Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen en enige andere besluiten in verband met het beloningsbeleid en enige andere wijzigingen, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W12.13.0191/III
- Datum advies
- 17 juli 2013
- Vindplaats
- -
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen en enige andere besluiten in verband met het beloningsbeleid en enige andere wijzigingen, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit werkt op een aantal onderdelen de Wet versterking bestuur pensioenfondsen nader uit. Het gaat onder meer om de invulling van beheerst beloningsbeleid bij een pensioenfonds, de bepaling van het moment van toetsing op geschiktheid en betrouwbaarheid door De Nederlandsche Bank (DNB) en nadere regels om te waarborgen dat bestuurders en toezichthouders van pensioenfondsen voldoende tijd beschikbaar hebben om hun functie naar behoren uit te oefenen.
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking over het voorgestelde artikel 35a van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna: het besluit). Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Tijdsbeslag bestuurders en toezichthouders
In de Wet versterking bestuur pensioenfondsen is bepaald dat bestuurders en leden van de raad van toezicht van een pensioenfonds voldoende tijd beschikbaar moeten hebben om hun functie naar behoren uit te oefenen.(zie noot 1) In het ontwerpbesluit wordt dit voorschrift nader uitgewerkt. Uitgangspunt van deze regeling is dat een bestuurder of toezichthouder in alle gevallen maximaal 1 voltijd equivalent (fte) aan bestuurs- en toezichthoudende functies mag vervullen. Vervolgens worden aan de verschillende functies gewichten gekoppeld.(zie noot 2) Als deze opgeteld boven 1 volledige fte uitkomen, dan mag de bestuurder of toezichthouder de laatste functie bij een rechtspersoon of pensioenfonds niet aannemen.
Uit de toelichting blijkt dat de gevolgen van het bepaalde in het voorgestelde artikel 35a van het besluit op pensioenfondsen groot zijn. In een significant aantal gevallen zullen fondsen op zoek moeten gaan naar vervangende bestuurders, die vaak ook nog (extra) opgeleid zullen moeten worden om aan de geschiktheidseis te kunnen voldoen. Een deel van de bestuurders en interne toezichthouders zal niet per 1 juli 2013 aan de norm uit het eerste lid van het voorgestelde artikel 35a kunnen voldoen waardoor het risico van een onvoldoende bezetting van het bestuur en de raad van toezicht bij een aantal fondsen bestaat.(zie noot 3) Daarom zal op grond van het voorgestelde artikel 52a van het besluit, het genoemde artikel 35a niet van toepassing zijn op benoemingen vóór 1 juli 2014, aldus de toelichting.
a. De Afdeling heeft in haar advies bij de Wet versterking bestuur pensioenfondsen de vraag opgeworpen of in Nederland voldoende aanbod van deskundigheid aanwezig is om aan de vraag van pensioenfondsen te kunnen voldoen.(zie noot 4) De Afdeling wijst bovendien op alle ingrijpende wijzigingen waarmee de fondsen op korte termijn worden geconfronteerd, waarbij goed bestuur en versterking van het bestuur van de fondsen essentieel is. Uit de toelichting bij het ontwerpbesluit blijkt dat het huidige aanbod deskundige personen dat beschikbaar is voor bestuurs- of toezichthoudende functies nog onvoldoende is. Uit de toelichting blijkt echter niet of en hoe in afdoende aanvullend aanbod van deskundigen voor bestuurs- en toezichthoudende functies kan worden voorzien. Op de nieuw te benoemen bestuursleden of leden van een raad van toezicht is tot 1 juli 2014 het voorgestelde artikel 35a nog niet van toepassing. Uit de toelichting blijkt niet op grond waarvan mag worden verondersteld dat na die datum er voldoende deskundige personen kunnen worden benoemd die bovendien aan de eisen van artikel 35a voldoen. Uit de toelichting blijkt ook niet of en zo ja in welke mate de beperkingen die gelden voor bestuurders en toezichthouders in naamloze en besloten vennootschappen(zie noot 5) een drempel kunnen opwerpen bij benoemingen in een pensioenfonds. Uit de toelichting blijkt evenmin wat de consequenties zijn voor de pensioenfondsen als na de genoemde datum niet aan de genoemde eisen bij benoemingen kan worden voldaan. Gelet daarop lijkt het risico van invoering van het voorgestelde artikel 35a groot en de tijd tot 1 juli 2014 te kort om aan de hiervoor genoemde problemen het hoofd te kunnen bieden.
De Afdeling adviseert de toelichting in het licht van het bovenstaande aan te vullen en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.
b. In het voorgestelde artikel 35a, tweede, derde en vierde lid, van het Besluit wordt een weging toegekend aan bestuurs- en toezichthoudende functies bij grote pensioenfondsen(zie noot 6), kleine pensioenfondsen(zie noot 7)en rechtspersonen. Zo telt ingevolge artikel 35a, derde lid, onderdeel a, van het besluit als voltijd equivalent bij grote fondsen een functie als bestuursvoorzitter ten minste als 0,6. In de toelichting wordt opgemerkt dat de woorden ‘ten minste’ laten zien dat het hier minimumnormen betreft.
De Afdeling merkt op dat uit de tekst van het ontwerpbesluit noch uit de toelichting blijkt wie bepaalt of aan een bepaalde functie een zwaardere weging moet worden toegekend dan het minimum zoals dat in het ontwerpbesluit is opgenomen. Evenmin blijkt uit het ontwerpbesluit op welke wijze dat moet worden bepaald. Dit kan ertoe leiden dat bij benoemingen na 1 juli 2014 discussie kan ontstaan tussen het pensioenfonds en DNB als toezichthouder, ten aanzien van kandidaat bestuurders of leden van een toezichthoudend orgaan als DNB meent dat aan de hoofdfunctie een zwaarder gewicht moet worden toegekend.
De Afdeling adviseert hierop in de toelichting in te gaan en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.
2. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W12.13.0191/III
- In het in artikel I, onderdeel B, in te voegen tweede lid, van artikel 20 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen tot uitdrukking brengen dat de beperking tot het niveau van beleidsbepalers of medebeleidsbepalers van het verbod op personele unies tussen het fonds en derden waaraan werkzaamheden worden uitbesteed, alleen geldt voor het fonds.
- In artikel IV een datum van inwerkingtreding opnemen die in de toekomst is gelegen.
Nader rapport (reactie op het advies) van 29 juli 2013
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert om uit de nota van toelichting te laten blijken op grond waarvan mag worden verondersteld dat er voldoende deskundige pensioenfondsbestuurders en – toezichthouders zullen zijn om de benodigde werkzaamheden bij pensioenfondsen te kunnen verrichten, of anders het besluit aan te passen. De nota van toelichting is conform het advies aangevuld.
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert bovendien om de toelichting zodanig aan te passen dat duidelijk is wie bepaalt of aan een bepaalde functie een zwaardere weging moet worden toegekend dan aan het minimum zoals dat in het besluit is omschreven. Hieraan is geen gevolg gegeven, aangezien in de nota van toelichting is aangegeven dat De Nederlandsche Bank dat bepaalt.
Naar aanleiding van de redactionele opmerkingen zijn de inwerkingtredingsbepaling en de toelichting aangepast. Verder is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een opschrift aan te vullen.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(1) Artikel V, onderdeel Ba en artikel VI, onderdeel B. (artikel 105a van de Pensioenwet en artikel 110a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling).
(2) Bijvoorbeeld : bij een rechtspersoon telt als voltijdsequivalent voor de functie als bestuursvoorzitter of bestuurder tenminste als 0,6; bij een groot pensioenfonds is dat voor de bestuursvoorzitter tenminste als 0,6 en voor de bestuurder ten minste als 0,4.
(3) Artikelsgewijze toelichting bij artikel II, onderdeel H.
(4) Kamerstukken II 2011/2012, 32 182, nr. 4.
(5) Wet van 6 juli 2011 (Staatsblad, 2011 275) , zoals gewijzigd bij de Wet van 27 september 2012 (Staatsblad, 2012 440).
(6) Een fonds met meer dan €10 miljard beheerd vermogen.
(7) Een fonds met een beheerd vermogen van niet meer dan € 10 miljard.