Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Zorgindicatiebesluit in verband met de indicatiestelling voor personen die niet in Nederland wonen, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W13.13.0437/III
- Datum advies
- 30 januari 2014
- Vindplaats
- Staatscourant 2015, nr. 3377
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Zorgindicatiebesluit in verband met de indicatiestelling voor personen die niet in Nederland wonen, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 4 december 2013, no.2013002506, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Zorgindicatiebesluit in verband met de indicatiestelling voor personen die niet in Nederland wonen, met nota van toelichting.
In het ontwerpbesluit wordt het Centrum indicatiestelling zorg (hierna: CIZ) aangewezen als het indicatieorgaan, bedoeld in artikel 9a van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (hierna: de AWBZ), voor personen die niet in Nederland wonen, maar tijdens hun verblijf in Nederland aanspraak hebben op AWBZ-zorg. Thans is voor deze groep verzekerden geen indicatieorgaan aangewezen, maar wordt deze taak in de praktijk verricht door een door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen zorgverzekeraar.
De Afdeling advisering onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen over de grondslag van de bevoegdheid van het CIZ om in het buitenland wonende zorgvragers op te roepen voor onderzoek en over de geldigheidsduur van het indicatiebesluit. Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Onderzoek in persoon
a. Ingevolge het in het ontwerpbesluit opgenomen artikel 4, derde lid, van het Zorgindicatiebesluit kan het indicatieorgaan een in het buitenland wonende zorgvrager verzoeken zich ten behoeve van het onderzoek in persoon te melden, indien daartoe aanleiding bestaat. De daaraan verbonden reis- en verblijfskosten zijn voor rekening van de zorgvrager, aldus de tweede volzin van dat lid. Volgens de (artikelsgewijze) toelichting wordt het redelijk geacht deze kosten voor rekening van de betrokkene zelf te doen komen, aangezien het een wens - en geen noodzaak of verplichting - van betrokkene is om in Nederland een verstrekking in te roepen.
De bevoegdheid om de verzekerde voor nader onderzoek op te roepen wordt in het ontwerpbesluit gebaseerd op artikel 9a, vierde lid, van de AWBZ. Op grond hiervan kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan de indicatieorganen werkzaamheden worden opgedragen die verband houden met de taken die bij de AWBZ zijn opgedragen. Naar het oordeel van de Afdeling bevat deze bepaling geen grondslag voor een bevoegdheid om in het buitenland wonende verzekerden op te roepen voor onderzoek. (zie noot 1)
De Afdeling concludeert dan ook dat artikel 9a, vierde lid, van de AWBZ geen toereikende grondslag bevat voor de in het ontwerpbesluit opgenomen bevoegdheid om verzekerden op te roepen voor onderzoek. Zij adviseert om de inwerkingtreding van het voorgestelde artikel 4, derde lid, Zorgindicatiebesluit uit te stellen tot alsnog is voorzien in een wettelijke delegatiegrondslag voor dit artikel.
Onverminderd het voorgaande merkt de Afdeling nog het volgende op.
b. Uit de toelichting wordt niet duidelijk in welke gevallen er aanleiding bestaat om zo’n nader onderzoek te doen plaatsvinden. Evenmin wordt duidelijk of verzekerden verplicht worden om uitsluitend voor dit onderzoek vanuit het buitenland naar Nederland te reizen of dat het mogelijk is om in opdracht van het CIZ aanvullend onderzoek in de woonplaats van de verzekerde in het buitenland te laten verrichten. Daarbij is van belang dat de indicatiestelling voor buitenlandse verzekerden volgens de toelichting zoveel mogelijk moet plaatsvinden volgens de systematiek en de werkwijze bij de indicatiestelling voor inwoners van Nederlandse gemeenten. Het Zorgindicatiebesluit bevat thans echter geen mogelijkheid om in Nederland wonende verzekerden op te roepen voor nader onderzoek. Dit roept de vraag op waarom thans alleen voor verzekerden in het buitenland de genoemde bepaling wordt voorgesteld.
De Afdeling adviseert in de toelichting op bovenstaande punten in te gaan.
2. Geldigheidsduur van het indicatiebesluit
Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het in het ontwerpbesluit opgenomen Zorgindicatiebesluit heeft het indicatiebesluit een maximale geldigheidsduur van zes maanden welke eenmalig kan worden verlengd met maximaal zes maanden. Volgens de (artikelsgewijze) toelichting zal een verdragsgerechtigde die daarna nog aanspraak wil maken op een AWBZ-verstrekking doorgaans kunnen worden aangemerkt als ingezetene en daarmee verzekerd worden ingevolge de AWBZ.
Volgens (het algemeen deel van) de toelichting vallen ook grensarbeiders en hun gezinsleden onder de werking van dit besluit. Het valt niet uit te sluiten dat deze verzekerden langer dan een jaar een beroep moeten doen op een AWBZ-voorziening (bijvoorbeeld ambulante zorg). Uit de toelichting wordt niet duidelijk of deze categorieën verzekerden na een jaar nog aanspraak kunnen maken op ambulante AWBZ-zorg zonder naar Nederland te moeten verhuizen of dat dan opnieuw een indicatie kan worden aangevraagd. Indien deze categorie verzekerden na een jaar geen aanspraak meer kan maken op zo’n AWBZ-voorziening, is de vraag aan de orde hoe deze maximale geldigheidsduur zich verhoudt tot het in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 883/2004 (hierna: de coördinatieverordening) opgenomen beginsel van gelijke behandeling. (zie noot 2) Ook als deze verzekerden na een jaar een nieuwe indicatie kunnen aanvragen, blijft deze vraag relevant, omdat de maximale geldigheidsduur van indicatiebesluiten voor in Nederland wonende verzekerden vijftien jaar bedraagt. (zie noot 3)
De Afdeling adviseert in de toelichting op het vorenstaande in te gaan en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.
3. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W13.13.0437/III
- In artikel 4 regelen vanaf welk tijdstip wijzigingen in de coördinatieverordening doorwerken in het besluit.
- In artikel 4, eerste lid, tevens verwijzen naar de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, haar lidstaten en de Zwitserse Bondsstaat over het vrije verkeer van personen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 28 maart 2014
De Afdeling advisering onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen over de grondslag voor de bevoegdheid van het CIZ om in het buitenland wonende zorgvragers op te roepen voor onderzoek en over de geldigheidsduur van het indicatiebesluit. Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Onderzoek in persoon
De Afdeling concludeert dat artikel 9a, vierde lid, van de AWBZ geen toereikende grondslag bevat voor de in het ontwerpbesluit opgenomen bevoegdheid om verzekerden op te roepen voor onderzoek. Het advies van de Afdeling om de inwerkingtreding van het voorgestelde artikel 4, derde lid, Zorgindicatiebesluit uit te stellen tot alsnog is voorzien in een wettelijke delegatiegrondslag voor dit artikel, heeft mij bij nadere overweging aanleiding gegeven om deze bevoegdheid uit het ontwerpbesluit te schrappen. Daaraan liggen de volgende redenen ten grondslag.
Ten eerste bevat het Zorgindicatiebesluit geen gelijkluidende verplichting voor AWBZ-verzekerden. Hoewel aanvullende informatie ten behoeve van de indicatiestelling bij AWBZ-verzekerden doorgaans makkelijker te verkrijgen is, bijvoorbeeld door middel van een huisbezoek door een medewerker van het CIZ, acht ik een verzoek tot het verschijnen in persoon bij het CIZ voor de categorie personen die niet in Nederland woont bij nader inzien niet proportioneel. Er zijn minder vergaande wijzen denkbaar om informatie te verkrijgen die nodig is om tot een indicatiebesluit te komen, zoals telefonisch contact of het stellen van nadere schriftelijke vragen.
Verder kan het CIZ ervoor kiezen om, indien er na het inwinnen van nadere informatie onduidelijkheid blijft over de exacte omvang van de zorgbehoefte, een indicatiebesluit te nemen met een geldigheid van enkele weken en de zorgbehoefte van betrokkene nader vast te stellen zodra de betreffende persoon in Nederland is. Op basis van daarvan kan vervolgens een nieuw indicatiebesluit worden genomen.
Gezien het voorgaande is er geen aanleiding meer om, zoals de Afdeling adviseert, in de toelichting nader in te gaan op de vraag in welke gevallen er aanleiding bestaat om een dergelijk nader onderzoek te doen plaatsvinden.
2. Geldigheidsduur van het indicatiebesluit
De Afdeling concludeert dat uit de toelichting niet duidelijk wordt of grensarbeiders en hun gezinsleden na het verlopen van de geldigheidsduur van het indicatiebesluit nog een beroep kunnen doen op bijvoorbeeld ambulante AWBZ-zorg zonder naar Nederland te hoeven verhuizen of dat dan opnieuw een indicatie kan worden aangevraagd. In dat kader stelt de Afdeling, mede tegen de achtergrond van de maximale geldigheidsduur van indicatiebesluiten voor in Nederland wonende verzekerden van maximaal 15 jaar, de vraag hoe de maximale geldigheidsduur van een indicatiebesluit voor deze categorieën personen zich verhoudt tot het in artikel 4 van Verordening (EG) Nr. 883/2004 neergelegde beginsel van gelijke behandeling.
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling om in de toelichting op deze punten in te gaan en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen is de toelichting aangevuld.
3. Redactionele kanttekeningen
Aan de redactionele kanttekeningen van de Afdeling is aandacht besteed. Daarbij wordt opgemerkt dat het niet noodzakelijk is om in artikel 4 te regelen vanaf welk tijdstip wijzigingen in de coördinatieverordening doorwerken in het besluit, omdat Europese verordeningen rechtstreeks werking hebben en er in voorkomend geval (bijvoorbeeld bij wijzigingen van de verordening met betrekking tot de omvang van dit recht op zorg) vlot in een aanpassing van het Zorgindicatiebesluit kan worden voorzien.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerp-besluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(1) Zie onder meer Kamerstukken II 1995/96, 24 606, nr. 3, blz. 5-6.
(2) Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van sociale zekerheidsstelsels (PB 2004 L 166).
(3) Artikel 15, tweede lid van het Zorgindicatiebesluit jo. artikel 1, eerste lid, van de Zorgindicatieregeling.