Voorstel van wet tot wijziging van de Wet aansprakelijkheid kernongevallen in verband met de toepassing van artikel 1, onderdeel b, van het Verdrag van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van kernenergie, met memorie van toelichting.
- Kenmerk
- W06.13.0044/III
- Datum advies
- 13 maart 2013
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2012/2013, 33 660, nr. 4
- Financiën
- Wet
Toon inhoud
Voorstel van wet tot wijziging van de Wet aansprakelijkheid kernongevallen in verband met de toepassing van artikel 1, onderdeel b, van het Verdrag van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van kernenergie, met memorie van toelichting.
Het voorstel bevat regels die betrekking hebben op het Verdrag van Parijs inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie (hierna: het Verdrag). (zie noot 1) Het voorstel houdt in dat de Minister van Financiën in Nederland gelegen kerninstallaties van de toepassing van dat verdrag kan uitsluiten. Bij toepassing van die bevoegdheid kan tevens worden bepaald dat de exploitant van de kerninstallatie aansprakelijk blijft voor schade waarop ten gevolge van dat besluit het Verdrag van Parijs niet meer van toepassing is. (zie noot 2) De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt een opmerking over de afbakening van de voorgestelde bevoegdheid. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.
Krachtens artikel 1, onderdeel b, van het Verdrag kan de Bestuurscommissie van het OESO-Agentschap voor Kernenergie (hierna: de Bestuurscommissie), indien naar haar mening de geringe omvang van de betrokken risico’s dit rechtvaardigt, kerninstallaties, splijtstoffen of splijtbare stoffen van toepassing van het Verdrag uitzonderen. In 1990 heeft de Bestuurscommissie een dergelijk besluit genomen ten aanzien van kerninstallaties die in het proces van ontmanteling verkeren. (zie noot 3)
Het voorstel bepaalt dat de Minister van Financiën, met inachtneming van de besluiten van de Bestuurscommissie ex artikel 1, onderdeel b, van het Verdrag, in Nederland gelegen kerninstallaties van de toepassing van dat verdrag kan uitsluiten, indien de geringe omvang van de betrokken risico’s in relatie tot de kosten van de verdragsverplichtingen dat naar zijn oordeel rechtvaardigen.
De Afdeling stelt vast dat het bovengenoemde besluit uit 1990 het enige besluit is dat de Bestuurscommissie tot op heden heeft genomen met betrekking tot de uitsluiting van kerninstallaties van de toepassing van het Verdrag. (zie noot 4) Uit de toelichting is niet duidelijk waarom de voorgestelde bevoegdheid op dit moment niet wordt beperkt tot dat besluit.
Voor zover er rekening mee zou worden gehouden dat de Bestuurscommissie in de toekomst een of meer nieuwe besluiten zal nemen over de uitsluiting van kerninstallaties van de toepassing van dit Verdrag, kan op dit moment niet goed worden beoordeeld of het nodig en wenselijk zal zijn dat de Minister van Financiën ter implementatie van die besluiten in Nederland de thans voorgestelde bevoegdheid uitoefent en daarbij een zelfstandige afweging kan maken tussen de geringe omvang van de risico’s enerzijds en de kosten van de verdragsverplichtingen anderzijds.
De Afdeling adviseert, gelet op het bovenstaande, in de toelichting in te gaan op de vraag of op afzienbare termijn nieuwe besluiten van de Bestuurscommissie over de uitsluiting van kerninstallaties van de toepassing van dit Verdrag te verwachten zijn, zodat het zinvol en verantwoord is om in het onderhavige voorstel daar al rekening mee te houden. Indien dit niet het geval is, geeft de Afdeling in overweging de voorgestelde bevoegdheid te beperken tot het besluit uit 1990.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 10 juni 2013
Naar aanleiding van het advies is de toelichting aangevuld met een passage over de keuze voor een meer algemene grondslag in plaats van een artikel dat uitsluitend uitvoering geeft aan het uit 1990 stammende besluit van de Bestuurscommissie van het OESO-Agentschap voor Kernenergie. In algemene zin moet er inderdaad rekening mee worden gehouden dat de Bestuurscommissie in de toekomst nog meer besluiten kan nemen.
Ik moge U, mede namens mijn ambtsgenoot van Veiligheid en Justitie, Buitenlandse Zaken en Economische Zaken, verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Financiën
(1) Trb. 1961, nr. 27.
(2) Artikel I (artikel 5a).
(3) Besluit van de Bestuurscommissie van 20 april 1990, [NE/M(90)1].
(4) Nuclear Energy Agency, Paris Convention, Decisions Recommendations, Interpretations, Paris 1990.
Gehele tekst ontwerpregeling met toelichting (pdf, 84 kB)