Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen in verband met de Code Rechtstreeks verzekerde regelingen en enige andere wijzigingen, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W12.14.0098/III
- Datum advies
- 7 mei 2014
- Vindplaats
- Staatscourant 2014, nr. 16961
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen in verband met de Code Rechtstreeks verzekerde regelingen en enige andere wijzigingen, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 16 april 2014, no.2014000752, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling en het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen in verband met de Code Rechtstreeks verzekerde regelingen en enige andere wijzigingen, met nota van toelichting.
Voor levensverzekeraars en schadeverzekeraars wordt met het besluit de Code Rechtstreeks verzekerde regelingen aangewezen als principes voor goed pensioenfondsbestuur. Deze code is geformuleerd door de Stichting van de Arbeid en het Verbond van verzekeraars op 18 december 2013; zij vervangt onderdeel D van de Principes voor goed pensioenfondsbestuur, zoals geformuleerd door de Stichting van de Arbeid op 16 december 2005. (zie noot 1) De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt daarbij de volgende kanttekeningen.
a. In de toelichting wordt niet uiteengezet wat de verschillen zijn tussen de oude en de nieuwe code. Met de verwijzing naar de nieuwe code ontstaat publieke verantwoordelijkheid voor een code die door zelfregulering tot stand is gekomen. Dat het overgaan op de nieuwe code uit oogpunt van algemeen belang wenselijk is vraagt om een afzonderlijke motivering. Dat de Stichting van de Arbeid en het Verbond van verzekeraars de code tot stand hebben gebracht is daarvoor niet voldoende; zij hebben immers een andere rol en verantwoordelijkheid dan de overheid. De enkele overeenstemming van de twee genoemde partijen is geen op zichzelf staande rechtvaardiging voor aanpassing van de regelgeving.
De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de verschillen tussen de oude en de nieuwe code, en daarbij uiteen te zetten waarom het wenselijk is de nieuwe code aan te wijzen. Voorts adviseert de Afdeling in te gaan op de door de SER uitgevoerde evaluatie van de Principes voor goed pensioenfondsbestuur. (zie noot 2)
b. Uit de toelichting blijkt voorts niet in hoeverre andere instanties bij het totstandbrengen van de nieuwe code betrokken zijn geweest. In de toelichting op de nota van wijziging (zie noot 3) waarmee de grondslag voor de aanwijzing van principes voor goed pensioenfondsbestuur aan de Pensioenwet werd toegevoegd, werd benadrukt dat de destijds tot stand gebrachte principes werden gedragen door meerdere organisaties. (zie noot 4) Daarbij werd opgemerkt dat "het uniek was dat de hele sector de principes onderschrijft". Hieruit leidt de Afdeling af dat het breed gedragen worden van de principes van belang is.
De Afdeling adviseert in de toelichting aan te geven of de nieuwe code door andere organisaties wordt onderschreven, en zo ja, door welke organisaties.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 26 mei 2014
Conform het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt in de toelichting ingegaan op de verschillen tussen de oude en de nieuwe code en wordt aangegeven waarom het wenselijk is om een nieuwe code aan te wijzen.
Het advies om in de toelichting in te gaan op de door de SER uitgevoerde evaluatie van de Principes voor goed pensioenfondsbestuur is niet opgevolgd. Redenen daarvoor zijn dat deze evaluatie, die uit 2009 dateert, maar voor een klein deel betrekking had op de principes voor rechtstreeks verzekerde regelingen en de resultaten van de evaluatie geen rol hebben gespeeld bij de formulering van de Code Rechtstreeks verzekerde regelingen. Overigens bleek uit deze evaluatie dat de verzekeringsmaatschappijen de principes voor rechtstreeks verzekerde regelingen goed hebben opgepakt. Geconcludeerd wordt dat de informatievoorziening voor alle (actieve) verzekerden geregeld is en dat ook de afzonderlijke aandacht voor de rechtstreekse regeling in het interne toezicht is georganiseerd. Verder hebben de verzekeraars brede en eenvoudige toegankelijke klachtenregelingen. (Inventarisatie Principes voor goed pensioenfondsbestuur, SER, 19 maart 2009).
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State om aan te geven of de nieuwe code door andere organisaties wordt onderschreven, is de nota van toelichting op dit punt aangevuld.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(1) Wijziging van artikel 11, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. Daarbij wordt uitgegaan van de tekst van artikel 11 zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 december 2013, Stb. 2013, 581, die met ingang van 1 juli 2014 in werking zal treden.
(2) Inventarisatie Principes voor goed pensioenfondsbestuur, SER, 19 maart 2009 (zie ook Kamerstukken II 2009/10, 28 294, nr. 37).
(3) Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 14, blz. 2.
(4) Stichting van de Arbeid, Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties, Stichting voor Ondernemingspensioenfondsen, Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen en Verbond van Verzekeraars. De principes werden na afloop onderschreven door de Unie van Beroepspensioenfondsen.