Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W03.01.0048/I

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende aanwijzing van verwerkingen van persoonsgegevens die zijn vrijgesteld van de melding bedoeld in artikel 27 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Vrijstellingsbesluit Wbp).

Kenmerk
W03.01.0048/I
Datum advies
27 maart 2001
Vindplaats
Bijvoegsel Staatscourant 10 juli 2001, nr 130
  • Justitie en Veiligheid
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende aanwijzing van verwerkingen van persoonsgegevens die zijn vrijgesteld van de melding bedoeld in artikel 27 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Vrijstellingsbesluit Wbp).

Bij Kabinetsmissive van 26 januari 2001, no.01.000384, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende aanwijzing van verwerkingen van persoonsgegevens die zijn vrijgesteld van de melding bedoeld in artikel 27 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Vrijstellingsbesluit Wbp).

Het voorgestelde Vrijstellingsbesluit Wbp geeft uitvoering aan artikel 29, eerste en tweede lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Het ontwerpbesluit volgt het geldende - op de Wet persoonsregistraties (Wpr) gebaseerde - Besluit genormeerde vrijstelling (Bgv) op. In het systeem van vrijstellingen van het ontwerpbesluit zijn ten opzichte van het systeem van de Bgv enkele veranderingen aangebracht die voortvloeien uit de wettelijke grondslag. De Wpr kent namelijk een open systeem van nader aan vrij te stellen registraties te verbinden voorwaarden, terwijl het onder de Wbp niet meer mogelijk is dergelijke nadere normen te stellen daar in die wet vaste criteria zijn gegeven waaraan een verwerking moet voldoen om vrijgesteld te worden. In het ontwerpbesluit is aan de verwerkingen die reeds in het Bgv zijn vrijgesteld een aantal standaardverwerkingen en veel voorkomende verwerkingen toegevoegd. Omwille van de continuïteit is bij de bewerking van het Bgv met het oog op de Wbp zoveel mogelijk geprobeerd de gehanteerde formuleringen te handhaven.
Het resultaat daarvan is dat het ontwerpbesluit voor 40 typen gegevensverwerkingen een afzonderlijke vrijstellingsregeling bevat. Tevens zijn enkele combinaties van verwerkingen vrijgesteld.
De Raad van State maakt een aantal opmerkingen met betrekking tot de omvang en de motivering van de voorgestelde vrijstellingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.

1a. Ingevolge artikel 29, eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur alleen tot vrijstelling van de normaliter vereiste melding worden overgegaan, indien het gaat om verwerkingen van gegevens "waarbij de inbreuk op de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene onwaarschijnlijk is". Tot deze fundamentele rechten en vrijheden behoort in elk geval het in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde grondrecht. Deze verdragsbepaling, zoals in de jurisprudentie uitgelegd, stelt materiële eisen aan de beperking van het recht op privacy. Het beperkende voorschrift moet nauwkeurig zijn en adequate en effectieve waarborgen bevatten tegen ongeoorloofde inbreuken. De beperking moet worden gerechtvaardigd door een "pressing social need" en in overeenstemming zijn met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De Raad is van oordeel dat niet bij alle onderdelen van het ontwerpbesluit voldoende is geadstrueerd dat "de inbreuk op de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene onwaarschijnlijk is".

b. De Raad geeft, gelet op het vorenstaande, in overweging in elk geval vijf bepalingen uit het ontwerpbesluit nader te bezien op hun verenigbaarheid met artikel 29, eerste lid, van de wet en dit - voorzover daaraan wordt voldaan - duidelijk toe te lichten. Deze bepalingen zien - onder verwijzing naar artikel 8, onder e, Wbp(zie noot 1) - op de verstrekking van persoonsgegevens aan ambtenaren van de politie.
In de eerste plaats betreft het artikel 24, vierde lid, onder c, waarin ambtenaren van politie de mogelijkheid wordt geboden kennis te nemen van persoonsgegevens die worden verwerkt in verband met de afgifte van reisdocumenten in het kader van de uitvoering van de Paspoortwet. Volgens de nota van toelichting is deze gegevensverstrekking mogelijk gemaakt omdat het in de dagelijkse praktijk voorkomt dat de politie voor de uitvoering van haar werkzaamheden een kopie van de pasfoto van betrokkene nodig heeft. Welke politiewerkzaamheden het betreft laat de toelichting in het midden. Wel wordt gesteld dat ten aanzien van een dergelijke verstrekking terughoudendheid op zijn plaats is. Onder het regime van de Wpr heeft de Registratiekamer uitgesproken(zie noot 2) dat de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) als zodanig geen informatieverplichting in het leven roepen, daar het geen wettelijke voorschriften als bedoeld in artikel 11, eerste lid, Wpr(zie noot 3) betreft. Wel kan in de loop van een strafrechtelijk onderzoek een informatieverplichting ontstaan, in welk geval artikel 29, derde lid, van toepassing zou kunnen zijn. Daar komt nog bij dat het begrip "persoonsgegeven" in artikel 24, vierde lid, onder c, meer omvat dan alleen de pasfoto waar het blijkens de toelichting om gaat. Daarbij wijst de Raad erop dat in een recent, op dit moment nog bij de Staten-Generaal aanhangig wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering(zie noot 4) strikte eisen worden gesteld aan "het maken van fotografische opnamen" van voor onderzoek opgehouden verdachten. Hiermee spoort een ruim gestelde bevoegdheid van de politie, kennis te nemen van pasfoto’s uit een registratie ten behoeve van de afgifte van reisdocumenten niet. De Raad dringt erop aan de consistentie van de wetgeving nader te bezien. Bezien dient te worden in hoeverre de behoefte aan kennisneming van persoonsgegevens niet beter kan worden gebaseerd op artikel 29, derde lid, Wbp.
In de tweede plaats betreft het artikel 26, vierde lid, onder b, waarin ambtenaren van politie de mogelijkheid wordt geboden kennis te nemen van persoonsgegevens die in het kader van een naturalisatieverzoek zijn verstrekt.
In de derde plaats betreft het artikel 35, vierde lid, onder b, waarin ambtenaren van politie de mogelijkheid wordt geboden kennis te nemen van verwerkingen van persoonsgegevens die via de bezoekersregistratie worden verzameld in het kader van de toegang tot gebouwen of informatiesystemen.
In de vierde plaats betreft het artikel 37, vierde lid, onder b, waarin ambtenaren van politie de mogelijkheid wordt geboden kennis te nemen van verwerkingen van persoonsgegevens die via de bezoekersregistratie worden verzameld in verband met het interne beheer en de bedrijfsbeveiliging.
In de vijfde plaats betreft het artikel 38, vijfde lid, onder b, waarin ambtenaren van politie de mogelijkheid wordt geboden kennis te nemen van verwerkingen van persoonsgegevens die door middel van het gebruik van videocamera’s worden verzameld.
De drie laatstgenoemde mogelijkheden gelden "in geval van incidenten". Wat daaronder dient te worden verstaan, welk belang deze gegevensverstrekking rechtvaardigt alsmede welke relatie er is tussen deze gegevensverstrekking en een bepaalde publiekrechtelijke taak wordt evenwel niet duidelijk.

c. In dit verband moet tevens worden opgemerkt dat de voorgestelde gegevensverstrekking aan de ambtenaren van de politie het door de gekozen losse en ruime redactie mogelijk maakt alle beperkingen die ten aanzien van het strafrechtelijk onderzoek gelden - in het bijzonder het voorgestelde artikel 61a, eerste lid, onder a, WvSv (het maken van fotografische opnamen van de verdachte)(zie noot 5) - via de voorgestelde vijf bepalingen te omzeilen. Bovendien kan dit buiten het bereik van het justitiële toezicht plaatsvinden indien de politie taken verricht op het terrein van de handhaving van de openbare orde en de hulpverlening, dan wel ter uitvoering van de wetgeving inzake inlichtingen- en veiligheidsdiensten en in dat kader wenst te beschikken over een fotografische opname van een bepaald persoon en wellicht ook over andersoortige persoonsgegevens. De Raad adviseert de verhouding tussen de onderscheiden regelingen nader te overwegen en daarbij onder ogen te zien of de mate van bescherming van de persoonlijke levenssfeer in die regelingen in evenwicht is.

d. In elk geval moeten de desbetreffende bepalingen nauwkeuriger en adequater geformuleerd worden. Zo valt met betrekking tot artikel 24 een discrepantie waar te nemen tussen de term "persoonsgegeven" in het besluit en de term "pasfoto" in de nota van toelichting en is in de artikelen 37 en 38 niet duidelijk wat de reikwijdte is van de woorden "in geval van incidenten".

2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, is artikel 27 van de wet niet van toepassing op verwerkingen van kerkgenootschappen of andere genootschappen op geestelijke grondslag betreffende de daartoe behorende personen en hun gezinsleden of begunstigers, voorzover deze verwerkingen voldoen aan de in dit artikel vermelde eisen. Het vierde lid, onder c en d, van dit artikel maakt het mogelijk persoonsgegevens betreffende tot een genootschap op geestelijke grondslag behorende personen en hun gezinsleden of betreffende begunstigers aan "bijzondere" derden te verstrekken.
De Raad wijst in het licht hiervan erop dat niet voorbij kan worden gegaan aan verwerking van persoonsgegevens van met kerkgenootschappen verwante organisaties die taken verrichten die verweven zijn met de kerkelijke functie, zoals instellingen op het gebied van de diaconie. Hetzelfde kan worden gesteld ten aanzien van verwerkingen van organisaties van verschillende kerkgenootschappen, waarbij met name gedacht kan worden aan de Stichting Interkerkelijke Ledenadministratie. De Raad meent dat ten aanzien van deze organisaties verduidelijkt dient te worden of zij onder het bereik van artikel 27 vallen. Indien dit niet het geval is, adviseert de Raad het ontwerpbesluit aan te passen.

3. Volgens de toelichting op artikel 38 dient het gebruik van camera’s kenbaar te zijn, omdat de inbreuk op de fundamentele rechten en vrijheden van burgers door videocameratoezicht alleen onwaarschijnlijk kan worden geacht in geval van niet heimelijk gebruik van camera’s voor bewakingsdoeleinden. Het is noodzakelijk dat vereiste in de bepaling op te nemen.

4. Ten opzichte van het Bgv bevat het ontwerpbesluit een aantal nieuwe vrijstellingen dat is opgenomen na overleg met een groot aantal instellingen en organisaties. Het verdient de voorkeur in de nota van toelichting door middel van een vergelijkend overzicht inzichtelijk te maken hoe de oude en de nieuwe vrijstellingen zich ten opzichte van elkaar verhouden.

5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Raad van State van 27 maart 2001, no.W03.01.0048/I, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

- Artikel 44 redactioneel zodanig aanpassen dat onderdeel b beter aansluit op de aanhef van de bepaling.
- Ten aanzien van de volgorde van de artikelen 47 en 48 aanwijzing 96 van de Aanwijzingen voor de regelgeving in acht nemen.



Nader rapport (reactie op het advies) van 27 april 2001


1. De Wbp bevat in hoofdstuk 2 de inhoudelijke normen die in onderlinge samenhang het kader vormen waarbinnen de afweging moet worden gemaakt over de rechtmatigheid van een gegevensverwerking. De vraag of de politie voor de uitvoering van haar werkzaamheden bepaalde persoonsgegevens mag verwerken, dient te worden beantwoord aan de hand van dit wettelijk regime. Artikel 8, onder e, bepaalt dat persoonsgegevens slechts mogen worden verstrekt indien dit noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak. Artikel 8, onder c, bepaalt vervolgens dat eveneens gegevens mogen worden verwerkt indien dit noodzakelijk is ter nakoming van een wettelijke verplichting. In dit kader kan daarbij met name gedacht worden aan verstrekking aan de politie op grond van het Wetboek van Strafvordering. Ook het door de Raad in haar advies aangehaalde wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering stelt voorwaarden aan het maken van fotografische opnamen van voor onderzoek opgehouden verdachten. Eerst indien geconcludeerd is dat gegevensverstrekking aan de politie is toegestaan binnen dit wettelijk kader, komt artikel 29 Wbp en in het verlengde daarvan het onderhavige besluit, aan de orde. Dit besluit bevat immers niet een zelfstandige grondslag voor het verwerken van gegevens. Het regelt de voorwaarden waaronder een verwerking van gegevens is vrijgesteld van de aanmeldingsplicht, bedoeld in artikel 27 Wbp. De criteria die de Raad van State in haar advies opsomt en die voortvloeien uit artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden spelen in dit verband een rol in het nader afbakenen van deze voorwaarden. Artikel 29 Wbp bepaalt immers dat er slechts grond is voor een vrijstelling van de aanmeldingsplicht indien het een verwerking betreft waarbij een inbreuk op de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene onwaarschijnlijk is. Daaraan doet niet af dat van deze voorwaarden een zekere normerende werking zal uitgaan. Ook in de nota van toelichting bij dit besluit wordt hier op gewezen (paragraaf 2.3). Deze normerende werking dient echter als een nadere omschrijving of precisering van het algemene kader dat de Wbp schetst, te worden beschouwd. De voorschriften van dit besluit bieden zeker niet - als een van het algemeen kader van de Wbp losstaand stelsel - een zelfstandige grondslag voor het mogen verwerken van persoonsgegevens. Soortgelijke opmerkingen kunnen worden gemaakt ten aanzien van de gegevensverstrekking op grond van artikel 29, derde lid, van de Wbp. De gegevensverstrekkingen in dit besluit waar de Raad op wijst, kunnen derhalve als een nadere uitwerking van artikel 8, onder e van de Wbp worden beschouwd. Indien bijvoorbeeld gegevens die via een bezoekersregistratie zijn verzameld in verband met het interne beheer en de bedrijfsbeveiliging aan de politie worden verstrekt met het oog op het opsporen van een strafbaar feit (de situatie waarop artikel 37, vierde lid, onder b, van dit besluit op doelt), geldt dit gebruik als verenigbaar met het oorspronkelijke doel in de zin van artikel 9 Wbp. Als nadere waarborg met het oog op de vrijstelling van de aanmeldingsplicht is opgenomen dat dergelijke verstrekkingen slechts in geval van incidenten mogen plaatsvinden. Daaronder wordt verstaan dat het hier enkel verstrekkingen betreft op initiatief van de verstrekker in geval van een incident, bijvoorbeeld een overval, waarbij de hulp van de politie noodzakelijk is.
Voor de duidelijkheid zei hier nog opgemerkt dat andere verstrekkingen aan de politie binnen het kader van de Wbp ook toelaatbaar kunnen zijn echter dat deze wel moeten worden aangemeld bij het College bescherming persoonsgegevens.

Aangezien de term "persoonsgegeven van een betrokkene" eveneens diens beeld omvat is de tekst van artikel 24 niet strijdig met de toelichting daarop. Een kopie van een pasfoto is te beschouwen als een persoonsgegeven van de betrokkene.

2. De formulering van artikel 4 is ontleend aan artikel 3 van het Besluit genormeerde vrijstelling (Bgv) en wordt ook gebruikt in artikel 17, eerste lid, onder a, Wbp. In bepaalde gevallen kunnen kerkgenootschappen gegevens verstrekken aan organisaties die aan hun genootschap verwant zijn en die taken verrichten die verweven zijn met de kerkelijke functie. De vraag of dit de vrijstelling van de aanmeldingsplicht aantast laat zich niet in zijn algemeenheid beantwoorden. Per geval zal beoordeeld moeten worden of de organisatie aan de in artikel 4, onder c en d, van dit besluit gegeven omschrijving voldoet. Daarbij geldt eveneens de beperking van artikel 2 van dit besluit waarin als voorwaarde voor vrijstelling van de aanmeldingsplicht is opgenomen dat de verwerkingen van persoonsgegevens uitsluitend door of ten behoeve van één verantwoordelijke geschieden

3. Naar aanleiding van het advies van de Raad zijn in het eerste lid van artikel 38 na "het gebruik van" de woorden "duidelijk zichtbare" ingevoegd.

4. In paragraaf 1 van de nota van toelichting is thans een opsomming gegeven van de categorieën van verwerkingen die zijn toegevoegd aan de reeds onder het Bgv opgenomen verwerkingen die zijn vrijgesteld van de aanmeldingsplicht.

5. De redactionele opmerkingen van de Raad zijn verwerkt.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerp-besluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te doen besluiten.

De Minister van Justitie



(1) Tekst artikel 8, onder e, Wbp: Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien: ... (e) de gegevens-verwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of …
Ook in de memorie van toelichting op artikel 8, onder e, Wbp wordt opgemerkt dat bij de beoordeling van de noodzaak van de betrokken verwerking de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een belangrijke rol spelen (Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr.3, blz.85).
(2) Uitspraak van 29 maart 1993, 92.C.134 (Weigering Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen om gegevens te verstrekken aan opsporingsambtenaren voor onderzoek naar uitkeringsfraude).
(3) Tekst artikel 11, eerste lid, Wpr: Uit een peroonsregistratie worden slechts gegevens aan een derde verstrekt voorzover zulks voortvloeit uit het doel van de registratie, wordt vereist ingevolge een wettelijk voorschrift of geschiedt met toestemming van de geregistreerde.
(4) Voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten omtrent de toepassing van maatregelen in het belang van het onderzoek en enige andere onderwerpen (Kamerstukken II 1999/2000, 26 983, nrs.1-2 en nr.6). Bij nota van wijziging is voorgesteld te spreken over: "fotografische opnamen of video-opnamen".
(5) Voorstel van wet genoemd in noot 4.0

  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon