Ontwerpbesluit houdende regels in verband met het vaststellen van het dagloon op grond van de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Dagloonbesluit werknemersverzekeringen), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W12.13.0048/III
- Datum advies
- 19 april 2013
- Vindplaats
- Staatscourant 2013, nr. 15103
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende regels in verband met het vaststellen van het dagloon op grond van de Ziektewet, de Werkloosheidswet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Dagloonbesluit werknemersverzekeringen), met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit bevat nadere regels voor de vaststelling van het dagloon. Het dagloon dient als basis voor de berekening van een uitkering op grond van de werknemersverzekeringen. Het ontwerpbesluit is indirect ook van toepassing voor de vaststelling van het dagloon op grond van de Wet arbeid en zorg. Het ontwerpbesluit komt in de plaats van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (het besluit).
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking met betrekking tot de verlaagde wekeneis voor musici en artiesten. Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Verlaagde wekeneis musici en artiesten
Op grond van artikel 17 WW geldt als voorwaarde voor het recht op een WW-uitkering dat de werknemer in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek moet hebben gehad (hierna: de wekeneis). Op grond van artikel 17a, derde lid, WW kan bij algemene maatregel van bestuur voor bepaalde groepen werknemers het in artikel 17 WW bedoelde aantal van 36 kalenderweken hoger worden vastgesteld en het in dat onderdeel bedoelde aantal van 26 kalenderweken lager worden vastgesteld. Van deze bevoegdheid tot het vaststellen van een lagere wekeneis is gebruik gemaakt in het Besluit verlaagde wekeneis WW en Wet WIA (Besluit verlaagde wekeneis). Op grond van artikel 1 van het Besluit verlaagde wekeneis geldt voor musici, artiesten en filmmedewerkers een wekeneis van 16 uit 39. zie noot 1
Artikel 29 van het ontwerpbesluit trekt het Besluit verlaagde wekeneis in. Dit betekent dat musici, artiesten en filmmedewerkers minder snel dan thans voldoen aan de voorwaarden voor een WW-uitkering. Voor hen gelden na inwerkingtreding van het ontwerpbesluit dezelfde voorwaarden voor een WW-uitkering als voor andere werklozen.
Deze wijziging wordt in de toelichting gemotiveerd met het uitvoeringstechnische argument dat het vanuit een eenvoudige uitvoering wenselijk is om de regels op een zo breed mogelijke groep toe te passen en zo min mogelijk bijzondere regels te hanteren voor bijzondere doelgroepen. zie noot 2 Inhoudelijk wordt genoemde intrekking gemotiveerd met het argument dat er geen dragende motivering is voor het toepassen van een afwijkende gunstigere regeling voor deze groep en niet voor anderen die wisselende dienstbetrekkingen en inkomsten hebben. zie noot 3
De Afdeling merkt op dat ditzelfde inhoudelijke argument werd gebruikt in de nota van toelichting bij het Besluit verlaagde wekeneis WW en Wet WIA, waarmee de verlaagde wekeneis voor seizoenswerkers werd afgeschaft. zie noot 4 Daarin werd tevens opgemerkt dat de argumenten die werden genoemd voor afschaffing van de verlaagde wekeneis voor seizoenwerknemers niet of in mindere mate golden voor artiesten en musici. Afschaffing van de verlaagde wekeneis voor musici en artiesten vond de regering toen niet in de rede liggen. zie noot 5
Naar het oordeel van de Afdeling kan het afschaffen van de verlaagde wekeneis voor musici, filmmedewerkers en artiesten niet worden gemotiveerd met hetzelfde argument dat werd gehanteerd voor instandhouding daarvan.
Naar aanleiding van het voorgaande adviseert de Afdeling de toelichting aan te vullen.
2. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Afdeling naar de bij het advies behorende bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De vice-president van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W12.13.0048/III met redactionele kanttekeningen die de Afdeling in overweging geeft.
- Gelet op artikel 8, vierde lid, in artikel 9, eerste en tweede lid, "herziening" vervangen door: hernieuwde vaststelling.
- In artikel 9, tweede lid, "vindt plaats door" vervangen door: , bedoeld in het eerste lid, vindt plaats door (zodat het onderscheid met artikel 8, tweede tot en met vierde lid, duidelijk is).
Nader rapport (reactie op het advies) van 16 mei 2013
1. De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een opmerking met betrekking tot de verlaagde wekeneis voor musici en artiesten. Zij is van oordeel het afschaffen van de verlaagde wekeneis voor musici, filmmedewerkers en artiesten niet kan worden gemotiveerd met hetzelfde argument dat werd gehanteerd voor instandhouding daarvan. Naar aanleiding daarvan adviseert de Afdeling de toelichting aan te vullen.
Naar aanleiding van dit advies is de toelichting uitgebreid met betrekking tot de wijzigingen voor de musici en artiesten. Verwezen wordt naar de gewijzigde arbeidsmarkt waarin er een groeiende groep personen is die evenals musici en artiesten onregelmatig werkt en niet dezelfde gunstigere behandeling krijgt. Deze ontwikkeling maakt dat er onvoldoende argumenten zijn om de uitzonderingen voor musici en artiesten te handhaven.
2. De redactionele kanttekeningen van de afdeling Advisering van de Raad van State zijn verwerkt in de tekst van artikel 9 van het besluit.
3. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de vaststelling van het dagloon in de uitzendsector nader te bepalen in aansluiting op de wijze waarop in die sector wordt omgegaan met onderbreking van de werkzaamheden door een korte periode van ziekte. Bij ziekte van een uitzendkracht die werkzaam is in een uitzendovereenkomst met uitzendbeding eindigt de dienstbetrekking op het moment van intreden van de ziekte en heeft de uitzendkracht recht op ziekengeld. Bij een korte periode van ziekte hervat de uitzendkracht direct na afloop daarvan vaak de werkzaamheden in dienst van het uitzendbedrijf. De uitzendbedrijven administreren bij ziekte van de uitzendkracht de ziekteperiode niet als onderbreking van de dienstbetrekking. In de ziekteperiode ontvangt de uitzendkracht ziekengeld in plaats van loon. Voor de toepassing van het dagloonbesluit worden daarom naast het loon uit de laatste dienstbetrekking ook het loon uit de voorgaande dienstbetrekking en het ziekengeld uit de ziekteperiode alsmede de dagen van deze perioden ten grondslag gelegd aan het dagloon. Hiermee wordt het dagloon gebaseerd op hetgeen de uitzendkracht heeft genoten in verband met de werkzaamheden bij het uitzendbedrijf in het refertejaar. Deze situatie doet zich alleen voor in arbeidsrelaties met een uitzendbeding waarbij de dienstbetrekking eindigt bij ziekte. Dit is geregeld in een nieuw tweede lid van artikel 3, een aanvulling in het tweede lid van artikel 4, en een nieuw zesde lid van artikel 5.
Daarnaast zijn enkele overige redactionele verbeteringen aangebracht in diverse artikelen en in de toelichting. Dit betreft de artikelen 1, aanhef, onder b en e, 2, tweede lid, 6, vierde lid, 7, eerste en derde lid, 16, zesde lid, 17, derde en vierde lid, 23, 24, eerste lid, onderdeel a, 26, vierde lid, en 28, onderdeel C.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(1) Artikel 1, eerste lid, besluit verlaagde wekeneis WW en WIA:
1. Ten aanzien van de werknemer die in de periode onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in een onregelmatig arbeidspatroon uitsluitend of vrijwel uitsluitend als musicus of anderszins als artiest, dan wel als filmmedewerker arbeid in dienstbetrekking heeft verricht wordt:
a. het aantal weken waarin ten minste als werknemer arbeid moet zijn verricht, bedoeld in de artikelen 17 van de Werkloosheidswet en 58, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, gesteld op 16; en
b. de periode onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag, bedoeld in de in onderdeel a genoemde artikelonderdelen, gesteld op 39 weken.
(2) Nota van toelichting, paragraaf 3.
(3) Idem.
(4) Stb. 2006, 169, blz. 3.
(5) Idem.
Gehele tekst ontwerpregeling met toelichting