Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W03.01.0218/I

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende nadere regels over het DNA-onderzoek in strafzaken (Besluit DNA-onderzoek in strafzaken).

Kenmerk
W03.01.0218/I
Datum advies
16 juli 2001
Vindplaats
Bijvoegsel Staatscourant 9 oktober 2001, nr 195
  • Justitie en Veiligheid
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende nadere regels over het DNA-onderzoek in strafzaken (Besluit DNA-onderzoek in strafzaken).

Bij Kabinetsmissive van 14 mei 2001, no.01.002369, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende nadere regels over het DNA-onderzoek in strafzaken (Besluit DNA-onderzoek in strafzaken).

Het ontwerpbesluit strekt tot vervanging van het Besluit DNA-onderzoeken dat op 1 september 1994 in werking is getreden. Het bevat onder meer de uitwerkingen die voortvloeien uit wetsvoorstel 26 271.(zie noot 1) In dat wetsvoorstel wordt onder meer:
- aan de officier van justitie de bevoegdheid toegekend het afnemen van celmateriaal te bevelen;
- het geven van een bevel tot afname van celmateriaal uitgebreid tot alle misdrijven omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering (WvSv);
De Raad van State maakt de volgende opmerkingen bij het ontwerpbesluit. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.

1. Artikel 5, gelezen in samenhang met de titel van paragraaf 2, wekt de indruk als zou het ontwerpbesluit mede de inbeslagneming willen regelen van celmateriaal of van voorwerpen waarop mogelijkerwijs celmateriaal aanwezig is. De Raad gaat er echter van uit dat met het ontwerpbesluit niet meer is beoogd dan het treffen van een regeling ter waarborging van een zorgvuldige behandeling van celmateriaal, langs welke weg ook verkregen. Hij adviseert om dit laatste ondubbelzinnig in artikel 5 en de titel van paragraaf 2 tot uitdrukking te brengen.

2. Ingevolge artikel 10, derde lid, van het ontwerpbesluit zendt de deskundige zijn verslag rechtstreeks aan de officier van justitie of de rechter-commissaris. Het huidige Besluit DNA-onderzoeken voorziet niet in de mogelijkheid van rechtstreekse toezending.(zie noot 2) Intussen is in de praktijk de gewoonte ontstaan dat de zaaks-officier of de rechter-commissaris rechtstreeks contact heeft met de deskundige die het DNA-onderzoek verricht. De Raad adviseert om de voorgestelde verandering als neergelegd in artikel 10, derde lid, in de toelichting te motiveren, en daarbij tevens in te gaan op de vraag in hoeverre een direct contact tussen de deskundige en officier van justitie of rechter-commissaris zich verdraagt met de zelfstandigheid en onafhankelijkheid waarmee het onderzoek dient plaats te vinden en met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degene van wie afgenomen materiaal afkomstig is.

3. In artikel 14, vijfde lid, van het ontwerpbesluit is bepaald dat de directeur van het instituut de DNA-profielen die in de DNA-databank zijn vastgelegd opnieuw kan bepalen indien de stand van de techniek dat noodzakelijk maakt. Hij kan tevens de in de DNA-databank vastgelegde DNA-profielen onderling vergelijken met het oog op het doel, bedoeld in het eerste lid, en leden van het openbaar ministerie en met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht van de resultaten daarvan in kennis stellen.
De Raad wijst er in dit verband op dat de bevoegdheid tot het laten verrichten van DNA-onderzoek en het in verband daarmee bepalen van het DNA-profiel, behoort tot de bevoegdheid van de officier van justitie of de rechter-commissaris. De officier, respectievelijk de rechter-commissaris, stelt de verdachte schriftelijk in kennis van de uitslag van het onderzoek. Het WvSv voorziet niet in de mogelijkheid tot delegatie van deze bevoegdheden. Over het opnieuw bepalen van de DNA-profielen en de onderlinge vergelijking van DNA-profielen die in de DNA-databank zijn vastgelegd, is verder in de wet niets geregeld. Tegen het opnieuw bepalen van een eerder vastgesteld DNA-profiel (en het eventueel informeren van de officier van justitie of de rechter-commissaris die het aangaat over de uitkomsten daarvan) behoeft geen overwegend bezwaar te bestaan, nu het daarbij gaat om een DNA-profiel dat al eerder is vastgesteld ingevolge een opdracht van de officier van justitie of de rechter-commissaris. Dat ligt echter anders voor de onderlinge vergelijking van DNA-profielen op eigen initiatief van de directeur, en voor het verstrekken van informatie over de uitkomsten aan officier van justitie of rechter-commissaris. De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak heeft er terecht op gewezen dat de directeur geen opsporingsinstantie is.
De vergelijking van DNA-profielen kan consequenties hebben voor de beslissing omtrent vervolging en raakt daarmee aan de verantwoordelijkheid van de officier, dan wel de rechter-commissaris. Daarom dient, ook als het gaat om vergelijking, de bevoegdheid tot het beslissen daartoe in alle gevallen voorbehouden te blijven aan de officier en de rechter-commissaris. Aldus worden de rechten van de (mogelijke) verdachten gewaarborgd op een soortgelijke wijze als bij de eerste vaststelling van het profiel. Het college beveelt aan artikel 14, vijfde lid, tweede volzin, van het ontwerpbesluit in die zin te wijzigen.

4. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De waarnemend Vice-President van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Raad van State van 16 juli 2001, no.W03.01.0218/I, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

- In plaats van het op verschillende plaatsen in het ontwerpbesluit opnemen van delegatiebepalingen inzake nadere regels over identiteitszegels en/of sluitzegels (artikelen 4, tweede lid, 5, vierde lid, 8, derde lid, en 11, tweede lid) in één afzonderlijk artikel in dit ontwerpbesluit bepalen dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld inzake identiteits- en sluitzegels; die bepaling geldt dan voor alle in het ontwerpbesluit genoemde identiteits- en sluitzegels.
- In artikel 5, eerste lid, "een opsporingsambtenaar" vervangen door: de opsporingsambtenaar.
- In artikel 10, derde lid, "binnen" laten vervallen.
- In artikel 17, expliciteren waarnaar "hem" in het eerste lid, onderdeel a, en "zijn" in het eerste lid, onder b, verwijzen.
- Artikel 18, tweede en derde lid, "van minder dan ten hoogste" vervangen door: van ten hoogste.
- In de toelichting, algemeen deel, onder "Bewaren en vernietigen van celmateriaal en DNA-profielen", vijfde tekstblok, de zin: "De term privéleven heeft dezelfde betekenis als de term persoonlijke levenssfeer in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet, waarin is neergelegd dat inbreuken op het recht op eerbiediging … zijn geregeld" wijzigen in: De persoonlijke levenssfeer in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Grondwet omvat wat in artikel 8 EVRM is omschreven als privéleven. In artikel 10, eerste lid, van de Grondwet is bepaald dat beperkingen op het recht op eerbiediging … zijn geregeld.



Nader rapport (reactie op het advies) van 20 augustus 2001


1. De Raad gaat ervan uit dat met het ontwerpbesluit niet meer is beoogd dan het treffen van een regeling ter waarborging van een zorgvuldige behandeling van celmateriaal, langs welke weg ook verkregen. De Raad adviseert om dit ondubbelzinnig in artikel 5 en de titel van paragraaf 2 tot uitdrukking te brengen. In reactie op het advies van de Raad merk ik het volgende op. Paragraaf 2 bevat meer dan uitsluitend waarborgen voor een zorgvuldige behandeling van celmateriaal. Het overgrote deel van deze paragraaf regelt immers de wijze van afnemen van celmateriaal bij degene die vrijwillig toestemt in het afnemen van celmateriaal dan wel daartoe gedwongen wordt. Ik verwijs hiervoor naar de artikelen 2 tot en met 4. Verder maakt paragraaf 2 een onderscheid tussen de behandeling van afgenomen en inbeslaggenomen celmateriaal. Er is destijds voor gekozen om het vorenstaande tot uitdrukking te brengen in de titel van paragraaf 2. Daarbij is er de voorkeur aangegeven om deze titel zo kernachtig mogelijk te formuleren. Niettemin onderken ik met de Raad dat artikel 5 in samenhang met de titel van paragraaf 2 de indruk zou kunnen wekken als zou het ontwerpbesluit mede de inbeslagneming willen regelen van voorwerpen ten behoeve van een DNA-onderzoek. Dat is uiteraard niet mogelijk omdat het Wetboek van Strafvordering de inbeslagneming van voorwerpen regelt. Om die indruk weg te nemen is in de eerste plaats de oorspronkelijke titel van paragraaf 2 "Afnemen en in beslag nemen van celmateriaal’’ vervangen door "Wijze van afnemen van celmateriaal en waarborgen voor een zorgvuldige behandeling van afgenomen en inbeslaggenomen celmateriaal". Verder is in artikel 5, tweede lid, eerste volzin, de suggestie weggenomen als zou het eerste lid van dit artikel de inbeslagneming van voorwerpen regelen.

2. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is in paragraaf 3 van de nota van toelichting een toelichting op artikel 10, derde lid, opgenomen waarin gemotiveerd is waarom dat artikellid anders dan het huidige Besluit DNA-onderzoeken voorziet in de mogelijkheid van rechtstreekse toezending door de deskundige van het verslag van de resultaten van het DNA-onderzoek aan de officier van justitie of de rechter-commissaris. Verder is in die toelichting, conform het advies van de Raad, ingegaan op de vraag in hoeverre een direct contact tussen de deskundige en de officier van justitie of de rechtercommissaris zich verdraagt met de zelfstandigheid en onafhankelijkheid waarmee het onderzoek dient plaats te vinden en met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degene wiens celmateriaal aan een DNA-onderzoek wordt onderworpen.

3. De Raad is van oordeel dat de bevoegdheid tot het vergelijken van DNA-profielen niet toebehoort aan de directeur van het Nederlands Forensisch Instituut, zoals artikel 14, vijfde lid, tweede volzin, van het ontwerpbesluit voorstelt, maar dat deze bevoegdheid in alle gevallen voorbehouden dient te blijven aan de officier van justitie of de rechter-commissaris. Het vergelijken van DNA-profielen kan immers consequenties hebben voor de beslissing omtrent vervolging en raakt daarmee aan de verantwoordelijkheid van de officier van justitie of de rechter-commissaris. Bovendien worden de rechten van de (mogelijke) verdachten op een soortgelijke manier gewaarborgd als bij de eerste vaststelling van het profiel, indien de bevoegdheid tot het vergelijken van DNA-profiel te allen tijde bij de officier van justitie of de rechtercommissaris ligt. Verder merkt de Raad op dat het Wetboek van Strafvordering niet in de mogelijkheid voorziet tot delegatie van deze bevoegdheid. De Raad beveelt dan ook aan artikel 14, vijfde lid, tweede volzin, in die zin te wijzigen. Aan de wens van de Raad heb ik evenwel om de hierna volgende redenen geen gevolg gegeven.
Het wettelijk systeem is aldus dat de officier van justitie of de rechtercommissaris een deskundige benoemen met de opdracht DNA-onderzoek te verrichten. Ingevolge artikel 151a, zesde lid, respectievelijk artikel 195a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering worden de in dat kader vervaardigde DNA-profielen vervolgens overeenkomstig de regels, vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur, verwerkt. Een afzonderlijke opdracht van de officier van justitie of de rechter-commissaris is daartoe niet vereist. Onder het verwerken van DNA-profielen wordt blijkens de definitie die in artikel 1, onder b, van de Wet bescherming persoonsgegevens is gegeven van het verwerken van persoonsgegevens, niet alleen bijvoorbeeld het vastleggen, bijwerken, wijzigen, bewaren en vernietigen van deze persoonsgegevens verstaan, maar ook het met elkaar in verband brengen oftewel het onderling vergelijken van DNA-profielen. Het Wetboek van Strafvordering voorziet aldus in een expliciete wettelijke basis voor de in artikel 14, vijfde lid, tweede volzin, neergelegde bevoegdheid van de directeur van het Nederlands Forensisch Instituut om iedere vergelijking van DNA-profielen uit te voeren die uit strafrechtelijk oogpunt gewenst kan zijn en de officier van justitie of rechter-commissaris over de resultaten van die vergelijking te informeren. Ook voor het opnieuw bepalen van DNA-profielen biedt het in het Wetboek van Strafvordering bepaalde omtrent het verwerken van DNA-profielen en celmateriaal een toereikende grondslag; de Raad wijst er daarbij nog terecht op dat het gaat om een DNA-profiel dat eerder is vastgesteld ingevolge een opdracht van de officier van justitie of rechter-commissaris. Dat de onderhavige bevoegdheid gevolgen kan hebben voor beslissingen omtrent vervolging, impliceert niet dat deze bevoegdheid aan de officier van justitie of de rechter-commissaris voorbehouden zou dienen te blijven. In veel gevallen zuilen activiteiten van derden (opsporingsambtenaren die procesverbaal opmaken; burgers die aanklachten indienen) gevolgen hebben voor beslissingen tot vervolging. Een belangrijk verschil met de eerste profielbepaling is dat in dat geval moet worden vastgesteld of de wettelijke criteria voor een opdracht tot DNA-onderzoek aan het celmateriaal vervuld zijn. Die vraag speelt geen rol bij het opnieuw bepalen van het DNA-profiel. De waarborg van inschakeling van de officier van justitie of de rechter-commissaris komt in dat licht, nu het om een betrekkelijk automatische operatie gaat, overbodig voor.
De toelichting op artikel 14, vijfde lid, tweede volzin, van het ontwerpbesluit is naar aanleiding van de aanbeveling van de Raad conform het bovenstaande aangepast.

4. De redactionele kanttekeningen die de Raad heeft gemaakt onder het tweede tot en met vierde en het zesde gedachtestreepje, zijn in het ontwerpbesluit dan wel de nota van toelichting verwerkt. Bij het verwerken van de kanttekening onder het vierde gedachtestreepje is de formulering van artikel 17, eerste lid, meer in overeenstemming gebracht met artikel 18, zesde lid. Dat heeft geleid tot het vernummeren van het tweede lid tot derde lid en het invoegen van een nieuw tweede lid.

De kanttekeningen onder het eerste en vijfde gedachtestreepje zijn om de volgende redenen niet overgenomen. Het in een afzonderlijke artikel in het ontwerpbesluit bepalen dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over identiteits- en sluitzegels, zoals de Raad in de redactionele kanttekening onder het eerste gedachtestreepje voorstelt, voorkomt weliswaar een herhaling van bepalingen die overwegend hetzelfde regelen. Niettemin is ervoor gekozen de artikelen 4, tweede lid, 5, vierde lid, 8, derde lid, en 11, tweede lid, in hun huidige vorm te handhaven in plaats van de inhoud daarvan onder te brengen in een afzonderlijke bepaling. De reden daarvoor is de volgende. De aangehaalde bepalingen zijn opgenomen in twee paragrafen die betrekking hebben op verschillende onderwerpen. Een afzonderlijke bepaling zou in een van beide paragrafen moeten worden ondergebracht, dan wel in een toe te voegen paragraaf. Geen van deze opties zou tot een verduidelijking hebben geleid ten opzichte van de voorgestelde opzet. De redactionele kanttekening onder het vijfde gedachtestreepje is niet in het ontwerpbesluit verwerkt omdat, indien de woorden "van minder dan ten hoogste" in artikel 18, tweede en derde lid, zouden worden vervangen door "van ten hoogste", zoals de Raad in overweging geeft, voor het bewaren van de DNA-profielen van de categorie personen die worden verdacht van of nadien worden veroordeeld voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar is gesteld, een termijn van zowel twintig als dertig jaar zou gelden. Immers het eerste lid van artikel 18 bepaalt dat de DNA-profielen van de categorie personen die worden verdacht van of nadien worden veroordeeld voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar of meer is gesteld, dertig jaar worden bewaard.
Van deze gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om in de inwerkingtredingsbepaling van het ontwerpbesluit en in de inleiding van de nota van toelichting de datum van de wet waarop dit ontwerpbesluit is gebaseerd, op te nemen, alsmede het nummer van het Staatsblad waarin deze wet is geplaatst.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister van Justitie



(1) Wetsvoorstel tot wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken, thans bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal aanhangig.
(2) De nota van toelichting bij het huidige besluit (Stb.1994, 522, bladzijde 11) vermeldt ten aanzien van de registratie van het sporenmateriaal: "Nadat deze registratie heeft plaats gehad, is het sporenmateriaal bij alle verdere handelingen daarmee in het Gerechtelijk Laboratorium of in een ander laboratorium slechts geïdentificeerd door het nummer van het identiteitszegel waaronder het is ingezonden (art. 25). Degene die het sporenmateriaal na de registratie onderzoekt, is dus op basis daarvan niet in staat om na te gaan in het kader van welke strafzaak dit sporenmateriaal in beslag is genomen, of wiens lichaamsmateriaal het betreft. (…) Doordat op deze wijze is gewaarborgd dat beide soorten celmateriaal voor degenen die het DNA-onderzoek verrichten geen op personen herleidbare gegevens bevatten, is bereikt dat de laboratoria waar het onderzoek wordt verricht de verslagen daarvan kunnen bewaren zonder dat bijzondere waarborgen behoeven te worden geschapen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de personen van wie het materiaal afkomstig is. (…) Het feit dat het DNA-onderzoek wordt verricht op slechts door een nummer geïdentificeerd monster, brengt in het geval dat dit onderzoek plaats heeft in een ander laboratorium dan het Gerechtelijk Laboratorium wel mee, dat dit laboratorium niet rechtstreeks aan de officier van justitie of de rechter-commissaris kan rapporteren."

  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon