Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met aanpassing van titel 9 aan internationale jaarrekeningstandaarden.


Volledige tekst

Voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met aanpassing van titel 9 aan internationale jaarrekeningstandaarden.

Bij Kabinetsmissive van 30 juli 2001, no.01.003696, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met aanpassing van titel 9 aan internationale jaarrekeningstandaarden.

Het voorstel van wet strekt ertoe de regels voor het opstellen van de jaarrekening in titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te verruimen opdat vennootschappen hun jaarrekeningen kunnen opstellen volgens internationaal aanvaarde normen en standaarden, zoals de standaarden vastgesteld door de International Accounting Standards Board (IASB) en de US Generally Accepted Accounting Principles (US GAAP). Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een verbod op het afboeken van goodwill op het eigen vermogen van de vennootschap. Over de door het wetsvoorstel bestreken onderwerpen is op korte termijn Europese regelgeving te verwachten.
De Raad van State maakt een aantal opmerkingen met betrekking tot de mogelijkheid de US GAAP te gaan hanteren en de in het wetsvoorstel gehanteerde terminologie en verwijzingstechniek. Hij is van oordeel dat in verband hiermee aanpassing van wetsvoorstel wenselijk is.

1. De voorgestelde wijziging van artikel 362 geeft aan Nederlandse ondernemingen de keuze volgens welke normen zij hun jaarrekeningen inrichten: de in afdelingen 3 tot en met 8 van titel 9, Boek 2 BW neergelegde (Nederlandse) regels, of de standaarden vastgesteld door de IASB; vennootschappen waarvan de aandelen, of certificaten daarvan, (mede) aan een buitenlandse beurs zijn genoteerd kunnen veelal in plaats daarvan voor de US GAAP kiezen. Uit de memorie van toelichting(zie noot 1) blijkt dat de Europese Commissie voornemens is om vanaf 2005 alle beursgenoteerde ondernemingen en financiële instellingen te verplichten hun geconsolideerde jaarrekening op te stellen volgens de International Accounting Standards (IAS). Voorts blijkt uit het recent door de Europese Commissie ingediende voorstel voor een verordening betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen(zie noot 2) (het "Commissievoorstel") en de eerdere mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de EU-strategie inzake de financiële verslaglegging(zie noot 3), dat de toepassing van de US GAAP aan het einde van de beoogde overgangstermijn, in 2005, wordt verboden.(zie noot 4) Dit betekent dat beursgenoteerde vennootschappen die na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel zullen kiezen voor de US GAAP, reeds over enkele jaren op een andere standaard zullen moeten overstappen. In de toelichting wordt er in dit verband op gewezen dat beursgenoteerde ondernemingen die van die optie gebruik willen maken zich terdege moeten realiseren dat dit gebruik slechts van tijdelijke aard zal zijn, gelet op de voorkeur van de Europese wetgever.(zie noot 5)
Naar het oordeel van de Raad heeft het tweemaal in een korte periode overgaan op een andere jaarrekeningstandaard bezwaren met het oog op het (financiële) inzicht dat de jaarrekening dient te verschaffen mede in het licht van de belangen van al diegenen die gebaat zijn bij consistentie van de geboden informatie en de vergelijkbaarheid van de jaarrekeningen over meerdere opeenvolgende jaren. De verschillende standaarden geven immers (onder meer) verschillende grondslagen voor waardering, welke kunnen en wellicht veelvuldig zullen, leiden tot niet te verwaarlozen afwijkingen in het berekende resultaat en vermogen van de onderneming. Om dergelijke bezwaren tegen te gaan zijn in het huidige wettelijke stelsel afwijkingen in de indeling van de jaarrekening en de waarderingsgrondslagen ten opzichte van een vorig boekjaar ingevolge de artikelen 2:363 lid 4 en 2:384 lid 6 BW slechts toegestaan wegens gegronde redenen.
Uit de toelichting blijkt voorts dat aan het opstellen van de jaarrekening volgens de US GAAP een aantal andere nadelen kleeft. De belegger wordt geconfronteerd met financiële informatie die is opgesteld en gepresenteerd volgens een stelsel waarmee hij niet vertrouwd is. Daarnaast verslechtert de onderlinge vergelijkbaarheid van jaarrekeningen van vennootschappen waarvan de effecten zijn genoteerd aan een Nederlandse beurs.(zie noot 6)
Gezien het voorgaande is de Raad niet overtuigd dat de voordelen van de met het wetsvoorstel geïntroduceerde (tijdelijke) mogelijkheid de US GAAP te hanteren bij het opstellen van de jaarrekening, opwegen tegen de nadelen daarvan. De in paragraaf 3 van de memorie van toelichting gegeven argumenten - een "dringend verzoek van verschillende ondernemingen" en "het feit dat enkele ons omringende landen deze mogelijkheid voor bepaalde categorieën ondernemingen hebben gecreëerd" - acht het college daartoe te weinig concreet en niet dragend. Niet duidelijk is dat onder het bestaande regime bedoelde ondernemingen zich substantieel meer werk en kosten moeten getroosten dan het geval zal zijn indien van de voorgestelde keuzemogelijkheid gebruik wordt gemaakt, in aanmerking genomen dat de vennootschap in dat geval ingevolge het nieuwe elfde lid van artikel 362 een eventueel verschil voor iedere post moet toelichten als toepassing van de US GAAP in niet te verwaarlozen mate afwijkt van de uitkomst bij toepassing van de op Europese richtlijnen gebaseerde Nederlandse normen en standaarden. De Raad adviseert in elk geval de in het wetsvoorstel geboden keuzemogelijkheden van een overtuigender motivering te voorzien.

2. Het tiende lid van het voorgestelde artikel 362 bepaalt dat toepassing van de IAS en de US GAAP slechts openstaat voorzover de rechtspersoon tevens (a) de voorschriften van de vierde(zie noot 7) en de zevende(zie noot 8) richtlijn naleeft, (b) de jaarrekening het in artikel 2:362 lid 1 BW bedoelde inzicht geeft, en (c) artikel 2:384 lid 2 BW in acht wordt genomen.
De vierde en de zevende richtlijn vormen het wettelijke kader van het Nederlandse jaarrekeningrecht. Deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in titel 9 van Boek 2 BW, bij wet van 7 december 1983 (Stb.663), respectievelijk wet van 11 november 1988 (Stb.517).(zie noot 9) Het zou derhalve voor de hand liggen dat in het voorgestelde lid 10 niet naar de richtlijnen wordt verwezen, maar naar de relevante bepalingen in titel 9 van Boek 2 BW. Naar het oordeel van de Raad dient de wetgever zelf aan te geven welke bepalingen (naast de in het tiende lid genoemde artikelen 2:362 lid 1 en 2:384 lid 2 BW) de vennootschap naast de IAS en de US GAAP minimaal in acht moet nemen. Uiteraard dient de wetgever zich er dan van te vergewissen in welk opzicht de IAS en de US GAAP afwijken van de in titel 9, Boek 2 BW geïmplementeerde regels. In de memorie van toelichting wordt vermeld dat het gebruik van de US GAAP ten opzichte van de IAS in een enkel geval kan leiden tot verschillen in bepaalde posten van de jaarrekening. Bij wijze van voorbeeld worden genoemd de voorschriften over onderzoek en ontwikkeling en het activeren van immateriële activa.(zie noot 10) Op de verschillen tussen de nieuwe standaarden en de bestaande regels wordt nauwelijks ingegaan.
Het in de toelichting gebruikte argument dat de verwijzing in het voorgestelde lid 10 zo is vormgegeven dat eventuele latere wijzigingen van de richtlijnen direct door de rechtspersoon kunnen worden benut en dat een wetswijziging dan niet nodig is, acht de Raad niet voldoende klemmend, in het licht van de interpretatieproblemen waarmee de betrokkenen - de vennootschap en degene die met de controle der jaarrekening is belast - worden geconfronteerd. Deze is immers verplicht meerdere rechtsbronnen te vergelijken, zelf te oordelen of er verschillen zijn, en dan ook nog te oordelen over de mate waarin het resultaat van toepassing van de verschillende regels verschilt.(zie noot 11)
Het college wijst erop dat de voorgaande kritiek zich niet richt tegen het dynamisch verwijzen als zodanig. In het onderhavige geval gaat het er niet zozeer om dat bepalingen van de vierde en de zevende richtlijn minder kenbaar of toegankelijk zouden zijn dan de regels van titel 9, Boek 2 BW.
Gezien het voorgaande adviseert de Raad lid 10 van het voorgestelde artikel 362 zodanig te wijzigen dat de wettekst duidelijk aangeeft welke bepalingen van titel 9, Boek 2 BW (naast de reeds genoemde artikelen 2:362 lid 1 en 2:384 lid 2 BW, en) naast de IAS en de US GAAP in acht moeten worden genomen.

3. Het begrip "gereglementeerde effectenbeurs" in het voorgestelde artikel 362 lid 9, is niet in het wetsvoorstel gedefinieerd en evenmin in de Wet toezicht effectenverkeer, terwijl niet zonder meer duidelijk is dat de reglementering van een beurs niet aan enigerlei vorm van (externe) erkenning dient te voldoen wil een vennootschap gebruik mogen maken van de mogelijkheid haar jaarrekening op te stellen, niet volgens de Nederlandse normen maar volgens de US GAAP.
De Raad adviseert te preciseren wat met "gereglementeerd" wordt bedoeld, dan wel aan te sluiten bij het bestaande wettelijke begrippenkader. Tevens verdient het aanbeveling het niet-wettelijke begrip "financiële informatie" te specificeren.

4. In artikel II van het wetsvoorstel is bepaald vanaf welke datum de verschillende onderdelen van artikel I van toepassing worden. Ten aanzien van artikel I, onderdeel C, vermeldt de toelichting dat de verplichting om goodwill te activeren en af te schrijven pas kan worden voorgeschreven voor boekjaren die aanvangen na de inwerkingtreding van deze wet. Niet zonder meer valt in te zien waarom de argumenten die pleiten tegen het doen ingaan van de verplichting tot het activeren van de kosten van goodwill over het boekjaar dat is aangevangen vóór 1 januari 2002 niet evenzeer gelden voor de verplichtingen die samenhangen met de maximale afschrijvingsperiodes voortvloeiend uit artikel 1, onderdeel B.
Aangezien boekjaren niet noodzakelijkerwijs behoeven samen te vallen met het kalenderjaar adviseert de Raad de tweede volzin van artikel II aldus te redigeren dat de onderdelen B en C van toepassing zijn op jaarrekeningen die worden opgesteld over het boekjaar dat is aangevangen op of na 1 januari volgend op de datum van inwerkingtreding van deze wet. Onderdeel B dient alsdan geschrapt te worden uit de eerste volzin van artikel II.
Daarnaast dient naar het oordeel van de Raad in artikel II duidelijk tot uitdrukking te worden gebracht dat de voorgestelde wijziging van artikel 389 Boek 2 BW geldt voor deelnemingen die na de datum van inwerkingtreding zijn verworven, aangezien anders onduidelijkheid zou ontstaan over de vraag of de op grond van de voorgestelde regeling af te schrijven bedragen alsnog ten laste van het resultaat moeten worden gebracht onder correctie van het vermogen.

5. Ingevolge de artikelen 2:416, lid 1 en 2:428, lid 1 BW zal de voorgestelde regeling ook gelden voor banken en verzekeraars. Niet zonder meer is duidelijk dat dit automatisme zich verdraagt met de bijzondere positie die ingevolge de bestaande Europese richtlijnen geldt voor de jaarrekening van die groepen van ondernemingen. In de memorie van toelichting wordt niet ingegaan op de wenselijkheid van de keuzevrijheid voor de specifieke categorieën van ondernemingen bij de inrichting van hun jaarrekening en voor de nieuwe activerings- en afschrijvingsverplichtingen.
De Raad adviseert een en ander alsnog toe te lichten.

6. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Raad van State van 19 oktober 2001, no.W03.01.0387/I, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

- Het opschrift van het wetsvoorstel dient tot uitdrukking te brengen dat aan rechtspersonen de mogelijkheid wordt geboden hun jaarrekeningen aan te passen aan internationale jaarrekeningstandaarden; thans wekt het wetsvoorstel ten onrechte de indruk dat titel 9 van Boek 2 wordt aangepast aan internationale jaarrekeningstandaarden.
- In het voorgestelde artikel 362 lid 10, aanwijzing 343 van de aanwijzingen voor de regelgeving in acht nemen.



