zoogdieren die niet in de lijst zijn vermeld, zal worden ingegaan in de toelichting bij het ministerieel besluit waarbij de positieflijst wordt vastgesteld. In dat besluit en de daarbij behorende toelichting zal ik zo nodig tevens aandacht schenken aan aspecten van overgangsrechtelijke aard.

2. Gebruik van globale normen
De Afdeling merkt op dat het ontwerpbesluit een aantal globale normen - veelal in de vorm van zorgplichtbepalingen - bevat. De Afdeling wijst daarbij op een mogelijke lagere effectiviteit van dergelijke normen in vergelijking tot in concrete voorschriften vervatte normen. Voorts adviseert de Afdeling om vage normen die strekken ter implementatie van Europese regelgeving te concretiseren. Zoals in paragraaf 2.1 van de memorie van toelichting is aangegeven is waar mogelijk juist bewust gekozen voor doelvoorschriften en zorgplichten. Naar mijn mening laten dergelijke voorschriften ruimte voor initiatieven van burgers en voor nieuwe ontwikkelingen, terwijl daarmee bovendien de eigen verantwoordelijkheid van de mens voor het dier wordt benadrukt. Ik zal evenwel nauwlettend volgen of en in hoeverre de normen daadwerkelijk aan effectiviteit inboeten. Zo nodig zal ik nadere concretisering van deze normen overwegen.
Voor zover de globale normen in het ontwerpbesluit strekken ter uitvoering van Europese regelgeving, memoreer ik dat deze bepalingen één op één zijn overgenomen uit de tot op heden - onder de vigeur van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren - geldende uitvoeringsregelgeving op dit gebied. Deze uitvoeringsregelgeving heeft in praktijk nooit aanleiding gegeven tot opmerkingen van de Europese Instellingen dat daarmee de nakoming van Europeesrechtelijke verplichtingen onvoldoende zou zijn verzekerd. Om die reden zie ik geen reden thans over te gaan tot nadere concretisering van deze normen, zoals de Afdeling adviseert.

3. Doden van dieren
Overeenkomstig het advies van de Afdeling is het ontwerpbesluit afgestemd op de inhoud van het Besluit doden van dieren en het Besluit ritueel slachten, zoals deze besluiten met ingang van 1 januari 2013 zijn komen te luiden. Ook de memorie van toelichting is op dit punt verduidelijkt.

4. Voorbehoud in verband met voorhang
Naar aanleiding van het overleg met de Tweede Kamer waaraan de Afdeling in haar advies refereert, zijn geen ingrijpende wijzigingen in het ontwerpbesluit doorgevoerd. Naar aanleiding van het overleg met de Tweede Kamer is wel afgezien van het opnemen van een verbod inzake het gebruik van of het vastbinden of aanlijnen van een dier met een voorwerp waarmee aan het dier stroomstoten kunnen worden gegeven of waarmee het dier door middel van een elektromagnetisch signaal, straling of scherpe uitsteeksels pijn kan worden toegebracht. Een genuanceerder verbod zal door middel van een separate wijziging in het Besluit houders van dieren worden opgenomen.

5. Redactionele kanttekeningen
De redactionele kanttekeningen zijn in overweging genomen en aan het grootste deel is gehoor gegeven.

6. Overige opmerkingen
Ten slotte is van de gelegenheid gebruik gemaakt om op een enkel punt in het wetsvoorstel een wijziging van redactionele aard door te voeren. Voorts hebben de regels voor de toepassing van diergeneesmiddelen door houders van dieren die tijdelijk in hoofdstuk 8A, paragraaf 2, van het Besluit diergeneesmiddelen waren opgenomen thans een definitieve plaats in het bijgaande ontwerpbesluit gekregen.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting met bijlagen doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Staatssecretaris van Economische Zaken


(1) Paragraaf 4.2 van de nota van toelichting.
(2) Kamerstukken II 2008/09, 31 389, nr. 9 (nota naar aanleiding van het verslag Wet dieren), blz. 11.
(3) Kamerstukken II 2008/09, 31 389, nr. 9, blz. 14.
(4) Kamerstukken II 2008/09, 31 389, nr. 10.
(5) Deze bepaling hangt samen met de eisen die voortvloeien uit HvJ 19 juni 2008, C-219/07 (Andibel). In dit arrest heeft het HvJ bepaald dat de opstelling van een positieflijst moet berusten op criteria die objectief en niet-discriminerend zijn en op onderzoek dat berust op de meest betrouwbare beschikbare wetenschappelijke gegevens en de meest recente resultaten van internationaal onderzoek.
(6) Paragraaf 4.4 van de nota van toelichting.
(7) Kamerstukken II 2008/09, 31 389, nr. 9, blz. 12.
(8) Kamerstukken II 2008/09, 31 389, nr. 9, blz. 12.
(9) Bijvoorbeeld artikel 2.76, eerste lid: ‘De uitwerpselen van legkippen worden regelmatig verwijderd.’, of 2.73, eerste lid: ‘Het geluidsniveau wordt zo laag mogelijk gehouden.’
(10) HvJ EU 30 mei 1991, C-361/88 (Commissie vs. Duitsland), r.o. 21, www.curia.europa.eu.
(11) Een voorbeeld van zo een concretisering is het voorgestelde artikel 2.25, dat voor het voedersysteem niet slechts de bepaling overneemt uit de varkensrichtlijn dat alle varkens tegelijkertijd moeten kunnen eten, maar daaraan toevoegt: ‘De lengte van de rechte trog bedraagt ten minste 0,30 m per geslachtsrijp varken.’
(12) Paragrafen 1.4.4 en 7 van de nota van toelichting.
(13) Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PbEU 2009, L 303).
(14) Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze riten d.d. 5 juni 2012, Stcrt. 2012, 13162.
(15) Kamerstukken II 2012/13, 28 286, nr. 599 en 2012/13, 31 571, nr. 23.
(16) Kamerstukken II 2012/13, 31 571, nr. 23.
(17) Artikel 6.6, eerste lid, van het ontwerpbesluit.
(18) Kamerstukken II 2011/12, 28 286, nr. 567.
(19) Kamerstukken II 2011/12, 28 286, nr. 583.


Gehele tekst ontwerpregeling met toelichting (pdf, 916 kB)


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon