Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels ter uitvoering van artikel 226I van het Wetboek van Strafvordering (Besluit getuigenbescherming).
- Kenmerk
- W03.01.0454/I
- Datum advies
- 29 oktober 2001
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 14 februari 2006, nr 32
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels ter uitvoering van artikel 226I van het Wetboek van Strafvordering (Besluit getuigenbescherming).
Bij Kabinetsmissive van 3 september 2001, no.01.004097, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels ter uitvoering van artikel 226I van het Wetboek van Strafvordering (Besluit getuigenbescherming).
Het ontwerpbesluit voorziet in een regeling ter uitvoering van artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering (WvSv). De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar plaatst enkele kanttekeningen.
1. Het besluit strekt tot uitvoering van het nieuwe artikel 226l WvSv, onderdeel van het wetsvoorstel toezeggingen aan getuigen in strafzaken.(zie noot 1) Volgens deze bepaling zal de Minister van Justitie op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze specifieke maatregelen kunnen treffen voor de feitelijke bescherming van getuigen, bedoeld in de artikelen 226a, 226g en 226k. Deze artikelen zien op:
a) bedreigde getuigen (artikel 226a),
b) getuigen die tevens verdachten zijn (artikel 226g) en
c) getuigen die reeds veroordeeld zijn (artikel 226k).
De categorie personen die volgens artikel 3 van het ontwerpbesluit voor getuigenbescherming in aanmerking kan komen is evenwel ruimer. Naast de drie genoemde typen getuigen kan ook een "andere persoon die medewerking heeft verleend aan de met opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste autoriteiten" (zoals informanten, beperkt anonieme getuigen, gewone getuigen) bescherming krijgen.
Gelet op het voorgaande signaleert de Raad dat de wettelijke basis voor beschermingsmaatregelen ten aanzien van deze andere personen die medewerking hebben verleend aan de strafvorderlijke autoriteiten ontbreekt. De Raad beveelt aan om artikel 226l van het thans bij de Staten-Generaal aanhangige wetsvoorstel toezeggingen aan getuigen in strafzaken in die zin te verruimen.
2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt met de te beschermen persoon een "civielrechtelijke overeenkomst" gesloten. Volgens de toelichting kunnen de beschermingsmaatregelen bij het niet nakomen van de verplichtingen bij beslissing van het College van procureurs-generaal worden gewijzigd of beëindigd. Overigens is niets geregeld over geschillenbeslechting. Bij deze stand van zaken is het denkbaar dat geschillen aangaande de uitleg van de overeenkomst tussen de staat en de getuige uiteindelijk door de civiele rechter worden beslecht. De Raad adviseert om in de toelichting de expliciete respectievelijk impliciete keuze voor de civiele overeenkomst en de civiele rechter te motiveren en om hierbij ook aandacht te schenken aan de mogelijkheden die wellicht binnen het bestuursrecht en het strafrecht aanwezig zijn voor het vastleggen van de wederzijdse verplichtingen en voor het beslechten van geschillen over de verplichtingen.
3. Volgens de toelichting kunnen beschermingsmaatregelen naast voorzieningen van feitelijke aard ook bestaan in het tijdelijk verschaffen van een andere identiteit. Deze maatregel, waarvoor de basis is te vinden in artikel 42a van de Politiewet 1993, impliceert een afwijking van de desbetreffende wettelijke voorschriften.
De Raad beveelt aan om specifieke beschermingsmaatregelen die ertoe leiden dat wettelijke voorschriften buiten toepassing blijven, in het besluit zelf op te nemen.
4a. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het ontwerpbesluit is een afdeling van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) belast met het adviseren van het bevoegd gezag omtrent de bescherming van personen als bedoeld in artikel 3. Volgens artikel 2, tweede lid, staat de afdeling onder gezag van de officier van justitie. In artikel 2 wordt aldus twee keer de term gezag gebruikt, echter in een verschillende betekenis. In artikel 2, eerste lid, onderdeel b, slaat de term "bevoegd gezag" op het College van procureurs-generaal; in het tweede lid wordt met "gezag" de leiding van de officier van justitie over de afdeling getuigenbescherming van het KLPD bedoeld.(zie noot 2)
Gelet op deze onduidelijkheid beveelt de Raad aan om de term bevoegd gezag in artikel 2 te vervangen door het College van procureurs-generaal.
b. Volgens artikel 2, eerste lid, onderdeel b, is de afdeling van het KLPD belast met het adviseren van het "bevoegd gezag" omtrent de bescherming van personen. Het uitgangspunt is dat het College van procureurs-generaal het bevoegd gezag is dat beslist over de getuigenbescherming. Hierop vormen de verzoeken uit het buitenland een uitzondering. Inzake alle buitenlandse verzoeken betreffende getuigenbescherming is niet het College, maar de officier van justitie, belast met de getuigenbescherming, de bevoegdheid gegeven over de uitvoering van deze verzoeken te beslissen (artikel 9). Hier is derhalve de officier van justitie, belast met de getuigenbescherming, het "bevoegd gezag". Bij het overnemen van beschermingsmaatregelen door Nederland betreffende personen ten aanzien van wie door de buitenlandse autoriteiten reeds is beslist dat zij in aanmerking komen voor beschermingsmaatregelen, lijkt het adviseren van het "bevoegd gezag" omtrent de bescherming van de personen als bedoeld in artikel 3 geen rol meer te spelen. In zoverre lijkt artikel 2, eerste lid, onderdeel b, stellende dat de afdeling van het KLPD is belast met het adviseren van het "bevoegd gezag" omtrent de bescherming van personen te ruim.
5. De geboden bescherming van de getuigen zou als neveneffect kunnen hebben dat de getuigen voor schuldeisers onvindbaar worden. Verder is voorstelbaar dat nadat het beschermingsprogamma is beëindigd, er opnieuw een dringende noodzaak ontstaat tot het treffen van beschermingsmaatregelen. Te denken valt aan een veroordeelde die, na ommekomst van zijn detentie, het voornemen heeft om alsnog met een getuige "af te rekenen". De Raad adviseert om aan deze situaties aandacht te schenken in de toelichting.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 14 december 2005
Ik stel voorop dat opmerkelijk veel tijd is verstreken tussen het uitbrengen van het advies en het nader rapport. Dit tijdsverloop is veroorzaakt door de tijd die de parlementaire behandeling van de Wetten van 12 mei 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot verklaringen van getuigen die in ruil voor een toezegging van het openbaar ministerie zijn afgelegd (toezeggingen aan getuigen in strafzaken) (Stb. 254) en tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het niet afleggen van een getuigenverklaring na een daartoe strekkende toezegging (Stb. 255) heeft gevergd. Het artikel 226l Wetboek van Strafvordering waarop dit besluit is gebaseerd, maakt onderdeel uit van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot verklaringen van getuigen die in ruil voor een toezegging van het openbaar ministerie zijn afgelegd. Inwerkingtreding van beide wetten en dit besluit is beoogd op 1 februari 2006.
1. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State wordt door middel van een wijziging van artikel 226l Wetboek van Strafvordering in het voorstel van Reparatiewet II Justitie, Kamerstukken II 2004/05, 30 171, nr. 1, de wettelijke basis voor beschermingsmaatregelen ten aanzien van de in artikel 3 van het ontwerpbesluit genoemde categorie: "andere persoon die medewerking heeft verleend aan de met opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste autoriteiten" uitgebreid.
2. Conform het advies van de Raad van State wordt in de toelichting de expliciete respectievelijk impliciete keuze voor de civiele overeenkomst en de civiele rechter gemotiveerd en aandacht geschonken aan de mogelijkheden die wellicht binnen het bestuursrecht en het strafrecht aanwezig zijn voor het vastleggen van de wederzijdse verplichtingen en voor het beslechten van geschillen over de verplichtingen.
3. De Raad van State beveelt aan de specifieke beschermingsmaatregelen die ertoe leiden dat wettelijke voorschriften buiten toepassing blijven, in het besluit zelf op te nemen. De regering echter acht het vanuit het oogpunt van effectiviteit niet wenselijk dat in het besluit een opsomming wordt gemaakt van de specifieke beschermingsmaatregelen. Het gaat om een variëteit aan beschermingsmaatregelen die moeten zijn toegesneden op de specifieke situatie van de te beschermen persoon. Deze laten zich niet op voorhand in volle omvang overzien en categoriseren.
4a. In navolging van het advies van de Raad van State wordt in artikel 2 van het ontwerpbesluit de term bevoegd gezag vervangen door het College van procureurs-generaal.
4b. Nu de regering in navolging van de Raad van State in artikel 2 de term bevoegd gezag heeft vervangen door het College van procureurs-generaal is artikel 2, eerste lid, onderdeel b niet langer te ruim.
5. Aan het advies van de Raad van State om in de toelichting in te gaan op het door de geboden bescherming te verwachten neveneffect dat de getuigen voor schuldeisers onvindbaar worden, is gevolg gegeven. Overeenkomstig het advies van de Raad van State is voorts in de toelichting ingegaan op de situatie dat nadat het beschermingsprogramma is beëindigd, er opnieuw een dringende noodzaak kan ontstaan tot het treffen van beschermingsmaatregelen.
De gelegenheid is te baat genomen om het besluit aan te passen aan de inmiddels ontstane praktijk met betrekking tot de behandeling van verzoeken tot bijstand bij getuigenbescherming van internationale gerechten die in Nederland hun zetel hebben.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerp-besluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Justitie
(1) Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot verklaringen van getuigen die in ruil voor een toezegging aan het openbaar ministerie zijn afgelegd (toezeggingen aan getuigen in strafzaken), kamerstukken II 1998/99, 26 294, nrs.1-2, blz.4.
(2) Volgens artikel 58 van de aanwijzingen voor de regelgeving wordt dezelfde term niet voor verschillende begrippen gebruikt.
Het ontwerpbesluit voorziet in een regeling ter uitvoering van artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering (WvSv). De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar plaatst enkele kanttekeningen.
1. Het besluit strekt tot uitvoering van het nieuwe artikel 226l WvSv, onderdeel van het wetsvoorstel toezeggingen aan getuigen in strafzaken.(zie noot 1) Volgens deze bepaling zal de Minister van Justitie op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze specifieke maatregelen kunnen treffen voor de feitelijke bescherming van getuigen, bedoeld in de artikelen 226a, 226g en 226k. Deze artikelen zien op:
a) bedreigde getuigen (artikel 226a),
b) getuigen die tevens verdachten zijn (artikel 226g) en
c) getuigen die reeds veroordeeld zijn (artikel 226k).
De categorie personen die volgens artikel 3 van het ontwerpbesluit voor getuigenbescherming in aanmerking kan komen is evenwel ruimer. Naast de drie genoemde typen getuigen kan ook een "andere persoon die medewerking heeft verleend aan de met opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste autoriteiten" (zoals informanten, beperkt anonieme getuigen, gewone getuigen) bescherming krijgen.
Gelet op het voorgaande signaleert de Raad dat de wettelijke basis voor beschermingsmaatregelen ten aanzien van deze andere personen die medewerking hebben verleend aan de strafvorderlijke autoriteiten ontbreekt. De Raad beveelt aan om artikel 226l van het thans bij de Staten-Generaal aanhangige wetsvoorstel toezeggingen aan getuigen in strafzaken in die zin te verruimen.
2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt met de te beschermen persoon een "civielrechtelijke overeenkomst" gesloten. Volgens de toelichting kunnen de beschermingsmaatregelen bij het niet nakomen van de verplichtingen bij beslissing van het College van procureurs-generaal worden gewijzigd of beëindigd. Overigens is niets geregeld over geschillenbeslechting. Bij deze stand van zaken is het denkbaar dat geschillen aangaande de uitleg van de overeenkomst tussen de staat en de getuige uiteindelijk door de civiele rechter worden beslecht. De Raad adviseert om in de toelichting de expliciete respectievelijk impliciete keuze voor de civiele overeenkomst en de civiele rechter te motiveren en om hierbij ook aandacht te schenken aan de mogelijkheden die wellicht binnen het bestuursrecht en het strafrecht aanwezig zijn voor het vastleggen van de wederzijdse verplichtingen en voor het beslechten van geschillen over de verplichtingen.
3. Volgens de toelichting kunnen beschermingsmaatregelen naast voorzieningen van feitelijke aard ook bestaan in het tijdelijk verschaffen van een andere identiteit. Deze maatregel, waarvoor de basis is te vinden in artikel 42a van de Politiewet 1993, impliceert een afwijking van de desbetreffende wettelijke voorschriften.
De Raad beveelt aan om specifieke beschermingsmaatregelen die ertoe leiden dat wettelijke voorschriften buiten toepassing blijven, in het besluit zelf op te nemen.
4a. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het ontwerpbesluit is een afdeling van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) belast met het adviseren van het bevoegd gezag omtrent de bescherming van personen als bedoeld in artikel 3. Volgens artikel 2, tweede lid, staat de afdeling onder gezag van de officier van justitie. In artikel 2 wordt aldus twee keer de term gezag gebruikt, echter in een verschillende betekenis. In artikel 2, eerste lid, onderdeel b, slaat de term "bevoegd gezag" op het College van procureurs-generaal; in het tweede lid wordt met "gezag" de leiding van de officier van justitie over de afdeling getuigenbescherming van het KLPD bedoeld.(zie noot 2)
Gelet op deze onduidelijkheid beveelt de Raad aan om de term bevoegd gezag in artikel 2 te vervangen door het College van procureurs-generaal.
b. Volgens artikel 2, eerste lid, onderdeel b, is de afdeling van het KLPD belast met het adviseren van het "bevoegd gezag" omtrent de bescherming van personen. Het uitgangspunt is dat het College van procureurs-generaal het bevoegd gezag is dat beslist over de getuigenbescherming. Hierop vormen de verzoeken uit het buitenland een uitzondering. Inzake alle buitenlandse verzoeken betreffende getuigenbescherming is niet het College, maar de officier van justitie, belast met de getuigenbescherming, de bevoegdheid gegeven over de uitvoering van deze verzoeken te beslissen (artikel 9). Hier is derhalve de officier van justitie, belast met de getuigenbescherming, het "bevoegd gezag". Bij het overnemen van beschermingsmaatregelen door Nederland betreffende personen ten aanzien van wie door de buitenlandse autoriteiten reeds is beslist dat zij in aanmerking komen voor beschermingsmaatregelen, lijkt het adviseren van het "bevoegd gezag" omtrent de bescherming van de personen als bedoeld in artikel 3 geen rol meer te spelen. In zoverre lijkt artikel 2, eerste lid, onderdeel b, stellende dat de afdeling van het KLPD is belast met het adviseren van het "bevoegd gezag" omtrent de bescherming van personen te ruim.
5. De geboden bescherming van de getuigen zou als neveneffect kunnen hebben dat de getuigen voor schuldeisers onvindbaar worden. Verder is voorstelbaar dat nadat het beschermingsprogamma is beëindigd, er opnieuw een dringende noodzaak ontstaat tot het treffen van beschermingsmaatregelen. Te denken valt aan een veroordeelde die, na ommekomst van zijn detentie, het voornemen heeft om alsnog met een getuige "af te rekenen". De Raad adviseert om aan deze situaties aandacht te schenken in de toelichting.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 14 december 2005
Ik stel voorop dat opmerkelijk veel tijd is verstreken tussen het uitbrengen van het advies en het nader rapport. Dit tijdsverloop is veroorzaakt door de tijd die de parlementaire behandeling van de Wetten van 12 mei 2005 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot verklaringen van getuigen die in ruil voor een toezegging van het openbaar ministerie zijn afgelegd (toezeggingen aan getuigen in strafzaken) (Stb. 254) en tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het niet afleggen van een getuigenverklaring na een daartoe strekkende toezegging (Stb. 255) heeft gevergd. Het artikel 226l Wetboek van Strafvordering waarop dit besluit is gebaseerd, maakt onderdeel uit van de Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot verklaringen van getuigen die in ruil voor een toezegging van het openbaar ministerie zijn afgelegd. Inwerkingtreding van beide wetten en dit besluit is beoogd op 1 februari 2006.
1. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State wordt door middel van een wijziging van artikel 226l Wetboek van Strafvordering in het voorstel van Reparatiewet II Justitie, Kamerstukken II 2004/05, 30 171, nr. 1, de wettelijke basis voor beschermingsmaatregelen ten aanzien van de in artikel 3 van het ontwerpbesluit genoemde categorie: "andere persoon die medewerking heeft verleend aan de met opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste autoriteiten" uitgebreid.
2. Conform het advies van de Raad van State wordt in de toelichting de expliciete respectievelijk impliciete keuze voor de civiele overeenkomst en de civiele rechter gemotiveerd en aandacht geschonken aan de mogelijkheden die wellicht binnen het bestuursrecht en het strafrecht aanwezig zijn voor het vastleggen van de wederzijdse verplichtingen en voor het beslechten van geschillen over de verplichtingen.
3. De Raad van State beveelt aan de specifieke beschermingsmaatregelen die ertoe leiden dat wettelijke voorschriften buiten toepassing blijven, in het besluit zelf op te nemen. De regering echter acht het vanuit het oogpunt van effectiviteit niet wenselijk dat in het besluit een opsomming wordt gemaakt van de specifieke beschermingsmaatregelen. Het gaat om een variëteit aan beschermingsmaatregelen die moeten zijn toegesneden op de specifieke situatie van de te beschermen persoon. Deze laten zich niet op voorhand in volle omvang overzien en categoriseren.
4a. In navolging van het advies van de Raad van State wordt in artikel 2 van het ontwerpbesluit de term bevoegd gezag vervangen door het College van procureurs-generaal.
4b. Nu de regering in navolging van de Raad van State in artikel 2 de term bevoegd gezag heeft vervangen door het College van procureurs-generaal is artikel 2, eerste lid, onderdeel b niet langer te ruim.
5. Aan het advies van de Raad van State om in de toelichting in te gaan op het door de geboden bescherming te verwachten neveneffect dat de getuigen voor schuldeisers onvindbaar worden, is gevolg gegeven. Overeenkomstig het advies van de Raad van State is voorts in de toelichting ingegaan op de situatie dat nadat het beschermingsprogramma is beëindigd, er opnieuw een dringende noodzaak kan ontstaan tot het treffen van beschermingsmaatregelen.
De gelegenheid is te baat genomen om het besluit aan te passen aan de inmiddels ontstane praktijk met betrekking tot de behandeling van verzoeken tot bijstand bij getuigenbescherming van internationale gerechten die in Nederland hun zetel hebben.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerp-besluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Justitie
(1) Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot verklaringen van getuigen die in ruil voor een toezegging aan het openbaar ministerie zijn afgelegd (toezeggingen aan getuigen in strafzaken), kamerstukken II 1998/99, 26 294, nrs.1-2, blz.4.
(2) Volgens artikel 58 van de aanwijzingen voor de regelgeving wordt dezelfde term niet voor verschillende begrippen gebruikt.