Ontwerpbesluit tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de wijziging van het basisexamen inburgering, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W08.10.0119/IV
- Datum advies
- 15 juli 2010
- Vindplaats
- Staatscourant 2010, nr 13998
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de wijziging van het basisexamen inburgering, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 13 april 2010, no.10.000992, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie, mede namens de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de wijziging van het basisexamen inburgering, met nota van toelichting.
Op grond van de Wet inburgering in het buitenland dienen bepaalde categorieën vreemdelingen(zie noot 1) het basisexamen inburgering in het buitenland met goed gevolg af te leggen alvorens zij in aanmerking komen voor een machtiging tot voorlopig verblijf.(zie noot 2) De Wet inburgering in het buitenland is in 2009 geëvalueerd. Uit de wetsevaluatie blijkt dat het huidige niveau A1-min van het onderzoek naar de Nederlandse luister- en spreekvaardigheid dermate laag is, dat dit de vreemdeling onvoldoende voorbereidt op de taalvaardigheid die nodig is om te kunnen functioneren in Nederland en om een goede aansluiting te hebben op het inburgeringstraject in Nederland.(zie noot 3)
Het ontwerpbesluit strekt in dit verband tot aanpassing van het basisexamen op twee onderdelen. Ten eerste wordt het huidige niveau van de luister- en spreekvaardigheid verhoogd naar het niveau A1 van het Europese referentiekader voor moderne vreemde talen. Daarnaast introduceert het ontwerpbesluit een toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen, waarvoor eveneens het niveau A1 geldt.
De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen over de voorbereidingsmogelijkheden voor de toets naar Geletterdheid en Begrijpend Lezen, de standstill-bepalingen in de associatieovereenkomst met Turkije en de nieuwe bevoegdheid tot ontheffing. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. De toets naar Geletterdheid en Begrijpend Lezen
Het ontwerpbesluit introduceert een toets naar Geletterdheid en Begrijpend Lezen op het niveau A1 van het Europese referentiekader voor moderne vreemde talen. De regering verwacht dat hiermee een grotere mate van zelfredzaamheid vóór de komst naar Nederland wordt aangeleerd en dat het gunstige effecten heeft op het verdere verloop van de inburgering in Nederland.(zie noot 4) Deze toets kan inderdaad een gunstig effect hebben en is onder meer van belang, nu een vreemdeling na toelating tot Nederland een volgend inburgeringstraject dient te doorlopen en uiteindelijk lees- en schrijfvaardigheden dient te beheersen op het niveau A2.(zie noot 5) De beperkte voorbereidingsmogelijkheden voor de toets naar Geletterdheid en Begrijpend Lezen leiden voor de Raad echter tot de volgende opmerkingen.
Het voorgestelde artikel 3.98a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb2000) bepaalt dat gedurende het inburgeringsexamen in het buitenland alleen onderzoek wordt gedaan naar de receptieve vaardigheden, te weten of de vreemdeling geletterd is in het Latijnse schrift en of hij begrijpend kan lezen op het niveau A1.(zie noot 6) Uitgangspunt hierbij is de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling (en zijn partner) om het verlangde kennisniveau te verwerven. Het bestaande oefenpakket zal worden uitgebreid met een taalmodule op basis waarvan de vreemdeling zich zelfstandig het Latijnse schrift eigen kan maken en begrijpend kan leren lezen op het niveau A1.(zie noot 7) Het materiaal zal op een toegankelijke manier worden vormgegeven, waarbij nadrukkelijk aandacht zal zijn voor de verschillende opleidingsniveaus en taalachtergronden, aldus de toelichting.(zie noot 8) De Raad constateert dat de toelichting niet vermeldt welke onderzoeken ten grondslag liggen aan de veronderstelling dat de eisen van Geletterdheid en Begrijpend Lezen in redelijkheid kunnen worden gesteld, indien de vreemdeling uitsluitend op grond van de hiervoor genoemde taalmodule de vereiste schriftelijke vaardigheden moet verwerven.
In zijn advies over de Wet inburgering in het buitenland heeft de Raad benadrukt dat een inburgeringseis naar het oordeel van de Raad slechts gesteld kan worden als de vreemdeling een redelijke mogelijkheid heeft om aan de nieuwe verplichting te voldoen.(zie noot 9) De Minister gaf destijds aan dat het niveau van het basisexamen inburgering niet mag resulteren in een selectie van hoogopgeleiden. Dat zou een reëel risico in zich dragen dat artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in zijn essentie wordt aangetast.(zie noot 10) Dat artikel bepaalt onder andere dat een ieder recht heeft op eerbiediging van zijn familie- en gezinsleven. Daarnaast heeft de Minister benadrukt dat de integratievoorwaarden proportioneel moeten zijn in het licht van de richtlijn gezinshereniging.(zie noot 11) De Europese Commissie heeft in het kader van artikel 7, tweede lid, van deze richtlijn(zie noot 12) aangegeven dat de aanvaardbaarheid van integratievoorwaarden in nationale wetgeving van de lidstaten afhangt van de mate van toegankelijkheid van cursussen, de opzet en de organisatie ervan en de vraag of die maatregelen of het effect ervan ook een ander doel dan integratie dienen.(zie noot 13) Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft onlangs naar aanleiding van prejudiciële vragen uit Nederland overwogen dat lidstaten hun handelingsvrijheid niet zo mogen gebruiken dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van de richtlijn, namelijk de bevordering van gezinshereniging en het nuttig effect daarvan.(zie noot 14)
De Raad merkt op, dat de in de toelichting vermelde uitbreiding van onderwijsfaciliteiten, die tegen een redelijke vergoeding door de Nederlandse overheid ter beschikking worden gesteld, niet op voorhand duidelijk maakt, dat de toets naar Geletterdheid en Begrijpend Lezen in overeenstemming is met de richtlijn gezinshereniging. Hij acht het niet uitgesloten, dat groepen vreemdelingen (met name analfabeten en niet in het Latijnse schrift geletterden) niet slagen voor de toets naar Geletterdheid en Begrijpend Lezen, indien zij uitsluitend op grond van zelfstudie de vereiste schriftelijke vaardigheden moeten verwerven. Hierdoor zouden deze groepen vreemdelingen in beginsel uitgesloten kunnen worden van een komst naar Nederland in het kader van gezinshereniging.
De Raad wijst in dit verband op een onderzoek uit 2009 waaruit blijkt dat de kans op uitsluiting van analfabeten en anders gealfabetiseerden (zoals degenen die uitsluitend geletterd zijn in het Chinese of het Arabische schrift) sterk toeneemt bij een toets naar Geletterdheid en Begrijpend lezen op het niveau A1, indien sprake is van slechts een minimale ondersteuning door de overheid.(zie noot 15) De Adviescommissie Normering Inburgeringseisen kwam in 2004 tot een vergelijkbare conclusie.(zie noot 16) De Raad wijst tevens op de volgende overwegingen die bij de totstandkoming van de Wet inburgering in het buitenland een rol hebben gespeeld bij de keuze voor de vereiste taalvaardigheden: "Door alleen mondelinge taalvaardigheden in het Nederlands op niveau A1-min en niet tevens schriftelijke vaardigheden te verlangen, is het basisexamen in beginsel ook haalbaar voor analfabeten. Bij de keuze voor dit taalvaardigheidniveau is rekening gehouden met het feit dat de potentiële nieuwkomer zich door zelfstudie of met beperkte ondersteuning en onder voor verwerving van de Nederlandse taal niet optimale omstandigheden op het basisexamen inburgering zal moeten voorbereiden." (zie noot 17)
De Nederlandse overheid heeft de organisatie van taalcursussen overgelaten aan de markt. Uit de evaluatie van de Wet inburgering in het buitenland blijkt dat zich in de landen van herkomst uiteenlopende vormen van scholing hebben ontwikkeld die met wisselend succes zijn opgezet. Het aanbod varieert van kleine, povere huiskamerschooltjes niet-gekwalificeerde docenten tot cursussen door professionele opleidingsinstituten.(zie noot 18) Het is derhalve niet zeker of in de landen van herkomst voldoende faciliteiten - tegen een redelijke vergoeding - beschikbaar zijn ter voorbereiding op het inburgeringsexamen, waardoor de vreemdeling een redelijke mogelijkheid heeft om aan het nieuwe inburgeringsvereiste te voldoen.
Gelet op het vorenstaande adviseert de Raad in de toelichting dragend te motiveren dat niet a priori groepen vreemdelingen worden uitgesloten van de komst naar Nederland, indien de vreemdeling uitsluitend op grond van zelfstudie de schriftelijke vaardigheden moet verwerven voor de toets naar Geletterdheid en Begrijpend lezen op het niveau A1, en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.
2. De standstill-bepalingen in de associatieovereenkomst met Turkije
De voorgestelde aanpassing van het basisexamen inburgering in het buitenland geldt voor alle derdelanders die inburgeringsplichtig zijn. Dit betekent dat ook gezinsleden van Turkse werknemers onderworpen zullen worden aan het voorgestelde basisexamen. De Raad wijst erop dat de relatie tussen Nederland en Turkije, waar het gaat om verkeer van personen, diensten en zelfstandigen, wordt beheerst door de associatieovereenkomst EEG-Turkije(zie noot 19), het aanvullend protocol(zie noot 20) en Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije van 19 september 1980.(zie noot 21)
In het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) in de zaak C-92/07 van 29 april 2010 heeft het Hof overwogen dat artikel 13 van Besluit 1/80, vanaf de datum van inwerkingtreding van dat besluit in Nederland, de invoering van nieuwe beperkingen van de uitoefening van het vrije verkeer van werknemers verbiedt, met inbegrip van beperkingen betreffende de materiële of procedurele voorwaarden inzake de eerste toelating tot het grondgebied van deze lidstaat van Turkse staatsburgers die voornemens zijn aldaar van deze vrijheid gebruik te maken (zogenoemde standstill).(zie noot 22) Uit eerdere jurisprudentie van het Hof vloeide dit reeds voort wat betreft de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.(zie noot 23) In het arrest in de zaak Sahin van 17 september 2009 overwoog het Hof dat de werkingssfeer van artikel 13 van Besluit 1/80 ook de gezinsleden omvat wier toelating tot het grondgebied van een lidstaat niet afhankelijk is van het verrichten van arbeid.(zie noot 24)
In vorenstaande jurisprudentie heeft het Hof artikel 13 van Besluit 1/80 nader geduid. Daaruit vloeien mogelijk consequenties voort voor de omvang van de doelgroep van het huidige inburgeringsstelsel.(zie noot 25) De Wet inburgering in het buitenland, die op 15 maart 2006 inwerking is getreden, introduceert ten opzichte van 1 december 1980 een nadere voorwaarde voor de eerste toelating tot Nederland, te weten het inburgeringsexamen in het buitenland. Dit inburgeringsexamen wordt op grond van het ontwerpbesluit aangescherpt.
De Raad adviseert in de toelichting in te gaan op de consequenties van artikel 13 van Besluit 1/80 voor het inburgeringsexamen in het buitenland en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.
3. Bevoegdheid tot ontheffing
Artikel 16 van de Vreemdelingenwet 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning kan worden afgewezen indien de vreemdeling het basisexamen inburgering niet met goed gevolg heeft afgelegd. De toelichting vermeldt dat in de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc2000) zal worden geregeld dat het inburgeringsvereiste niet wordt gesteld indien dit naar het oordeel van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
De Raad is van oordeel dat het onderwerp bepalend behoort te zijn voor het niveau waarop de regelgeving wordt vastgesteld. Een bevoegdheid tot ontheffing is een wezenlijk onderdeel van het inburgeringsstelsel.(zie noot 26) Gelet hierop, acht de Raad het niet wenselijk dat deze bevoegdheid wordt opgenomen in de Vc2000. De Raad adviseert de bevoegdheid tot ontheffing toe te voegen aan artikel 3.71a van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De Raad adviseert het ontwerpbesluit en de toelichting in het licht van het vorenstaande aan te passen.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 27 augustus 2010
De Raad geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan zijn advies aandacht zal zijn geschonken.
Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad van State merk ik het volgende op.
1.Ingevolge het advies van de Raad van State is in de nota van toelichting nader gemotiveerd waarom de regering niet verwacht dat a priori groepen vreemdelingen worden uitgesloten van de komst naar Nederland door de invoering van de toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen (hierna: GBL).
Het verwerven van de benodigde taalvaardigheden voor de toets GBL vergt het nodige initiatief en doet een aanspraak op de eigen verantwoordelijkheid van vreemdelingen. De vreemdeling aanspreken op zijn eigen verantwoordelijkheid is een belangrijk uitgangspunt binnen het inburgeringsstelsel en zo ook in de Wet inburgering in het buitenland.(zie noot 27)
Juist dit beroep op de eigen verantwoordelijkheid draagt er aan bij dat nieuwkomers een betere aansluiting kunnen vinden bij de Nederlandse samenleving die een hoge mate van zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid van burgers verwacht. In het licht van de verhoging van niveau A1-min naar niveau A1 en de toevoeging van de toets GBL vindt de regering het uiteraard van belang dat de wet stand kan houden binnen de internationale rechtsorde (bijvoorbeeld artikel 8 EVRM en artikel 7 van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging) en dat derhalve geen groepen a priori worden uitgesloten van komst naar Nederland. De vreemdeling dient met de nodige inspanning en een beroep op de eigen verantwoordelijkheid een redelijke mogelijkheid te hebben om te slagen voor het basisexamen inburgering in het buitenland.
De regering investeert derhalve, meer dan voorheen, in de zelfstudiemogelijkheden en breidt deze zodanig uit dat zij toegankelijk zijn voor de verschillende opleidingsniveau’s en herkomstlanden. Voor een beperkte groep van kandidaten geldt dat zij analfabeet of anders-gealfabetiseerd zijn.(zie noot 28) Met deze groep is specifiek rekening gehouden door twee varianten van het studiemateriaal te ontwikkelen: één voor laag-, middelbaar en hoogopgeleiden en één voor analfabeten of anders gealfabetiseerden. De inzet van de eigen taal als instructietaal, het e-learning en audiovisueel materiaal maakt dat al deze kandidaten zich zelfstandig kunnen voorbereiden. Voor die kandidaten die extra begeleiding nodig hebben bij het materiaal, geldt dat het materiaal ter ondersteuning van die begeleiding ingezet kan worden. Het zoeken naar en vinden van geschikte begeleiding acht de regering primair tot het domein van de eigen verantwoordelijkheid van kandidaten te behoren. Wel onderzoekt de regering momenteel hoe initiatieven in de markt op het gebied van Nederlands taalonderwijs gestimuleerd kunnen worden en hoe kandidaten hierover geïnformeerd kunnen worden. In de nota van toelichting zijn deze punten nader uitgelegd. De Nederlandse regering draagt er op deze wijze zorg voor dat kandidaten in het buitenland met de nodige eigen inspanning een redelijke mogelijkheid hebben om te slagen voor het examen. Het doel van de toets GBL is immers de volwaardige participatie en integratie van nieuwe Nederlanders en niet de beperking van het recht op uitoefening van gezinsleven.
Ten aanzien van artikel 8 EVRM is in de nota van toelichting nader verduidelijkt hoe voorkomen wordt dat artikel 8 EVRM zou kunnen worden geschonden, daar waar in uitzonderlijke gevallen blijkt dat een kandidaat vanwege individuele omstandigheden niet in staat is om het basisexamen inburgering in het buitenland met succes af te leggen. Op grond van het facultatieve artikel 16 van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden besloten de aanvraag voor een verblijfsvergunning in voormelde specifieke gevallen niet af te wijzen. Daarnaast is in het Vreemdelingenbesluit 2000 in artikel 3.71a opgenomen dat het behalen van het basisexamen inburgering niet zal worden vereist, indien dit zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dienaangaande zullen nadere regels worden gesteld door de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie. Tot slot kan er ook op grond van artikel 8 EVRM, gezien de doorwerking van deze bepaling in de Nederlandse rechtsorde, in voormelde specifieke gevallen worden besloten dat de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet wordt afgewezen. Op voorgaande wijze wordt voorkomen dat artikel 8 EVRM zou kunnen worden geschonden.
2. Ingevolge het advies van de Raad van State met betrekking tot de standstill-bepalingen in de associatieovereenkomst met Turkije is de nota van toelichting als volgt aangepast. De regering ziet vooralsnog geen aanleiding om aan artikel 13 van Besluit 1/80 gevolgen te verbinden voor het basisexamen inburgering in het buitenland voor gezinsleden van Turkse werknemers. De beide kamers der Staten-Generaal zijn bij brief van de Minister van Justitie d.d. 17 juni 2010(zie noot 29) geïnformeerd over de gevolgen die aan het arrest van het Hof van Justitie van 29 april 2010 in de zaak C-92/07 voor de Nederlandse legesheffing worden verbonden. Over de legesheffing geeft het arrest bij de eerste toelating van Turkse werknemers en hun gezinsleden duidelijkheid. Verdere gevolgen voor de voorwaarden voor eerste toelating van Turkse werknemers en hun gezinsleden kunnen overigens niet worden uitgesloten, omdat de reikwijdte van de Associatieovereenkomst EEG/Turkije, het Aanvullend Protocol en Besluit 1/80 en van de daarin vervatte standstill-bepalingen nog niet is uitgekristalliseerd. Diverse prejudiciële vragen zijn nog aanhangig bij het Hof.
De voortschrijdende jurisprudentiële ontwikkelingen zullen nadere duiding moeten geven aan deze reikwijdte, ook in relatie tot het stellen van voorafgaande integratievoorwaarden aan gezinsleden van Turkse werknemers. Temeer daar het basisexamen inburgering in het buitenland een snelle en effectieve integratie in Nederland beoogt. Indien bij voortschrijdende ontwikkeling van het associatierecht met Turkije hierover meer duidelijk wordt, zal, zo nodig, het Vreemdelingenbesluit 2000 worden aangepast.
3. De Raad acht het niet wenselijk om de bevoegdheid tot ontheffing in de Vreemdelingencirculaire 2000 op te nemen en stelt voor de ontheffing op een hoger niveau, te weten het Vreemdelingenbesluit 2000, op te nemen. Overeenkomstig het advies van de Raad is in het Vreemdelingenbesluit 2000 in het tweede lid, onder d, van artikel 3.71a opgenomen dat het behalen van het basisexamen inburgering niet zal worden vereist, indien dit zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In artikel 3.71a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is verder bepaald dat nadere regels kunnen worden gesteld omtrent de toepassing van voormelde bevoegdheid.
4. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het ontwerpbesluit en de nota van toelichting als volgt te wijzigen:
a) De inwerkingtreding van het ontwerpbesluit is aangepast, waarbij ook voor artikel I, onderdeel A, en onderdeel B, onder 2, is bepaald dat dit in werking zal treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor het tijdstip zal liggen waarop artikel I, onderdeel B, onder 1, 3, 4 en 5 inwerking zal treden (artikel II).
b) Wegens toetstechnische redenen is in afstemming met de maker van de toets GBL bepaald dat alleen wordt getoetst tot en met niveau A1 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. Derhalve is in de derde zin van paragraaf 3.3. ‘kandidaten […] krijgen een uitslag op een schaal die loopt tot en met CEF-niveau A2’ vervangen door ‘kandidaten […] krijgen een uitslag op een schaal die loopt tot en met CEF-niveau A1’. Als gevolg hiervan heeft de vierde zin van paragraaf 3.3, vierde alinea van de nota van toelichting, zijn betekenis verloren en is deze komen te vervallen.
c) Ten aanzien van artikel 8 EVRM is in de nota van toelichting verduidelijkt dat een inmenging alleen gerechtvaardigd is indien dit ook een legitiem doel betreft.
d) Gestreefd wordt naar inwerkingtreding van de toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen per 1 maart 2011 (zie voortgangsbrief maatregelen Huwelijksmigratie van 30 juni 2010, TK 32 175, nr. 10). Om deze reden is de streefdatum 1 januari 2011 verwijderd uit de nota van toelichting.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het ontwerpbesluit en in de nota van toelichting nog een enkele redactionele verbetering aan te brengen.
Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Justitie, het gewijzigde ontwerpbesluit doen toekomen, alsmede de gewijzigde nota van toelichting, en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister voor Wonen, Wijken en Integratie
(1) Dit betreft met name vreemdelingen die in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming toelating tot Nederland verzoeken en voor een niet tijdelijk doel in Nederland willen verblijven.
(2) Het basisexamen inburgering in het buitenland bestaat thans uit twee onderdelen, te weten een onderzoek naar de Nederlandse luister- en spreekvaardigheid van de vreemdeling en een onderzoek naar de kennis van de Nederlandse samenleving (artikel 3.98a van het Vreemdelingenbesluit 2000).
(3) Nota van toelichting, paragraaf 3.
(4) Nota van toelichting, paragraaf 3.3.
(5) Op grond van artikel 2.9 van het Besluit inburgering maakt een onderzoek naar de lees- en schrijfvaardigheid op het niveau A2 deel uit van het inburgingsexamen in Nederland.
(6) Blijkens de toelichting worden de actieve schriftelijke vaardigheden niet getoetst omdat hierbij ook correcte spelling en grammatica van belang zijn. Een dergelijke mate van taalbeheersing wordt niet haalbaar geacht omdat verwerving van de vaardigheden mogelijk moet zijn op grond van zelfstudie. Hierbij is mede van belang dat a priori geen grote groepen mogen worden uitgesloten van een komst naar Nederland, aldus paragraaf 3.3 van de nota van toelichting.
(7) Nota van toelichting, paragraaf 3.4.
(8) Nota van toelichting, paragraaf 3.4.
(9) Zie advies no.W03.04.0078/I van de Raad van State van 13 april 2004 (Kamerstukken II 2003/04, 29 700, nr. 4).
(10) Kamerstukken II, 2004/05, 29 700, nr. 6, blz. 18.
(11) Richtlijn nr. 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PbEU L 251).
(12) Artikel 7, tweede lid, van de richtlijn gezinshereniging luidt als volgt: De lidstaten kunnen van onderdanen van derde landen verlangen dat zij overeenkomstig het nationale recht aan integratievoorwaarden voldoen.
(13) Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende de toepassing van richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging, 8 oktober 2008, COM(2008) 610 definitief.
(14) Arrest van het Hof in zaak C-578/08 (Chakroun) van 4 maart 2010, n.n.g., rechtsoverweging 43.
(15) Triarri, Randvoorwaarden niveau A1 inburgeringsexamen buitenland, deel II, Feitenonderzoek en scenario’s blz. 30 en 37.
(16) Adviescommissie Normering Inburgeringseisen, Inburgering getoetst: advies over het niveau van het inburgeringsexamen in het buitenland, Den Haag, februari 2004, blz. 32, 35.
(17) Kamerstukken II, 2004/05, 29 700, nr. 6, blz. 17.
(18) Eindrapport, de Wet inburgering Buitenland, een onderzoek naar de resultaten en de eerste effecten, Regioplan, april 2009, blz 24-25.
(19) Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, Pb EG 1964, 3687/64.
(20) Associatie E.E.G./ Turkije, aanvullend protocol, Pb EG 1972, L 293/3.
(21) Besluit nr. 1/80 van de associatieraad d.d. 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie.(22) Arrest van het Hof in zaak C-92/07 (Europese Commissie tegen Nederland) van 29 april 2010, n.n.g., rechtsoverweging 49.
(23) Arrest van het Hof in zaak C-16/05 (Tum en Dari) van 20 september 2007, jur. 2007, I-7415.
(24) Arrest van het Hof in zaak C-242/06 (Sahin) van 17 september 2009,n.n.g., rechtsoverweging 51.
(25) Zo heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een zaak geoordeeld dat het beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de vergunning is aangevraagd, een beperking is in de zin van artikel 41 van het Aanvullend Protocol voor Turkse zelfstandigen en dienstverleners (zie uitspraak nr. 200409217/1-A).
(26) Aanwijzing 26 van de Aanwijzingen voor de Regelgeving.
(27) Zoals o.a. vastgelegd in de nota van toelichting bij het besluit van 17 februari 2006 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met inburgering in het buitenland, Stb. 2006, 94.
(28) Op basis van eerdere nieuwkomersmonitoren in 2004, 2005 en 2006, blijkt dat in die jaren 9 à 10% van de nieuwkomers die in Nederland aan een inburgeringstraject deelnamen, analfabeet was.
(29) Kamerstukken II, 2009/10, 30 573, nr. 56.