Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met de kennis van de Nederlandse taal voor houders van een certificaat van vakbekwaamheid en dienstverrichters die tijdelijk en incidenteel in een gereglementeerd beroep arbeid verrichten, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W12.13.0087/III
- Datum advies
- 3 mei 2013
- Vindplaats
- -
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met de kennis van de Nederlandse taal voor houders van een certificaat van vakbekwaamheid en dienstverrichters die tijdelijk en incidenteel in een gereglementeerd beroep arbeid verrichten, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 11 april 2013, no.13.000700, heeft Hare Majesteit Koningin Beatrix, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in verband met de kennis van de Nederlandse taal voor houders van een certificaat van vakbekwaamheid en dienstverrichters die tijdelijk en incidenteel in een gereglementeerd beroep arbeid verrichten, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit strekt ertoe voor gereglementeerde beroepen de beroepsbeoefenaar bij tijdelijke en incidentele dienstverrichting te laten beschikken over een voor het verrichten van de betreffende werkzaamheden voldoende beheersing van de Nederlandse taal teneinde de voorgeschreven werkzaamheden op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren. Deze taaleis geldt al langer voor beroepsbeoefenaars bij permanente dienstverrichting in Nederland(zie noot 1) maar het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) wordt zodanig gewijzigd dat de taaleis ook gaat gelden voor beroepsbeoefenaars bij tijdelijke en incidentele dienstverrichting in Nederland.
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking met betrekking tot het vereiste van de Nederlandse taal. Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
Op de gereglementeerde beroepen is artikel 53 van Richtlijn 2005/36/EG van toepassing(zie noot 2) Deze bepaling is in Nederland omgezet in artikel 31 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties.(zie noot 3) Beide bepalingen vergen van beoefenaars van gekwalificeerde beroepen dat zij beschikken over de talenkennis die voor hun beroep in de ontvangende lidstaat is vereist.
Wanneer diensten slechts tijdelijk en incidenteel worden verricht, maakt een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde onderneming regelmatig gebruik van eigen personeel dat het Nederlands niet machtig is, maar wel een basiskennis bezit van een andere taal, zoals de Engelse of de Duitse taal. Met het oog hierop wordt in de toelichting op het ontwerpbesluit gesteld dat in een dergelijke situatie kan worden volstaan met een minimale beheersing van de Nederlandse taal als alle beroepsbeoefenaars die met elkaar samenwerken een andere (gemeenschappelijke) taal dan de Nederlandse in voldoende mate beheersen. De tekst van het voorgestelde artikel 1.5ha van het Arbeidsomstandighedenbesluit biedt deze mogelijkheid echter niet en vereist ook in die situatie onverkort kennis van de Nederlandse taal. Een dergelijke eis om onder bovengenoemde omstandigheden de Nederlandse taal te beheersen is niet noodzakelijk om de veiligheid en de gezondheid op de werkplek te waarborgen en staat dan ook op gespannen voet met het door het Unierecht vereiste beginsel van proportionaliteit. Er kan hier immers ook worden volstaan met een minder ingrijpende eis waarbij de betrokken beroepsbeoefenaars kunnen communiceren in een voor hen begrijpelijke taal op een zodanige wijze dat de veiligheid en de gezondheid op de werkplek is gewaarborgd, zoals in de toelichting ook wordt erkend. Deze conclusie sluit aan bij de strekking van het recente arrest van het Hof van Justitie van de EU in de zaak Las(zie noot 4)
Gelet op het voorgaande adviseert de Afdeling het ontwerpbesluit aan te vullen in die zin dat aan de taaleis eveneens is voldaan wanneer duidelijk is dat de beroepsbeoefenaar die de arbeid verricht en andere werknemers en personen die bij de arbeid zijn betrokken, onderling kunnen communiceren in een voor hen begrijpelijke taal op een zodanige wijze dat de veiligheid en de gezondheid op de werkplek is gewaarborgd.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 24 mei 2013
Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State aanleiding in overweging te geven het ontwerpbesluit zodanig aan te vullen dat aan de taaleis eveneens is voldaan wanneer duidelijk is dat de beroepsbeoefenaar die de arbeid verricht en andere werknemers en personen die bij de arbeid zijn betrokken, onderling kunnen communiceren in een voor hen begrijpelijke taal, anders dan het Nederlands, op zodanige wijze dat de veiligheid en de gezondheid op de werkplek is gewaarborgd is. Dit advies neem ik over.
Naar aanleiding hiervan is de tekst van artikel 1.5ha aangepast door toevoeging van een tweede lid. Tevens is de nota van toelichting aangepast.
Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om nog enkele uitsluitend technische aanpassingen in het ontwerpbesluit op te nemen.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(1) Artikel 1.5h van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
(2) Richtlijn 2005/36/EG van 7 september 2005 inzake de erkenning van beroepskwalificaties, Pb. EU (2005) L 255.
(3) Wet van 7 december 2007, Stb. 2007, 530.
(4) Las, HvJ EU 16 april 2013, zaak C-202/11, ov. 28-33