Nader rapport (reactie op het advies) van 28 januari 2002


1. Het voorstel beoogt tegemoet te komen aan de behoefte van Nederlandse rechtspersonen, in het bijzonder vennootschappen die deel uitmaken van een internationale groep, om de jaarrekening op te stellen met inachtneming van internationaal aanvaarde normen voor waardering en rubricering van balansposten. Als internationaal aanvaarde normen worden in het wetsvoorstel genoemd de International Accounting Standards (lAS) en de US Generally Accepted Accounting Principles (US GAAP). De Raad van State wijst er in zijn advies op dat gelet op de voornemens van de Europese wetgever toepassing van de US GAAP op afzienbare termijn niet zal zijn toegestaan voor de geconsolideerde jaarrekening van vennootschappen waarvan effecten genoteerd staan aan een Europese gereglementeerde effectenbeurs. Aan toelaten van US GAAP kleven naar het oordeel van de Raad ook andere nadelen. De Raad adviseert de mogelijkheid voor toepassing van US GAAP niet uitdrukkelijk open te stellen.
Inmiddels is bij de voortzetting van de behandeling van het EU-voorstel voor een verordening houdende verplichte toepassing van lAS voor de geconsolideerde jaarrekening van vennootschappen waarvan effecten ter beurze genoteerd zijn, gebleken dat de overgrote meerderheid van de lidstaten zich in het voorstel kan vinden. Op dit moment wordt nog gedacht aan een korte overgangsperiode voor vennootschappen die US GAAP reeds toepassen. Het voorstel om in de wet expliciet te verwijzen naar US GAAP kan bij rechtspersonen die tot op heden van deze normen geen gebruik hebben gemaakt de indruk wekken dat het overstappen op deze norm door het kabinet wordt aanbevolen. Dat is niet in overeenstemming met de internationale ontwikkelingen. Het voorgestelde artikel 362 lid 10 is daarom geschrapt. Het voorgaande Iaat onverlet dat rechtspersonen die een jaarrekening opmaken volgens titel 9 van boek 2 uit de (ruime) mogelijkheden die de richtlijnen en titel 9 bieden, keuzes maken waarmee zij tevens voldoen aan de voorschriften van een andere autoriteit. Dat laatste gebeurt nu al door een aantal vennootschappen naar Nederlands recht dat deel uitmaakt van een internationale groep. Deze vennootschappen zijn van oordeel dat het in artikel 2:362 BW vereiste inzicht gediend is met een jaarrekening die tevens voldoet aan andere normen die in de groep worden gehanteerd, zoals UK of US GAAP . Daartegen bestaat geen bezwaar.
Het schrappen van het voorstel om in de wet uitdrukkelijk naar de US GAAP te verwijzen, betekent dat ook de voorgestelde reconciliatie van lid 11 kan worden geschrapt. De artikelleden 10 en 12 worden vernummerd 9 en 10. Het wetsvoorstel en de toelichting zijn in deze zin aangepast.

2. De Raad van State adviseert om in de wet op te nemen welke relevante bepalingen uit de vierde en zevende richtlijn de rechtspersoon die lAS hanteert minimaal in acht moet nemen. De Raad constateert daarbij dat op verschillen tussen de IAS en de bestaande voorschriften nauwelijks wordt ingegaan.
De verschillen tussen IAS en de richtlijnen houden vooral in dat de IAS strikter zijn dat de richtlijnen en de Nederlandse wet, bijvoorbeeld als de richtlijnen verschillende waarderingsmethoden toelaten, terwijl de IAS één methode voorschrijft. Andersom komt ook voor. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Artikel 2:387 lid 3 BW Iaat toe dat de vennootschap bij de waardering van vlottende activa zoals voorraden rekening houdt met een redelijkerwijs op korte termijn te voorziene buitengewone waardevermindering. De IAS Iaat dit niet toe. Een probleem is dat niet omdat de Nederlandse wet geen verplichting inhoudt. Bij de presentatie van de voorraden is IAS juist weer ruimer dan de Nederlandse wet. De IAS kent geen verplichte uitsplitsing van voorraden, terwijl artikel 2:377 BW eist dat onder meer de kosten van grond- en hulpstoffen afzonderlijk worden vermeld.
Al deze verschillen laten zich slecht in een algemene wettelijke regel vertalen. Nadeel van het precies opnemen van de voorgeschreven methoden van behandeling in het geval van toepassing van de IAS is verder dat het dynamische karakter van de verwijzing verdwijnt. Jaarlijks komen er IAS bij en zou opnieuw moeten worden bezien welke gevolgen dat moet hebben voor boek 2 BW. Ook wordt op dit moment overlegd omtrent vereenvoudiging van de richtlijnen teneinde alle standaarden van het IASB eenvoudig en in hun geheel te kunnen overnemen. Naar verwachting zal slechts een beperkt aantal voorschriften blijven bestaan, waarbij in het bijzonder moet worden gedacht aan voorschriften die niet direct met waarderingsgrondslagen en rubricering te maken hebben zoals het jaarverslag en de aan een jaarrekening toe te voegen gegevens.
Overwogen is om de door de Raad aangeduide informatie neer te leggen in een wetgevingsinstrument waarmee eenvoudiger kan worden ingespeeld op het dynamische karakter van het jaarrekeningrecht, zoals een algemene maatregel van bestuur. Naar mijn oordeel is ook dat niet noodzakelijk, omdat voldoende informatie voor ondernemingen en controleurs van jaarrekeningen beschikbaar is. Zo heeft het contact comité van de Raad van Ministers en de Europese Commissie, dat is ingesteld krachtens artikel 52 van de vierde richtlijn, uitspraken gedaan over de verenigbaarheid van de bestaande lAS met de richtlijnen. Aan deze schriftelijke uitspraken is ruime bekendheid gegeven. Verschillende accountantsorganisaties en VNO-NCW hebben gedetailleerde vergelijkingen van lAS en de richtlijnen gepubliceerd, die jaarlijks worden bijgewerkt. Ook de Raad voor de Jaarverslaggeving heeft in de richtlijnen de lAS zoveel mogelijk verwerkt.
Wel moet rekening worden gehouden met de voorschriften rond het jaarverslag, de aan de jaarrekening toe te voegen gegevens en de bezoldiging van bestuurders. De voorschriften van het IASB zijn op die onderdelen summier. Verder is op 5 september 2001 een voorstel tot wijziging van boek 2 BW in verband met openbaarmaking van de bezoldiging van bestuurders en commissarissen ingediend bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2001-2002, 27 900, nr. 1-3). Ook de naamloze vennootschap die een jaarrekening opstelt met gebruikmaking van de lAS behoort deze informatie te geven. Daartoe wordt voorgesteld in artikel 2:362 lid 9 aan te geven dat uitsluitend de voorschriften van de afdelingen 3 tot en met 6 niet behoeven te worden nageleefd. De afdelingen 7 en 8 blijven dus onverkort gelden.
De toelichting is in deze zin aangevuld.

3. De Raad van State geeft in overweging enkele begrippen in het voorgestelde lid 9 te preciseren. Nu het artikellid in overeenstemming met het algemene advies van de Raad wordt geschrapt, is zo'n nadere precisering niet aan de orde.

4. De voorgestelde wijziging van de behandeling van goodwill in artikel 2:389 BW houdt een beperking van de bestaande mogelijkheden in. Afboeken van het eigen vermogen wordt verboden. Die verplichting kan pas gevolgen hebben na de inwerkingtreding van deze wet. Daarom zal het verbod op afboeking pas van kracht kunnen worden voor het boekjaar dat aanvangt op of na de inwerkingtreding van de wet. De voorgestelde wijziging van artikel 2:386 BW houdt geen nieuwe verboden in. Het biedt als daarvoor in de praktijk gegronde redenen zijn, een langere termijn van afschrijving van de kosten van onderzoek en ontwikkeling mogelijk. Ik wil rechtspersonen de ruimte geven om in een zo vroeg mogelijk stadium gebruik te maken van deze verruiming. Daarom wordt niet voorgesteld deze mogelijkheid pas later te laten ingaan.
De Raad voor de Jaarverslaggeving heeft het afboeken van goodwill van het eigen vermogen met ingang van 2002 verboden. Een rechtspersoon die goodwill niettemin blijft afboeken, dient daarvoor bijzondere redenen te hebben. Gelet op de maatschappelijke discussie ligt het voor de hand dat het onderwerp bij de bespreking van de jaarrekening in de algemene vergadering van aandeelhouders of met de ondernemingsraad ook aan de orde zal komen. De rechtspersoon die zijn jaarrekening opstelt met inachtneming van titel 9 afdeling 3 tot en met 6, zal gelet op het voorgestelde artikel 2:362 lid 10 (12-oud) in de toelichting ook moeten aangeven op dit punt niet de richtlijnen van de jaarverslaggeving te hebben gevolgd.

Inmiddels is zowel in de Verenigde Staten als binnen het IASB discussie ontstaan over nieuwe voorschriften voor de waardering van goodwill. Het gaat om een voorschrift om goodwill te activeren en daarop vervolgens niet af te schrijven gedurende een bepaalde periode, maar ieder jaar een zogenoemde "impairment test" toe te passen waarbij moet worden bezien of de in de boekhouding opgenomen waarde nog reëel is. Dat voorschrift is strijdig met de bestaande lAS. Als het IASB het voorschrift echter zou overnemen, zal in Europees verband moeten worden vastgesteld of deze waarderingsmethode in overeenstemming is met de vierde richtlijn. De uitkomst van de Europese discussie kan vervolgens ook door Nederlandse ondernemingen worden benut.
De Raad van State adviseerde om in artikel II aan te geven dat onderdeel C van toepassing is op jaarrekeningen die worden opgesteld over het boekjaar dat is aangevangen op of na 1 januari volgend op de datum van inwerkingtreding van deze wet. Dat advies is overgenomen. Het artikel is aangepast.
De Raad van State signaleerde voorts dat een vennootschap bij de verwerving van een deelneming goodwill kan hebben betaald die nog niet verwerkt is. Dat gebeurt als de hoogte van de goodwill op de datum van verwerving nog niet betrouwbaar te schatten is. De Raad adviseerde aan te geven dat de regeling alleen geldt voor deelnemingen die zij verworven na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Als een deelneming is verworven voor de datum van inwerkingtreding van de wet en de waarde van de betaalde goodwill is nog niet betrouwbaar te schatten, is er naar mijn oordeel geen reden om later alsnog te kunnen afboeken van het vermogen. Juist in die gevallen heeft de gebruiker van de jaarrekening er belang bij te weten welke waarde de goodwill uiteindelijk heeft en welke verwachtingen de vennootschap koestert ten aanzien van die goodwill. Daarom wordt voor dit bijzondere geval geen uitzondering voorzien.
De toelichting is in deze zin aangevuld.

5. De voorgestelde regeling is ook van toepassing op banken en verzekeringsmaatschappijen, voor zover de bijzondere voorschriften voor deze groepen van ondernemingen zich daartegen niet verzetten. Ik wil banken en verzekeringsmaatschappijen de mogelijkheid om hun jaarrekening in te richten volgens de lAS zeker niet onthouden. Toepassing van de lAS zou voor de gebruikers van jaarrekeningen van verzekeringsmaatschappijen betekenen dat zij meer en duidelijker informatie krijgen dan op grond van de Nederlandse wetgeving het geval is. Zoals bekend wordt op dit moment gewerkt aan een wetsvoorstel tot aanpassing van titel 15 voor verzekeringsmaatschappijen, waarbij wordt voorgesteld de Nederlandse bepalingen beter te laten aansluiten bij de internationale ontwikkelingen, in het bijzonder door enkele specifiek Nederlandse gebruiken niet langer toe te staan. De banken en de verzekeringsmaatschappijen nemen geen bijzondere positie in als het gaat om het activeren en afschrijven van de kosten van onderzoek en ontwikkeling, alsmede het verbod op het rechtstreeks afboeken van goodwill.
De toelichting is met het oog hierop uitgebreid.

6. Met de redactionele opmerkingen van de Raad van State is rekening gehouden.

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Justitie



(1) Memorie van toelichting, artikelsgewijze toelichting bij artikel I, artikel 362, zesde alinea.
(2) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen, COM/2001/0080 def., Pb. C 154 E van 29 mei 2001, bladzijden 285-299.
(3) Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de strategie van de Europese Unie inzake de financiële verslaglegging: verdere maatregelen van 13 juni 2000, COM(2000) 359 def.
(4) In de mededeling van de Commissie wordt de keuze vóór de IAS en ten nadele van de US GAAP als volgt toegelicht: "De IAS hebben ook het duidelijke voordeel dat zij zijn opgesteld vanuit een internationaal perspectief in plaats van te zijn afgestemd op de situatie in de VS. US GAAP is anderzijds omvangrijk en gebaseerd op zeer gedetailleerde regels en interpretaties. Er is veel opleiding en scholing nodig om deze standaarden toe te passen. De doeltreffende toepassing ervan in de VS is grotendeels te danken aan de sterke regelgevende en executieve bevoegdheden van de Amerikaanse Securities and Exchange Commission. De Europese Unie kan uiteraard geen invloed uitoefenen op de opstelling van US GAAP."
(5) Memorie van toelichting, paragraaf 3, eerste alinea.
(6) Memorie van toelichting, artikelsgewijze toelichting bij artikel I, artikel 362, vijfde alinea.
(7) Richtlijn 78/660 van de Raad van de Europese Unie inzake het vennootschapsrecht, van 25 juli 1978, PbEG L 222.
(8) Richtlijn 83/349 van de Raad van de Europese Unie inzake het vennootschapsrecht, van 13 juni 1983, PbEG L 193.
(9) Memorie van toelichting, paragraaf 2, eerste alinea.
(10) Memorie van toelichting, artikelsgewijze toelichting bij artikel 362, zevende alinea.
(11) Memorie van toelichting, artikelsgewijze toelichting bij artikel 362, twaalfde alinea.