Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W03.03.0007/I

Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering inzake de regeling van onderzoek naar de aanwezigheid van een hiv-besmetting.

Kenmerk
W03.03.0007/I
Datum advies
4 april 2003
Vindplaats
Niet gepubliceerd
  • Justitie en Veiligheid
  • Wet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering inzake de regeling van onderzoek naar de aanwezigheid van een hiv-besmetting.

Bij Kabinetsmissive van 8 januari 2003, no.03.000046, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering inzake de regeling van onderzoek naar de aanwezigheid van een hiv-besmetting.

Het wetsvoorstel voorziet in de bevoegdheid om te onderzoeken of de verdachte van een misdrijf HIV-positief is, indien een redelijk vermoeden bestaat dat het slachtoffer van het misdrijf met HIV kan zijn besmet. De bevoegdheid kan worden uitgeoefend in het belang van het strafrechtelijk onderzoek of op verzoek van het slachtoffer met het oog op diens eventuele geneeskundige behandeling.
De officier van justitie krijgt alleen de bevoegdheid om celmateriaal van de verdachte dat al beschikbaar is, te laten onderzoeken.(zie noot 1) Het gaat dan om celmateriaal dat op de plaats van het delict of op of in het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen. De rechter-commissaris krijgt de bevoegdheid om bloed van de verdachte te doen afnemen met het oog op een HIV-test, mits er ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn.
De HIV-test kan op een later moment worden herhaald om uitsluitsel te krijgen over de vraag of de verdachte besmet is (als de verdachte nog maar kort geleden besmet is, is de besmetting nog niet aan te tonen). Indien zowel de verdachte als het slachtoffer HIV-positief zijn, kan in een vervolgonderzoek worden vastgesteld of het de verdachte is die het virus heeft overgedragen.
De Raad van State maakt naar aanleiding van het wetsvoorstel opmerkingen over de toelichting op het dubbele doel van het wetsvoorstel, namelijk zowel de strafvervolging als de bescherming van slachtoffers, over de beperking van de reikwijdte tot HIV, de procedurele rechten en enige andere onderwerpen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het wetsvoorstel wenselijk is.

1. Opsporing en slachtofferbescherming

a. De voorgestelde regeling dient zowel het strafrechtelijk onderzoek als de bescherming van slachtoffers. Met het wetsvoorstel wordt derhalve een principiële stap gezet, door - naast de tien jaar geleden totstandgekomen wetgeving ter versterking van de positie van de benadeelde partij - aan het slachtoffer ook bevoegdheden toe te kennen waarmee onderzoek inzake het risico van HIV-
besmetting kan worden gedaan. De Raad acht deze stap gerechtvaardigd door het feit dat bepaalde misdrijven de lichamelijke integriteit van slachtoffers in ernstige mate aantasten. In deze omstandigheden hebben slachtoffers een gerechtvaardigd belang bij het kennis kunnen nemen van de gevolgen van het misdrijf en van de gezondheidsrisico’s die zij lopen en bij het zo mogelijk nog kunnen verkrijgen van preventieve behandeling. Het college meent dat de toelichting dieper zou moeten ingaan op de juridische positie van het slachtoffer in een strafvorderlijke context, en deze beschouwing voorop zou moeten stellen. Daarvoor kunnen aanknopingspunten worden gevonden in het in 2002 uitgebrachte Derde interimrapport van het onderzoeksproject Strafvordering 2001.(zie noot 2) De Raad adviseert aan de argumentatie in dit rapport alsnog aandacht te schenken in de motivering van het wetsvoorstel.

b. De uitoefening van de in het wetsvoorstel vervatte bevoegdheden dient te voldoen aan de beperkingsclausules van artikel 8, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het college adviseert in de memorie van toelichting een systematisch exposé op te nemen over de vraag hoe de twee onderscheiden doelstellingen van het wetsvoorstel zich tot deze verdragsbepaling verhouden, mede gezien de uit het KNMG-advies blijkende bedenkingen inzake de volledige medewerking van artsen.(zie noot 3) Wat betreft de ter rechtvaardiging in te roepen beperkingsgrond(en), wijst de Raad op het feit dat - uiteraard naast het voorkomen van strafbare feiten - de bescherming van de gezondheid en van de rechten en vrijheden van anderen van belang zijn. Daarbij zal in aanmerking moeten worden genomen dat het kan gaan om misdrijven met gevolgen die diep ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer en de onschendbaarheid van het lichaam.
Het onderscheid tussen de beide doelstellingen van de bevoegdheid is ook hier van betekenis. Bij onderzoek in het belang van het slachtoffer wordt immers rechtstreeks de bescherming van haar of zijn rechten beoogd; bij onderzoek met een strafvorderlijk doel gaat het indirect om bescherming van zulke belangen, naast het algemene belang van het voorkomen van strafbare feiten en de bescherming van de gezondheid.

Bij de bespreking van de verhouding tussen de voorgestelde bevoegdheden en artikel 8 ware tevens in te gaan op de nadere op dit artikel 8 gebaseerde vereisten: een pressing social need en de effectiviteit van de beperking voor het nagestreefde doel. Voor het criterium van een pressing social need is de ingrijpendheid van de gevolgen van besmetting en van onzekerheid daarover van belang, alsook de noodzaak om onverwijld met een eventuele beschermende behandeling te beginnen. Inzake de te verwachten effectiviteit van de maatregel verdient het aanbeveling, aandacht te besteden aan de stand van de medische wetenschap op dit terrein en ook de mogelijkheid te bespreken door nader onderzoek van celmateriaal vast te stellen of de eventuele besmetting het gevolg is van het misdrijf.
c. Inmiddels bestaat ruime ervaring met wetgeving ten behoeve van de benadeelde partij en met voorschriften over informatievoorziening aan slachtoffers. Het college geeft - gelet op de klachten hierover(zie noot 4) - in overweging, in te gaan op de vraag of politie en openbaar ministerie in staat zijn, een adequate bejegening van het slachtoffer te verzekeren in de organisatie van de werkzaamheden. Een bezinning op dit punt zal mede maatgevend kunnen zijn voor de praktische inrichting van de werkzaamheden ter uitvoering van de nu voorgestelde regeling.

2. Beperking tot HIV-besmetting
Op basis van de ontvangen adviezen wil het kabinet de regeling beperken tot HIV. De argumentatie in de toelichting ad onderdeel A overtuigt echter niet. Er wordt zonder onderscheid gesteld dat hepatitis een minder ingrijpende behandeling vergt. Hierbij wordt kennelijk voorbijgezien aan het onderscheid tussen hepatitis A (de gewone geelzucht) en hepatitis B en C, waarvan de gevolgen zeer ernstig en ingrijpend zijn. De kritiek van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Geneeskunde (KNMG) op een nadere regeling van de relevante ziekten bij algemene maatregel van bestuur kan moeilijk doorslaggevend worden geacht voor een beperking tot slechts één van de ziekten die bij ernstige mishandeling, verkrachting en andere diep in de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ingrijpende delicten kunnen worden overgedragen. De Raad geeft in overweging, de voorgestelde regeling een breder toepassingsbereik te geven in overeenstemming met de uitgangspunten.

3. Toepasselijkheid van de Algemene wet bestuursrecht
Het openbaar ministerie is een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Awb is van toepassing op elk besluit van het openbaar ministerie dat niet gericht is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen.(zie noot 5)
Dit bekent dat de Awb van toepassing is op een beslissing van de officier van justitie om al dan niet een HIV-test te laten uitvoeren, als die beslissing wordt genomen in het belang van het slachtoffer. Neemt hij zulk een beslissing in het belang van het onderzoek, dan is de Awb echter niet van toepassing. Neemt hij een beslissing die ingegeven is door beide belangen, dan is niet direct duidelijk of de Awb van toepassing is.
Neemt de rechter-commissaris zulk een beslissing, dan is de Awb nooit van toepassing, ook niet als hij de beslissing neemt in het belang van het slachtoffer. Onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast worden niet als bestuursorgaan aangemerkt.(zie noot 6)
Toepasselijkheid van de Awb betekent in het bijzonder dat de Awb-regels inzake bezwaar en beroep in acht moeten worden genomen, en dat niet de strafrechter maar de bestuursrechter bevoegd is. Het college acht dit onwenselijk: het leidt tot versnippering van rechtsbescherming en competentievragen. De Raad adviseert daarom, in lijn met artikel 1:6 Awb, de toepasselijkheid van de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van de Awb uitdrukkelijk uit te sluiten en te bespreken hoe in geval van een weigering van de officier van justitie om aan een verzoek van het slachtoffer gevolg te geven, in rechtsbescherming wordt voorzien (zie verder onder 4).

4. Procedurele rechten van verdachte en slachtoffer
De regeling is sober waar het gaat om de procedurele rechten van zowel de verdachte als het slachtoffer.

a. Het slachtoffer dat om een HIV-test verzoekt heeft er belang bij de uitslag heel snel te horen. Het verdient daarom aanbeveling, strakke termijnen te stellen voor de beslissing van de officier van justitie, de uitvoering van de test en de kennisgeving van de uitslag aan het slachtoffer.

b. Bij de procedure voor onderzoek van aanwezig celmateriaal (zonder gedwongen afname van bloed bij de verdachte) hebben de verdachte (zo deze bekend is) en het slachtoffer niet het recht om te worden gehoord voordat de officier van justitie dan wel de rechter-commissaris de opdracht voor de test geeft.
Is de HIV-test (mede) ingegeven door het medisch belang van het slachtoffer, dan is wel van belang dat een eventueel beroep op rechtsbescherming niet onnodig tijdverlies meebrengt. Dat zou ervoor pleiten om de verdachte het recht toe te kennen gehoord te worden, maar met een termijn die wordt uitgedrukt in uren, en om de verdachte wel recht op beroep toe te kennen, maar zonder schorsende werking.
Het college geeft in overweging het voorstel in deze zin aan te vullen.

c. In de voorgestelde regeling voor gedwongen afname van bloed voor een HIV-test (artikel 195h van het Wetboek van Strafvordering (WvSv)) ontbreken de volgende elementen, die wel zijn opgenomen in de regeling voor een HIV-test op beschikbaar celmateriaal (artikelen 151e en 195g WvSv):
 kennisgeving van de uitslag aan verdachte en slachtoffer;
 het recht van de verdachte om een tegenonderzoek te vragen;
 van overeenkomstige toepassing verklaring van het Tweede Boek, titel III, vijfde afdeling, WvSv.(zie noot 7)
De Raad beveelt aan de regeling op deze punten aan te vullen.

d. De verdachte kan binnen 14 dagen nadat hem de uitslag van de HIV-test is medegedeeld, vragen om een tegenonderzoek.(zie noot 8) Op het moment dat de test wordt uitgevoerd zal er niet altijd al een verdachte zijn; de test kan immers worden uitgevoerd op celmateriaal dat is aangetroffen op de plaats van het delict of op of in het lichaam van het slachtoffer. Waarschijnlijk is de bedoeling dat, als iemand pas na de HIV-test als verdachte wordt aangemerkt, de uitslag dan aan hem moet worden medegedeeld. Wordt op een later moment een ander als verdachte aangemerkt, dan zal de uitslag ook aan hem moeten worden medegedeeld. Het verdient naar het oordeel van het college echter aanbeveling, dit uitdrukkelijk te regelen.

e. Ten slotte, bij het aanvullende medische onderzoek naar de vraag of de verdachte degene is die het slachtoffer heeft besmet is evenmin voorzien in procedurele rechten van de verdachte en het slachtoffer zoals hiervoor, onder b, omschreven. De Raad adviseert ook hier het wetsvoorstel aan te vullen.

5. Beslagbevoegdheid
Het celmateriaal van de verdachte waarop de officier van justitie een HIV-test wil uitvoeren zal vaak op of in een voorwerp zitten. De officier van justitie zal dan het voorwerp in beslag moeten nemen. De inbeslagnemingsbevoegdheid bestaat nu echter alleen in het belang van de waarheidsvinding in verband met opsporing en vervolging.(zie noot 9) Als de officier van justitie een voorwerp in beslag wil nemen om een HIV-test te houden op daarop aangetroffen celmateriaal in het belang van het slachtoffer, dan schiet de bestaande inbeslagnemingsbevoegdheid tekort.
Het college geeft in overweging hiervoor een wettelijke voorziening te treffen door het van overeenkomstige toepassing verklaren van de relevante bepalingen.

6. Vermoeden van besmetting
Een van de voorwaarden voor het bestaan van de verplichting tot het ondergaan van een HIV-test is dat er een redelijk vermoeden moet zijn dat bij een misdrijf besmetting kan hebben plaatsgevonden. Dit criterium is niet nauwkeurig bepaald: niet duidelijk is of alleen vereist is dat het slachtoffer een contact met de verdachte heeft gehad dat geschikt is om een eventueel HIV-virus over te brengen, of dat bovendien aannemelijk moet zijn dat de verdachte HIV-positief is. Uit de toelichting lijkt voort te vloeien dat de aard van het misdrijf en wat daarbij is voorgevallen, bepalend zijn.(zie noot 10) De Raad meent dat dit in de toelichting duidelijk tot uitdrukking moet worden gebracht.

7. Begrip "celmateriaal"
De HIV-test kan worden uitgevoerd op "celmateriaal", zo bepaalt het voorgestelde wetsartikel. Het begrip is niet nader bepaald. Naar de letter van de wettekst kan het gaan om ieder celmateriaal, bijvoorbeeld dat van het slachtoffer. Het college beveelt aan, te verduidelijken of het in alle gevallen moet gaan om celmateriaal dat vermoedelijk van de verdachte afkomstig is, dan wel dat in het belang van het onderzoek ook reden kan bestaan - met diens toestemming - celmateriaal van het slachtoffer te onderzoeken.(zie noot 11)

8a. Verhouding met de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst
In de toelichting wordt ingegaan op de verhouding tussen de regeling in het wetsvoorstel en de regeling voor de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling (WGBO) in het Burgerlijk Wetboek (BW). Gesteld wordt dat de WGBO niet rechtstreeks van toepassing is, omdat onder die regeling in beginsel alleen handelingen vallen die worden verricht in het kader van een behandelingsovereenkomst. Wel is, volgens de toelichting, artikel 464 Boek 7 BW relevant: de WGBO is van overeenkomstige toepassing op handelingen op het gebied van de geneeskunst, verricht buiten een behandelingsovereenkomst, voorzover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.(zie noot 12)
Deze redenering is niet juist. Er is ook sprake van een behandelingsovereenkomst als er een driepartijenverhouding is tussen een hulpverlener, een opdrachtgever en een derde, de patiënt.(zie noot 13) Bij de verplichte HIV-test treedt de officier van justitie op als opdrachtgever (zie artikel 446 lid 1 Boek 7 BW). De WGBO is dus in beginsel van toepassing, zij het dat de regeling voor een HIV-test, als lex specialis, voor zal gaan.
De Raad adviseert de toelichting aan te passen.

b. Er wordt niet ingegaan op artikel 452 Boek 7 BW; dit artikel bepaalt dat de patiënt de hulpverlener naar beste weten de inlichtingen en de medewerking geeft die deze redelijkerwijs voor het uitvoeren van de overeenkomst behoeft. Naar de mening van het college wordt deze bepaling opzijgezet door de strafvorderlijke regels die voorschrijven dat de verdachte in beginsel niet verplicht is om aan het onderzoek mee te werken. De Raad adviseert de toelichting aan te vullen.

9. Laboratoria
Uit de toelichting blijkt dat de twee soorten testen waarom het hier gaat vooralsnog zullen worden uitgevoerd door één laboratorium voor elke soort, omdat daarmee een efficiënte en risicoloze uitvoering is gegarandeerd.(zie noot 14) Dat moge zo zijn, er staat tegenover dat het uitsluiten van concurrentie kan leiden tot hogere kosten. Niet duidelijk is hoe deze handelwijze zich verhoudt met de uitgangspunten van transparantie van de markt en eerlijke marktwerking zoals onder andere neergelegd in richtlijn nr.92/50/EG van 18 juni 1992, van het college van de Europese Gemeenschappen, betreffende de coördinatie van procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PbEG L 209/1). De Raad adviseert hier in de toelichting op in te gaan.

10a. Inrichting van de wettelijke bepalingen
De tekst van de in het wetsvoorstel opgenomen bepalingen is in hoge mate ontleend aan de bestaande regeling inzake DNA-onderzoek. De desbetreffende, complexe bepalingen worden nog gecompliceerder door de toevoeging van bepalingen over onderzoek in het belang van het slachtoffer. Het college geeft in overweging een doorzichtiger wetssystematiek te beproeven, bijvoorbeeld door bepalingen inzake het DNA-onderzoek in het belang van de opsporing zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing te verklaren en daarnaast de nodige bepalingen inzake onderzoek in het belang van het slachtoffer op te nemen.

b. Het HIV-onderzoek kan zowel tijdens het opsporingsonderzoek als tijdens het gerechtelijk vooronderzoek worden toegepast; deze twee fasen worden op verschillende plaatsen in het WvSv geregeld. Bij de wettelijke regeling van het DNA-onderzoek voor identificatie van de verdachte - dat eveneens in beide fasen mogelijk is - is dit wetstechnisch vormgegeven door de wetsartikelen op twee plaatsen volledig uit te schrijven, één keer voor het opsporingsonderzoek en één keer voor het gerechtelijk vooronderzoek.(zie noot 15)
In het nu voorliggende wetsvoorstel is dat slechts gedeeltelijk gebeurd. Dat betekent bijvoorbeeld dat de regels waaraan het verzoek van het slachtoffer moet voldoen, technisch gesproken alleen gelden als het verzoek tijdens het gerechtelijk vooronderzoek wordt gedaan.(zie noot 16)
De Raad adviseert dit verschil met de regeling van het DNA-onderzoek nader te bezien.

11. In het wetsvoorstel is op twee plaatsen sprake van "onderzoek … naar de aanwezigheid van hiv-besmetting".(zie noot 17) De term "besmetting" kan betrekking hebben op het overbrengen van het HIV-virus (dat is hier niet bedoeld), maar ook op het zijn van drager van het virus (hier wel bedoeld), en is dus onduidelijk. In artikel 195h, eerste lid, wordt gesproken van een onderzoek "teneinde vast te stellen of de verdachte drager is van hiv". Het college beveelt aan bij deze formulering aan te sluiten.

12. Uit de toelichting blijkt dat er in ieder geval uitvoeringsregels zullen moeten komen waar het gaat om onderwerpen als de procedure van afname en de aan te wijzen laboratoria.(zie noot 18) Het verdient naar het oordeel van de Raad om die reden aanbeveling de delegatiebepalingen in het wetsvoorstel,(zie noot 19) die nu als kan-bepaling zijn geredigeerd, dwingend te maken.

13. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Raad van State van 4 april 2003, no.W03.03.0007/I, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

Algemeen
- In tekst en toelichting "hiv" telkens schrijven als: HIV.

Wetsvoorstel
- Het nieuwe definitieartikel van "hiv" (artikel I, onderdeel A) invoegen na artikel 138a van het Wetboek van Strafvordering (WvSv), dat wil zeggen: na de definitie van het verwante begrip DNA-onderzoek.
- In de artikelen 151e, derde lid, en 195g, derde lid, bepalen dat de kennisgeving van de uitslag schriftelijk gebeurt; vergelijk artikel 151a, derde lid, WvSv.
- In artikel 195g, derde lid, de eerste en tweede volzin samentrekken (vergelijk artikel 151e, derde lid).

Memorie van toelichting
- De rapporten en adviezen, genoemd in paragraaf 1 (Algemeen) zo mogelijk van een vindplaats voorzien.
- Commissies niet slechts aanduiden met de achternaam van de voorzitter, maar - in elk geval bij eerste vermelding - met de aanduiding van de commissie conform het instellingsbesluit, eventueel met toevoeging van een verkorte aanduiding, bestaande uit het woord "commissie" en de naam van de voorzitter, verbonden door een koppelteken.
- De regels over het aaneenschrijven van woordverbindingen en de gebruiken inzake de vermelding van vindplaatsen van de publicaties van rechterlijke uitspraken in acht nemen.
- In paragraaf 4a (De hoofdlijnen van het voorstel), vierde alinea, "de verdachte van een (zedendelict of gewelds)delict" wijzigen in: de verdachte van een misdrijf.
- Paragraaf 5, eerste zin, in overeenstemming brengen met het feit dat in deze paragraaf slechts de situatie in enkele EU-lidstaten en daarnaast in enkele niet-EU-lidstaten is onderzocht.
- In paragraaf 5, tweede volzin, verduidelijken of hier slechts het rechtsstelsel van Engeland en Wales, dan wel alle rechtsstelsels van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zijn bedoeld.
- In paragraaf 6, derde alinea, eerste volzin, het hoofdlettergebruik in de naam van het Hof in overeenstemming brengen met artikel 19 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
- In paragraaf 6, derde alinea, eerste volzin, de Engelse woorden "fair procedure" vervangen door een herkenbaar citaat dan wel een Nederlandse weergave.
- In paragraaf 6, vierde alinea, zevende volzin, de tekst "dat de inbreuk op de onaantastbaarheid van het lichaam bij of krachtens de wet moet geschieden" vervangen door een formulering waarin er rekening mee is gehouden dat van een "inbreuk" op een grondrecht slechts sprake is indien niet wordt voldaan aan de criteria met inachtneming waarvan de beperking geoorloofd is. Zijn deze wel in acht genomen, dan verdient het - zoals de Raad vaker heeft opgemerkt - aanbeveling het woord "inbreuk" te vervangen door een neutraal begrip zoals "beperking" of "inperking".



Nader rapport (reactie op het advies) van 6 maart 2007

Voorafgaand aan de bespreking van de door de Raad opgeworpen vraagpunten wil ik graag het volgende opmerken.

Met genoegen heb ik geconstateerd dat de Raad de uitkomst van de complexe belangenafweging die aan het wetsvoorstel ten grondslag is gelegd, onderschrijft. Aan de hand van de door de Raad aangereikte punten is die grondslag verstevigd en uitgebreid.
Voorts is mede naar aanleiding van het advies van de Raad nadere informatie ingewonnen over de huidige stand van de medische techniek, waarin zich inmiddels een groot aantal ontwikkelingen heeft voorgedaan. Dit heeft geleid tot een wijziging van de opzet, de inkleding van de bevoegdheden en de voorwaarden die aan de toepassing van het dwangmiddel worden gesteld. Die wijziging is voornamelijk voortgekomen uit het gegeven dat in het geval de verdachte weigert medewerking te verlenen aan het afnemen van celmateriaal ten behoeve van onderzoek naar aanwezigheid van besmetting met een ernstige ziekte, het medisch belang van het slachtoffer vergt dat de beslissing tot toepassing van het dwangmiddel en de tenuitvoerlegging daarvan zo snel mogelijk worden afgerond. De uitslag van het onderzoek van het celmateriaal is van groot belang voor het antwoord van het slachtoffer op de vraag of hij begint aan het nemen van ingrijpende medicatie met mogelijk ernstige bijwerkingen.
Soortgelijke overweging geldt indien het vermoeden bestaat dat besmetting van een ander dan de verdachte door de verdachte is overgebracht op het slachtoffer. Toegevoegd is een voorziening volgens welke een derde wiens lichaamsmateriaal door misdrijf door de verdachte op een slachtoffer is overgebracht, kan worden verzocht om medewerking aan een onderzoek waarbij de besmetting kan worden vastgesteld. Eveneens is opgenomen een verplichting tot medewerking indien deze wordt geweigerd.
Voorts is mede naar aanleiding van een vraag van de Raad het aanvankelijk ingenomen standpunt dat de regeling beperkt kon blijven tot het uitvoeren van onderzoek naar aanwezigheid van het HIV-virus heroverwogen. Het lijkt thans gewenst om deze mogelijkheid te verruimen tot onderzoek naar de aanwezigheid van hepatitis B en C, waarbij de mogelijkheid van het aanwijzen van andere ziekten bij algemene maatregel van bestuur niet wordt uitgesloten.
Hoewel het uiteindelijke doel en het gewenste resultaat van de regeling zijn grotendeels hetzelfde zijn gebleven, meent het kabinet dat het wenselijk is aanvullend advies te vragen aan de Raad over de gewijzigde opzet en uitwerking van het wetsvoorstel. In het navolgende wordt ingegaan op de opmerkingen van de Raad die hun relevantie ook ten aanzien van het gewijzigde voorstel hebben behouden.

