Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit energieprestatie gebouwen in verband met de implementatie van de artikelen 2, 11, achtste lid, en 13 van richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W04.13.0395/I
- Datum advies
- 28 november 2013
- Vindplaats
- Staatscourant
- Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit energieprestatie gebouwen in verband met de implementatie van de artikelen 2, 11, achtste lid, en 13 van richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 11 november 2013, no.13.002310, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Wonen en Rijksdienst, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit energieprestatie gebouwen in verband met de implementatie van de artikelen 2, 11, achtste lid, en 13 van richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit wijzigt het Besluit energieprestatie gebouwen en implementeert de verplichtingen uit artikelen 2, 11, achtste lid, en 13 van Richtlijn 2010/31/EU (hierna: de herziene EPBD-richtlijn). Het ontwerpbesluit regelt wanneer men in het bezit moet zijn van een energieprestatiecertificaat en stelt verplicht dat bij bepaalde gebouwen die veelvuldig door het publiek worden bezocht het energieprestatiecertificaat op een duidelijk zichtbare plaats wordt ophangen, de zogeheten afficheringsplicht. (zie noot 1) De herziene EPBD-richtlijn had geïmplementeerd moeten zijn op 9 juli 2012.
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking over de trage en verbrokkelde implementatie van de richtlijn. Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
Het ontwerpbesluit omvat opnieuw slechts een klein onderdeel van de verplichting om de herziene EPBD-richtlijn in zijn geheel deugdelijk te implementeren.
In de toelichting wordt alleen in de transponeringstabel aandacht besteed aan de onvolledige implementatie. Daar wordt vermeld dat voor de artikelen 12 en 27 van de herziene EPBD-richtlijn - de artikelen die betrekking hebben op de verplichting om een energieprestatiecertificaat te verstrekken bij de bouw, verkoop of verhuur van een gebouw (artikel 12) en de verplichting sancties te stellen op inbreuken op de richtlijnbepalingen (artikel 27) - de implementatie "in voorbereiding" is.
De late en verbrokkelde implementatie van de herziene EPBD-richtlijn levert voor de particulier een ondoorzichtige rechtssituatie op die onvoldoende kan worden gesanctioneerd. (zie noot 2) In het licht van bovenstaande merkt de Afdeling over de nog niet geïmplementeerde artikelen 12 en 27 het volgende op.
a. De lidstaten dienen voor wat betreft artikel 12 te voorzien in een verplichting om bij de verkoop of verhuur van een gebouw of gebouwunit een energieprestatiecertificaat of een kopie daarvan te tonen aan de toekomstige nieuwe huurder of koper, en een verplichting om het te overhandigen aan de koper of nieuwe huurder. Volgens de transponeringstabel zal deze verplichting ook worden geïmplementeerd in het Besluit energieprestatie gebouwen. Niet duidelijk is waarom artikel 12 niet ook in het voorliggende ontwerpbesluit wordt omgezet.
De Afdeling adviseert hier in de toelichting op in te gaan en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.
b. De lidstaten zijn verplicht doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties te stellen op inbreuken op de krachtens de herziene EPBD-richtlijn vastgestelde nationale bepalingen. De Minister heeft in brieven van 16 mei 2013 en 29 augustus 2013, alsmede in het debat van 23 mei 2013, aan de Kamer aangegeven hoe hij aan deze verplichting wenst te voldoen. (zie noot 3) In de transponeringstabel geeft de Minister aan dat de Woningwet hiervoor moet worden aangepast.
Omdat de goede toepassing van de materiële bepalingen van de richtlijn mede afhankelijk is van sancties, adviseert de Afdeling het aangekondigde wetsvoorstel snel in procedure te brengen en de toelichting bij het ontwerpbesluit aan te vullen met een toegespitste en actuele tijdsplanning.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 5 december 2013
De Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) merkt op dat de implementatie van richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen traag en verbrokkeld is en stelt dat dit voor de particulier een ondoorzichtige rechtssituatie oplevert. In dat licht adviseert de Afdeling om in de toelichting meer in te gaan op de implementatie van artikel 12 van de richtlijn en duidelijk te maken waarom dit artikel niet in het voorliggende ontwerpbesluit wordt geïmplementeerd. Dit artikel betreft de verplichting om bij de verkoop of verhuur van een gebouw of gebouwunit een energieprestatiecertificaat of een afschrift daarvan te verstrekken aan de koper of nieuwe huurder. Tevens adviseert de Afdeling het wetsvoorstel waarmee invulling wordt gegeven aan de verplichting van artikel 27 van de richtlijn om doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties vast te stellen snel in procedure te brengen en de toelichting aan te vullen met een actuele tijdsplanning ten aanzien van dit wetsvoorstel.
Het kabinet onderschrijft de constatering dat de implementatie van richtlijn 2010/31/EU in onderdelen plaatsvindt waardoor er sprake is van enige verbrokkeling. Het wetsvoorstel waarmee in eerste instantie het grootste deel van de richtlijn werd geïmplementeerd is door de Tweede Kamer in november 2012 verworpen. Daardoor is vertraging ontstaan bij de implementatie van deze richtlijn. Teneinde toch zo snel mogelijk de richtlijn te implementeren is ervoor gekozen om telkens ieder onderdeel waarover overeenstemming is bereikt te implementeren. Omdat ieder besluit waarmee een onderdeel van de richtlijn wordt omgezet, is voorzien van een transponeringstabel en een toelichting wordt voorkomen dat er voor de particulier een ondoorzichtige rechtssituatie ontstaat.
Naar aanleiding van de adviezen is in de toelichting verduidelijkt dat artikel 12 van de richtlijn geïmplementeerd zal worden nadat de Tweede Kamer akkoord is gegaan met de vereenvoudiging van het energieprestatiecertificaat voor woningen. Tevens is thans in de toelichting opgenomen dat het wetsvoorstel waarmee een sanctie wordt toegevoegd aan de Woningwet begin 2014 bij de Tweede kamer wordt ingediend.
Ten slotte is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de inwerkingtredingsbepaling aan te passen zodat de inwerkingtreding plaatsvindt met ingang van een in het besluit genoemde datum.
De minister voor Wonen en Rijksdienst
(1) Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking), PbEU L 153/13.
(2) In arrest C-177/04 van 14 maart 2006, Commissie / Frankrijk, Jurispr. I-2479, ro. 48, overwoog het Hof van justitie het volgende: "elke lidstaat aan richtlijnen uitvoering moet geven op een wijze die ten volle voldoet aan de door de communautaire wetgever gestelde vereisten van rechtsduidelijkheid en -zekerheid,zulks in het belang van de betrokkenen. (…) De bepalingen ter omzetting van een richtlijn moeten aldus met name een voldoende nauwkeurige, duidelijke en doorzichtige rechtssituatie creëren, zodat de particulier zal zijn rechten en plichten kan kennen en zijn rechten zo nodig voor de nationale rechterlijke instanties kan doen gelden"; zie ook arrest C-354/99 van 18 oktober 2001, Commissie / Ierland, Jurispr. I-7657, ro. 27; arrest C-29/84 van 23 mei 1985, Commissie / Duitsland, Jurispr. I-1667, ro. 22-23;
(3) Kamerstukken II 2012/13, 32 757, nr. 63; Kamerstukken II 2012/13, 30 192, nr. 201; Kamerstukken II 2012/13, 32 757, nr. 73.