Ontwerpbesluit tot wijziging van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met de Aanwijzingen voor de subsidieverstrekking, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W02.10.0231/II
- Datum advies
- 15 juli 2010
- Vindplaats
- Staatscourant 2010, nr. 15921
- Buitenlandse zaken
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met de Aanwijzingen voor de subsidieverstrekking, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 7 juni 2010, no.10.001575, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken in verband met de Aanwijzingen voor de subsidieverstrekking, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit strekt tot het implementeren van de Aanwijzingen voor de subsidieverstrekking (hierna: de aanwijzingen) in het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze aanwijzingen zijn vastgesteld door de Minister-President met het doel een uniform kader te bieden voor een eenvoudiger uitvoering en beheer van subsidies. Zij moeten door alle ministers in acht worden genomen.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt daarbij kanttekeningen met betrekking tot eventuele staatssteun en de volledigheid van de toelichting.
1. Staatssteun
In het ontwerpbesluit wordt de mogelijkheid om afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing te verklaren geschrapt. Dit is in overeenstemming met aanwijzingen 10 en 14 van de aanwijzingen. In de aanwijzingen wordt echter ook gewezen op het feit dat subsidies kunnen leiden tot staatssteun als bedoeld in de artikelen 87 en 88 EG-verdrag.(zie noot 1) Het verstrekken van dergelijke subsidies is alleen onder voorwaarden mogelijk. Er moet in beginsel een melding worden gedaan bij de Europese Commissie, waarbij in veel gevallen een financiële verantwoording van de subsidieontvanger wordt gevraagd. In die gevallen is het blijkens de toelichting bij aanwijzing 11 niet mogelijk om de aanwijzingen 7 tot en met 10 onverkort toe te passen. Het betreft hier de aanwijzingen voor subsidies lager dan € 25.000, waarvoor geldt dat in principe geen financiële verantwoording wordt gevraagd. Weliswaar worden subsidies onder de € 25.000 normaliter door de Commissie als ''de minimis'' beschouwd en behoeven deze dan niet gemeld te worden, doch dit geldt niet indien via cumulatie van subsidies boven de vastgestelde drempelbedragen wordt uitgekomen, hetgeen zich met name bij subsidies in het kader van ontwikkelingssamenwerking geregeld zal voordoen. Ook aanwijzing 14, die ziet op subsidies tussen de € 25.000 en de € 125.000, schrapt de verplichting tot het vragen van financiële verantwoording. In het ontwerpbesluit wordt om die reden tevens voor die categorie de verplichting tot het overleggen van aanvullende stukken door de subsidieontvanger niet langer gesteld. Met het oog op mogelijke staatssteun, een mogelijkheid waaraan in het ontwerpbesluit en de daarbij behorende toelichting in het geheel geen aandacht wordt besteed, lijkt een regeling voor het vragen van een financiële verantwoording aan de subsidieontvanger indien dit door de Europese Commissie wordt verlangd, de Raad onontbeerlijk. Dit draagt ertoe bij onrechtmatige verlening van subsidie te voorkomen. Ook de aanvrager van de subsidie is daarbij gebaat. De Raad wijst er in dat verband op dat subsidies die in strijd met de artikelen 107 en 108 VWEU worden verstrekt, tot tien jaar na de verlening van de subsidie kunnen worden teruggevorderd door de Commissie(zie noot 2) of op last van de nationale rechter.(zie noot 3)
De Raad adviseert daarom in de toelichting bij het ontwerpbesluit nader aan te geven welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat onrechtmatige steun wordt verleend en zo nodig het ontwerpbesluit op dit punt aan te vullen.
2. Toelichting
Enkele wijzigingen van het ontwerpbesluit worden niet of onvoldoende toegelicht. Zo worden de onderdelen Q en T van artikel I niet toegelicht, terwijl het doel en de noodzaak van de inhoudelijke wijziging van het huidige besluit niet direct duidelijk zijn. De toelichting bij de onderdelen AA en BB van artikel I is naar het oordeel van de Raad te summier. Bij onderdeel AA wordt in de toelichting uitsluitend gesteld dat de termijnen in overeenstemming zijn gebracht met aanwijzing 17 van de aanwijzingen. De artikelen 29 tot en met 33 van het besluit, waarop onderdeel AA ziet, worden echter in hun geheel opnieuw vastgesteld, waarbij sprake is van andere wijzigingen dan uitsluitend die van termijnen. Bij onderdeel BB is het vervallen van de artikelen 34 tot en met 38 van het besluit in het geheel niet toegelicht. De Raad adviseert om de toelichting op deze punten aan te vullen.
3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende no.W02.10.0231/II met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In het besluit steeds dezelfde systematiek gebruiken indien er in een artikel meer dan één begrip wordt vervangen (zie bijvoorbeeld het verschil tussen de onderdelen L en R van artikel I).
- In artikel I, onderdelen A, V en CC, tot uitdrukking brengen dat niet alleen het opschrift van de afdeling wordt vervangen, maar dat de indeling in afdelingen in het besluit vervalt.
- Bij de formulering van artikel I, onderdelen B, F, tweede lid, M en W, aanwijzing 238 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar) in acht nemen.
- Artikel I, onderdelen F, eerste lid, en O, als volgt formuleren: Onder vernummering van …. tot …., vervalt ….
- In artikel I, onderdeel L, na "door" een dubbele punt invoegen.
- Het vervallen van artikel 19 in een apart onderdeel opnemen.
- In artikel I, onderdeel U, na "paragraaf 7" invoegen: (nieuw).
- Artikel I, onderdeel Z, laten vervallen, of daarin ook een wijziging van het eerste lid van artikel 28 opnemen met betrekking tot het begrip "subsidieverlening", om te bereiken dat in het eerste en tweede lid, dezelfde terminologie wordt gebruikt, aangezien het tweede lid uitsluitend van toepassing is op subsidies waarop het eerste lid ziet.
- De aanhef van artikel I, onderdeel BB als volgt formuleren:
1. Afdeling 3 vervalt.
2. Afdeling 4 wordt vervangen door:
- In artikel I, onderdeel BB, bij de wijziging van artikel 41, in het tweede lid de term 'subsidieverlening' vervangen door de term 'subsidieverstrekking'. Blijkens het eerste lid kan ook sprake zijn van een subsidie in de vorm van een vast bedrag, zodat het om een directe vaststelling kan gaan, waarbij bovendien sprake kan zijn van een aanzienlijke subsidie (ten hoogste € 125.000), zodat ook voor een subsidie die direct wordt vastgesteld, behoefte kan bestaan aan de in het tweede lid opgenomen mogelijkheid om achteraf verantwoording te vragen aan de subsidieontvanger.
- In de toelichting in een overzicht aangeven welke van de aanwijzingen zijn opgenomen in het ontwerpbesluit en welke een plaats krijgen in de afzonderlijke subsidiebeschikkingen.
- In de artikelsgewijze toelichting de keuze voor de term 'subsidieverlening' dan wel 'subsidieverstrekking' motiveren.
Nader rapport (reactie op het advies) van 23 september 2010
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan zijn advies aandacht zal zijn geschonken. Het advies van de Raad geeft aanleiding tot de volgende reactie.
Staatssteun.
Uit tekst en toelichting van het ontwerpbesluit kan worden afgeleid dat de Aanwijzingen niet één op één in het Subsidiebesluit herhaald zullen worden, maar dat het besluit zodanig zal worden aangepast, dat de belemmeringen voor de toepassing van de Aanwijzingen zullen worden weggenomen. Daarbij zal ernaar worden gestreefd om het besluit "verplichtingenarm" in te richten, zodat de subsidieontvanger zijn verplichtingen zo veel mogelijk uit de beschikking kent. Gelet op het voorgaande zal het besluit de subsidieontvanger derhalve niet meer verplichten tot het verstrekken van een financiële verantwoording. Als het wenselijk of noodzakelijk is om een dergelijke verplichting aan de subsidie te verbinden - bijvoorbeeld bij subsidies waarmee een bedrag van meer dan € 125.000 is gemoeid of subsidies die staatssteun kunnen meebrengen - zal een dergelijke verplichting in de beschikking worden neergelegd. Het besluit staat er immers niet aan in de weg dat in de subsidiebeschikking alsnog een verplichting tot financiële verantwoording zal worden opgenomen.Van deze mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt in de door Raad bedoelde gevallen waarin staatsteun aan de orde is. In de toelichting is dit verduidelijkt.
Toelichting. Artikel I, onderdeel Q, bevat een herschikking van een bepaling die thans reeds in het Subsidiebesluit is opgenomen. Onderdeel T brengt slechts een herformulering mee, die voortvloeit uit het eerder vermelde uitgangspunt dat het besluit verplichtingenarm zal worden ingericht. In de toelichting is hiervan alsnog melding gemaakt.
Artikel I, onderdeel AA, bevat, naast een regeling van de termijnen overeenkomstig de Aanwijzingen, enkele herschikte bepalingen (artikel 29, 30, tweede lid). In de toelichting is hiervan alsnog melding gemaakt.
Het vervallen van de artikelen 34 tot en met 38 is een uitvloeisel van de hiervoor reeds vermelde herschikking van bepalingen: artikel 34 is deels verwerkt in het nieuwe vierde lid van artikel 4 en deels in het nieuwe artikel 29, artikel 35, tweede lid, is verwerkt in het nieuwe artikel 30, tweede lid, artikel 36 is overbodig naast artikel 28, eerste lid, artikel 37 is verwerkt in het nieuwe artikel 24, artikel 38 is vervallen in verband met het streven om het besluit "verplichtingenarm" in te richten. In de toelichting is hiervan alsnog melding gemaakt.
Redactionele kanttekeningen.
De redactionele kanttekeningen die betrekking hebben op de formulering van de nieuw vast te stellen of te wijzigen tekst van het Subsidiebesluit alsmede de kanttekeningen die tot een verduidelijking van de gebezigde wijzigingsformules leiden en de kanttekeningen bij de toelichting zijn alle verwerkt. Daarbij wordt aangetekend dat de keuze voor de term subsidieverlening dan wel subsidieverstrekking voortvloeit uit het in artikel 1 neergelegde betekenisverschil, zoals uiteengezet in de toelichting bij die bepaling, en dat uit dien hoofde van een nadere toelichting kan worden afgezien.
Tenslotte is aan artikel III een invoeringsbepaling toegevoegd
De minister van Buitenlandse Zaken
(1) Inmiddels de artikelen 107 en 108 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU).
(2) Zie artikel 15 van Verordening 659/1999.
(3) Artikel 5 van de Kaderwet subsidies ministerie van Buitenlandse Zaken.