1. Opsporing en slachtofferbescherming

a. De Raad onderschrijft de keuze voor het uitdrukkelijk laten meewegen van het belang van het slachtoffer bij de beslissing over de toepassing van het dwangmiddel dat strekt tot het verlangen van medewerking van de verdachte aan een HIV-test. De Raad acht het gerechtvaardigd dat deze maatregel kan worden genomen in geval van bepaalde misdrijven die de lichamelijke integriteit van slachtoffers in ernstige mate aantasten. Het slachtoffer van een dergelijk misdrijf heeft er bijzonder belang bij om kennis te krijgen van mogelijk besmettingsgevaar dat door het contact met de verdachte, waaronder begrepen het overbrengen van besmetting van een ander, is ontstaan. Wetenschap over een daaruit voortvloeiend risico is weer van belang voor de beslissing van het slachtoffer over het al dan niet ondergaan van een medische behandeling.
De Raad ziet deze keuze graag nog nader gemotiveerd aan de hand van de uitgangspunten van het Derde interim-rapport van het onderzoeksproject Strafvordering 2001 onder leiding van de hoogleraren M.S. Groenhuijsen en G. Knigge. Bij brief van 9 november 2005 (kamerstukken 29 271, nr.3) van de toenmalige Minister van Justitie aan de Tweede Kamer is meegedeeld dat het aangekondigde wetsvoorstel positie van het slachtoffer in het vooronderzoek, waarbij het belang van het slachtoffer bij de toepassing van een aantal dwangmiddelen zal worden bezien in aansluiting op de herstructurering van het vooronderzoek. Daarbij zullen de bestaande bepalingen met betrekking tot dwangmiddelen, onderzoeksbevoegdheden en onderzoekshandelingen moeten worden doorgelicht en voor een deel opnieuw geformuleerd met inachtneming van de nieuwe structuur. Het belang van het slachtoffer kan dan meteen worden meegewogen bij de doorlichting van de bestaande bepalingen.
Ten slotte verwijs ik naar de - eveneens op suggestie van de Raad - aangevulde toelichting betreffende de verhouding van het wetsvoorstel tot artikel 8 EVRM. De toelichting is in deze zin aangevuld.

b. Een systematisch exposé in de memorie van toelichting over de vraag naar de verhouding tussen de twee doelstellingen van het wetsvoorstel en de bepaling van artikel 8 EVRM, waarin het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer is gewaarborgd, is opgenomen. De toelichting op het wetsvoorstel is in de door de Raad aangegeven zin aangevuld. Gelet op het gewicht van de uitgangspunten voor deze regeling is deze paragraaf naar voren gehaald. Naar aanleiding van de vraag van de Raad van State naar de stand van de medische wetenschap terzake heeft opnieuw overleg plaats gevonden met een vertegenwoordiging van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering van de Geneeskunst (KNMG), het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en een aantal medici met specifieke deskundigheid op dit terrein. Dit overleg heeft in het bijzonder geleid tot nieuw inzicht omtrent de urgentie en het tijdsbestek, waarbinnen medewerking van de verdachte aan het afnemen van een bloedmonster moet worden verkregen en het uitvoeren van het bloedonderzoek en het bekend maken van de uitslag moet worden afgerond. Cruciaal is de praktische aanbeveling dat een begin moet worden gemaakt met de preventieve medicatie van het slachtoffer bij voorkeur binnen 48 uur en uiterlijk binnen 72 uur nadat het incident zich heeft voorgedaan.
Gevolg is geweest dat het wetsvoorstel, voortbouwend op dezelfde afweging, niettemin een aantal ingrijpende technische wijzigingen heeft ondergaan. De genoemde tijdsdruk, waarbinnen het onderzoek moet zijn voltooid, is aanleiding geweest voor een herschikking van de bevoegdheden van de officier van justitie en de rechter-commissaris. In het wetsvoorstel dat aan de Raad van State is toegezonden was het uitgangspunt dat de uitoefening van bevoegdheden van de rechter-commissaris kon worden ingebed in het gerechtelijk vooronderzoek (GVO). In de praktijk zal het onderzoek aan het bloed van de verdachte evenwel plaats moeten vinden in de fase van de eerste termijn van de inverzekeringstelling (drie dagen na aanhouding van de verdachte). Dan is er meestal nog geen GVO gevorderd. Daarom is de bevoegdheid toegekend aan de officier van justitie, die gelet op de mate van inbreuk op het grondrecht van de integriteit van het lichaam, voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris behoeft. Die machtiging is los gekoppeld van de omstandigheid of een GVO is gevorderd. Deze figuur doet zich ook voor bij een bevel tot aftappen van telecommunicatie en wordt voortgezet in de wet van 10 november 2004, Stb. 577, in werking getreden op 1 januari 2005.
In het algemeen merk ik op dat de wijziging heeft geleid tot een voorstel voor een eigensoortig dwangmiddel, waarbij meer afstand is ontstaan met de regeling van het DNA-onderzoek, waarop het aanvankelijke voorstel was geënt. In de toelichting wordt in paragraaf 4 op de verschillen ingegaan.

c. De Raad geeft in overweging na te gaan of de politie en het openbaar ministerie in staat zullen zijn op grond van de voorgestelde regeling een adequate bejegening van het slachtoffer te verzekeren in de organisatie van hun werkzaamheden. De Raad verwijst naar bestaande klachten over de uitvoering van het bestaande beleid met betrekking tot de bejegening van slachtoffers. Aan de politie en het openbaar ministerie zal ruimschoots de gelegenheid worden gegeven zich op de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, indien dit tot wet wordt verheven, voor te bereiden. Gelet op het geringe aantal gevallen waarin de regeling ten volle benut zal moeten worden, is niet te verwachten dat hiervan een zware belasting zal uitgaan. Invoering van de regeling betekent evenmin dat de reeds bestaande werkprocessen voor de uitvoering van slachtofferzorg ingrijpend moeten worden aangepast. Bij het bepalen van de datum van inwerkingtreding zal rekening worden gehouden met de omstandigheid dat politie en openbaar ministerie de noodzakelijke organisatorische voorzieningen hebben getroffen.

2. Beperking tot HIV-besmetting
De Raad merkt op dat de argumenten om de regeling beperkt te houden tot bevoegdheden ten aanzien van het slachtoffer dat mogelijk met HIV is besmet hem niet overtuigden. Bepleit wordt een ruimer toepassingsbereik tot b.v. hepatitis B en C, waarvan de gevolgen zeer ernstig en ingrijpend zijn. Ik heb kennis genomen van het oordeel van de KNMG dat niet alle besmettelijke ziekten met dergelijke gevolgen toepassing van de voorgestelde bevoegdheden rechtvaardigen. Het HIV-virus onderscheidt zich van de eerder genoemde ziekten in het levensbedreigende karakter en de nog niet voorzienbare gevolgen van het nemen van medicatie op zeer lange termijn. Ik ben evenwel van oordeel dat de gevolgen van besmetting met hepatitis B of C van vergelijkbare ernst kunnen zijn, terwijl het uitvoeren van het bloedonderzoek op het van de verdachte afgenomen monster mede dienstbaar kan worden gemaakt aan het toedienen van preventieve medicatie tegen besmetting met het hepatitis B virus. Niet uitgesloten is dat besmetting kan leiden tot leverbeschadiging of leverfalen, dat levertransplantatie noodzakelijk maakt. Ook de kans op uiteindelijk overlijden tengevolge van besmetting is niet uitgesloten. De considerans en de reikwijdte van het wetsvoorstel zijn in voorgaande zin aangevuld. Hetzelfde geldt voor de toelichting.

3. Toepasselijkheid van de Algemene wet bestuursrecht
De Raad betoogt dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is op elk besluit van het openbaar ministerie dat niet gericht is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissing. Indien de officier van justitie besluit een HIV-test te laten uitvoeren in het belang van het slachtoffer, dan is naar de mening van de Raad de Awb van toepassing. Onduidelijkheid zou naar de mening van de Raad bestaan ten aanzien van het gebruik maken van de bevoegdheid door de officier van justitie in het belang van het onderzoek en ten behoeve van het slachtoffer. Ik onderschrijf de opvatting van de Raad over de onwenselijkheid van een mogelijke bevoegdheid van de bestuursrechter en de toepasselijkheid van Awb-regels inzake beroep en bezwaar ten deze. De door de Raad in overweging gegeven uitdrukkelijke uitsluiting van de Awb is naar mijn oordeel evenwel niet noodzakelijk.
Het gaat in de eerste plaats om bevoegdheden van de officier van justitie die worden uitgeoefend in het kader van een opsporingsonderzoek. Het criterium is immers dat verdenking bestaat van een misdrijf, waarbij het redelijk vermoeden bestaat dat besmetting met HIV(volgens voorstel uitgebreid met meer besmettelijke ziekten) kan hebben plaats gevonden. Het betreft hier een noodzakelijke voorwaarde voor uitoefening van de bevoegdheid, die voorkomt dat aan de wens van een slachtoffer van een misdrijf tot het uitvoeren van een HIV-test in alle gevallen automatisch gevolg zou moeten worden gegeven. Uit objectieve omstandigheden moet kunnen worden afgeleid dat een dergelijke besmetting aan de orde kan zijn, en dat is b.v. niet het geval als er geen contact met lichaamsvloeistoffen van de verdachte kan zijn geweest (het op afstand bedreigen met besmetting). De enkele geruststelling van een slachtoffer dat geen redelijke aanleiding heeft voor besmetting, kan geen reden voor zijn voor het bevel van een HIV-test door de officier van justitie.
In de tweede plaats is het de vraag of "besluiten van het openbaar ministerie gericht op opsporing en vervolging" in zo strikte betekenis moet worden opgevat dat daarin niet zou passen dat in het kader van die handelingen rekening wordt gehouden met gerechtvaardigde belangen van het slachtoffer. Het gaat in de strafvordering immers niet steeds om een lineaire afweging tussen de belangen van de verdachte en die van de waarheidsvinding. Bij een behoorlijke strafrechtspleging behoort ook dat recht wordt gedaan aan de belangen van andere belanghebbenden, waarbij in het bijzonder een respectvolle bejegening van het slachtoffer het eerst naar voren komt. Bovendien zullen in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van een gefundeerde beslissing over de straftoemeting ook getuigen en deskundigen worden benaderd, die niet rechtstreeks in relatie staan tot het strafbaar feit (bij voorbeeld de reclassering, naaste familie van de verdachte en maatschappelijk werkers).
Ten slotte verwijs ik naar artikel 132a van het Wetboek van Strafvordering, waarin opsporingsonderzoek voor zover hier relevant wordt gedefinieerd als het onderzoek dat onder leiding van een officier van justitie wordt verricht naar aanleiding van een redelijk vermoeden dat een strafbaar feit is begaan met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Ook in art 1:6 Awb wordt opsporing in deze zin bedoeld.

4. Procedurele rechten van verdachte en slachtoffer

a. De Raad beveelt aan in de wet een regeling op te nemen met strakke termijnen voor het nemen van een beslissing over het uitvoeren van de test, de feitelijke uitvoering en de kennisgeving van de uitkomst aan het slachtoffer. Aan deze aanbeveling is gevolg gegeven.

b. Terecht merkt de Raad op dat bij de procedure voor onderzoek aan elders aangetroffen celmateriaal niet is voorzien in een recht voor de verdachte of het slachtoffer om voorafgaand aan de opdracht daartoe te worden gehoord. Het onderzoek aan celmateriaal aangetroffen op de plaats van het delict is te vergelijken met sporenonderzoek. Voor het uitvoeren van dergelijk onderzoek wordt de verdachte niet gehoord. Hij heeft daarbij wel een voorstelbaar belang (het voorkomen van het verzamelen van belastend bewijsmateriaal) maar niet een rechtens te respecteren belang. Het belang van het onderzoek gaat hierbij voor. In deze fase zal het vrijwel altijd gaan om opheldering van het vermoedelijk gepleegde strafbaar feit. Het slachtoffer dat onder omstandigheden verkiest niet te willen weten of de verdachte besmet is, kan besluiten niet aan verdere vergelijking mee te werken. Hij kan evenwel niet verhinderen dat onderzoek ter opheldering van het strafbaar feit voortgang vindt. Indien hij geen behoefte heeft op de hoogte te blijven van de voortgang in het onderzoek, dan zal de uitslag van het onderzoek hem niet behoeven te worden meegedeeld.
Nu het bij het onderzoek aan elders aangetroffen celmateriaal niet gaat om een inbreuk op de lichamelijke integriteit van de verdachte of een zwaarwegend belang van de verdachte, is het beschikbaar stellen van een rechtsmiddel niet noodzakelijk. Eenzelfde afweging geldt voor de derde naar wiens lichaamsmateriaal onderzoek wordt gedaan. Zolang daarbij geen actieve medewerking van hem wordt verlangd, weegt het belang van het onderzoek en de waarheidsvinding zwaarder.

c. Gelet op de gewijzigde opzet van het voorstel kan aan de opmerkingen van de Raad geen gevolg meer worden gegeven. Aan de toepasselijk verklaring van het Tweede Boek, titel III, vijfde afdeling, bestaat geen behoefte meer als gevolg van de loskoppeling van het GVO.

d. De Raad meent dat regeling behoeft dat in de gevallen waarin de identiteit van de verdachte later bekend wordt of indien een andere verdachte in beeld komt, alsnog mededeling wordt gedaan van de uitkomst van de test, mede met het oog op de mogelijkheid van het instellen van een tegenonderzoek. Deze opmerking van de Raad heeft geleid tot een verduidelijking in artikel 151f, tweede lid, en de memorie van toelichting. Niet opgenomen is een verplichting om de verdachte wiens identiteit later bekend wordt afzonderlijk kennis te geven van de uitslag van het onderzoek bedoeld in artikel 151e, vijfde lid. De verdachte heeft reeds op grond van de bestaande bepalingen inzage in de processtukken in zijn zaak. Wel kan hij op grond van artikel 151f, derde lid, de officier van justitie verzoeken om een tegenonderzoek.

e. De Raad meent dat de uitvoering van de fylogenetische test als bedoeld in het aanvankelijk voorgestelde artikel 195j ook moet worden omkleed met procedurele waarborgen ten behoeve van het slachtoffer en de verdachte. In artikel 151i, tweede lid, is aan deze suggestie van de Raad gevolg gegeven.

5. Beslagbevoegdheid
De Raad geeft in overweging een wettelijke voorziening te treffen voor het geval dat voorwerpen in beslag moeten worden genomen voor het veilig stellen van celmateriaal voor onderzoek ten behoeve van het slachtoffer. Artikel 94 bepaalt dat voorwerpen vatbaar zijn voor inbeslagneming indien deze de waarheid aan het licht kunnen brengen. De inbeslagneming moet redelijkerwijs kunnen bijdragen aan het aan het licht brengen van de waarheid terzake van het strafbaar feit waarvan verdenking bestaat dat het is begaan. Gelet op de noodzakelijke voorwaarde voor toepassing van de bevoegdheid: het redelijk vermoeden van een misdrijf, waarbij besmetting met het HIV-virus kan hebben plaatsgevonden, kan worden aangenomen dat inbeslagneming tevens het belang van de waarheidsvinding zal dienen, te meer daar deze in een zeer vroege fase van het onderzoek aan de orde zal zijn. Over de precieze omvang van het onderzoek zal in dat stadium veelal nog geen definitieve beslissing kunnen worden genomen. Ik acht alles overwegende de noodzaak van de door de Raad voorgestelde aanvulling niet aanwezig.

6. Vermoeden van besmetting
De aanbeveling van de Raad om in de toelichting duidelijker tot uitdrukking te brengen of voor een verplichte HIV-test vereist is dat het slachtoffer een contact met de verdachte heeft gehad dat geschikt is om een HIV-virus over te brengen of dat tevens vereist is dat aannemelijk is dat de verdachte HIV-positief is, is opgevolgd.

7. Begrip "celmateriaal"
De Raad geeft in overweging nader te verduidelijken om wiens celmateriaal het gaat: dat vermoedelijk van de verdachte afkomstig is of van het slachtoffer. Hieraan is gevolg gegeven door aanpassing van de tekst van artikel 151e, eerste lid, en 151i, eerste lid, waarin steeds wordt gesproken over degene ten aanzien van wie onderzoek wordt verlangd. Dat kan betrekking hebben op de verdachte en een derde, wiens besmetting door toedoen van de verdachte is overgebracht. In dit wetsvoorstel wordt niet geregeld dat medewerking van het slachtoffer kan worden afgedwongen.

8. Verhouding met de Wet geneeskundige behandelovereenkomst

a. De Raad stelt dat bij een verplichte HIV-test sprake is van een behandelingsovereenkomst in de zin van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek aangaande de behandelingsovereenkomst (art. 7:446 ev. BW). Hij geeft aan dat er in dit geval sprake is van een driepartijenverhouding tussen een hulpverlener, een opdrachtgever (in casu de officier van justitie) en een derde, de patiënt (in casu de verdachte), zoals bedoeld in artikel 7:446, eerste lid, BW. Ik kan deze visie niet delen. De driepartijenverhouding, die artikel 7:446, eerste lid, BW omvat, gaat ervan uit dat ten behoeve van de patiënt een behandelingsovereenkomst wordt afgesloten. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als een werkgever ten behoeve van zijn werknemers een overeenkomst sluit met een ziekenhuis teneinde een (snellere) behandeling te realiseren. Uit de memorie van toelichting blijkt niet dat hierbij ook een verhouding als bij de verplichte HIV-test voor ogen stond. Anderzijds bevat de memorie van toelichting alsmede de literatuur voldoende aanknopingspunten die leiden tot de conclusie dat op een dergelijke verhouding artikel 7:464 BW van toepassing is. De artikelsgewijze toelichting bij artikel 1653t van het toenmalige wetsvoorstel (het huidige artikel 7:464 BW, zie kamerstukken II 1989/90, 21 561, nr. 3, blz. 46-47)geeft aan dat deze bepaling vooral ziet op verhoudingen, waarin het aangaan van een overeenkomst tussen de beroepsbeoefenaar en de behandelde persoon niet aan de orde is, omdat hun relatie op andere grondslagen berust. Hierbij worden enkele situaties in het strafrecht uitdrukkelijk genoemd. De verplichte HIV-test sluit hierbij aan en laat zich naar mijn mening voorts vergelijken met de keuringsrelatie ten aanzien waarvan in artikel 7:446, vijfde lid, BW wordt gesteld dat geen sprake is van een behandelingsovereenkomst. Ik voel mij in deze visie gesteund door prof. mr. J.K.M. Gevers in "De WGBO: van tekst naar toepassing" (derde druk 1998, Bohn Stafleu Van Loghum, Houten/Diegen 1998), waar in hoofdstuk 9 eveneens wordt aangegeven dat artikel 7:464 BW ziet op relaties waarin de onderliggende rechtsverhouding er één is van onvrijwilligheid en dat er daarom slechts sprake is van toepasselijkheid van de bepalingen betreffende de geneeskundige behandelingsovereenkomst via laatstgenoemde bepaling. Er is dan geen sprake zijn van een behandelingsovereenkomst gebaseerd op een driepartijenverhouding. Gevers noemt in paragraaf 9.3.6. (blz.124) nadrukkelijk dat medisch onderzoek en observatie van verdachten in het strafproces onder het bereik van artikel 7:464 BW zullen vallen. Ook hetgeen prof. mr. B. Sluyters en mr. M.C.I.H. Biesaart daarover schrijven in "De geneeskundige behandelingsovereenkomst na invoering van de WGBO" (Zwolle, 1995) wijst in die richting. Ik handhaaf daarom mijn standpunt dat bij de verplichte HIV-test geen sprake is van een behandelingsovereenkomst, doch dat de bepalingen dienaangaande op grond van artikel 7:464, BW van toepassing zijn, tenzij de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen verzet.

b. De Raad adviseert de toelichting aan te vullen met een passage over artikel 7:452 BW, waar wordt ingegaan op de verplichtingen van de patiënt ten opzichte van de hulpverlener. Aan dit advies is gevolg gegeven.

9. Laboratoria
De Raad vraagt naar de verhouding tussen de aanwijzing van één laboratorium voor het uitvoeren van onderscheiden tests tot de uitgangspunten van transparantie van de markt en eerlijke marktwerking, zoals neergelegd in Europese richtlijnen (w.o. de aanbestedingsrichtlijn diensten nr. 92/50/EG).
In dit verband is nagegaan of de in het wetsvoorstel bedoelde testen moeten worden aangemerkt als het soort van diensten waarvoor in bijlage 1A van de richtlijn een Europese aanbesteding verplicht is gesteld. De categorie diensten die wellicht in aanmerking zou komen is die van onderzoeks- of ontwikkelingsdiensten. Het gaat hier (zeker in het geval van de eerste test) evenwel om geprotocolleerd en gestandaardiseerd onderzoek en niet om innovatief onderzoek. Om die reden kom ik tot de conclusie dat het onderzoek naar HIV-besmetting niet valt onder deze aanbestedingsverplichting.
In bijlage B van de richtlijn worden de diensten genoemd die geen Europese aanbesteding behoeven. De HIV-testen kunnen worden aangemerkt als gezondheids- en sociale diensten. Voorts is van belang of zogenaamde drempelwaarden worden overschreden; gelet op de relatief geringe kosten die voor invoering van het onderhavige voorstel en de uitvoering van de testen is begroot is dat niet aan de orde.
Vanwege het belang van een redelijke landelijke spreiding en niet te lange vervoerslijnen lijkt aanwijzing van de verschillende universitair medische centra voor de hand te liggen. In de amvb zullen regels worden gesteld over het vervoer en het bewaren van de bloedmonsters en ander celmateriaal.
Over de uitvoering van het fylogenetisch onderzoek bedoeld in artikel 151i, eerste lid, vindt overleg plaats met het Nederlandse Forensisch Instituut. De uitkomst daarvan zal worden neergelegd in een amvb.

10. Inrichting van de wettelijke bepalingen
De aanbeveling van de Raad om de huidige DNA-bepalingen zo veel van toepassing te doen zijn voor de verdachte en de bepalingen ten behoeve van het slachtoffer uit te schrijven, is vanwege de gewijzigde opzet van de regeling niet nagevolgd. Wel is in de toelichting opgenomen welke verschillen er zijn met de regeling voor het DNA-onderzoek.

11. De Raad vraagt aandacht voor de betekenis van het begrip "besmetting" in artikelen 151e en 195h.
In beide gevallen zou het moeten gaan om onderzoek teneinde vast te stellen of de verdachte drager is HIV. Het gelijk trekken lijkt echter niet wenselijk. In artikel 151e kan het gaan om onderzoek aan celmateriaal dat op de plaats van het delict is aangetroffen teneinde vast te stellen of er sprake is van besmetting; een afzonderlijke vraag is of er sprake is van een verdachte of andere betrokkene. In de situatie bedoeld in artikel 195i, eerste lid, is het onderzoek ondubbelzinnig gericht op de vraag of er sprake is van verwantschap tussen het specifieke virus dat is aangetroffen in het celmateriaal van de verdachte of een derde enerzijds en het slachtoffer anderzijds.

12. Aan de suggestie van de Raad om de delegatiebepaling dwingend te maken is gevolg gegeven.

13. Redactionele opmerkingen

De opmerkingen van de Raad zijn voor zoveel mogelijk gevolgd.

Ik moge u verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde wetsvoorstel en de gewijzigde memorie van toelichting toe te zenden aan de Raad van State voor het uitbrengen van nader advies.

De Minister van Justitie



(1) In de fase van het gerechtelijk vooronderzoek komt deze bevoegdheid toe aan de rechter-commissaris. In het vervolg van dit advies wordt kortheidshalve steeds alleen gesproken over de officier van justitie.
(2) M.S. Groenhuijsen en G. Knigge (red.), Dwangmiddelen en rechtsmiddelen, Deventer: Kluwer 2002, bladzijden 941-948.
(3) Advies van 12 november 2001, kenmerk MM\OD\01-04662.
(4) Zie onder meer het Jaarverslag Nationale ombudsman 2002, Kamerstukken II 2002/03, 28 825, nr.2, paragraaf 7B.1.
(5) Artikel 1:6 Awb; advies van de Raad van State van 24 juni 2002 inzake het wetsvoorstel tot wijziging en aanvulling van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot de invoering van incidentele identiteitscontroles bij dreiging van terroristische misdrijven waardoor de algehele veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht (incidentele identiteitscontroles), zaak no.W03.02.0128/I (nog geen nader rapport), punt 3.
(6) Artikel 1:1, eerste lid, onderdeel c, Awb.
(7) Vergelijk artikel 195g, derde, vierde, vijfde en zesde lid, WvSv.
(8) Artikelen 151e, vierde lid, en 195g, vierde lid, WvSv.
(9) Artikel 94 WvSv.
(10) Toelichting op artikel 195h.
(11) Aldus ook het advies van het College van Procureurs-Generaal, bladzijde 4.
(12) Paragraaf 4b (Verhouding met de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO)) van de toelichting.
(13) Artikel 446 lid 1 Boek 7 BW.
(14) Paragraaf 7 (Uitvoering) van de toelichting.
(15) Artikelen 151a, 151b en 151c, respectievelijk artikelen 195a, 195b, 195d en 195e, WvSv.
(16) Artikel 195i WvSv.
(17) Artikelen 151e, eerste lid, en 195g, eerste lid, WvSv.
(18) Paragraaf 7 (Uitvoering) van de toelichting.
(19) Het laatste lid van de artikelen 151e, 195g, 195h en 195j.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon