Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende regels met betrekking tot het LSOP Politie onderwijs- en kenniscentrum, de landelijke werving, de selectie, het onderwijs voor de politie, alsmede het overdragen van kennis aan de politie (Wet op het LSOP en het politieonderwijs).
- Kenmerk
- W04.01.0144/I
- Datum advies
- 21 juni 2001
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2001/02, 28 046, nr A
- Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties
- Wet
Toon inhoud
Volledige tekst
Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende regels met betrekking tot het LSOP Politie onderwijs- en kenniscentrum, de landelijke werving, de selectie, het onderwijs voor de politie, alsmede het overdragen van kennis aan de politie (Wet op het LSOP en het politieonderwijs).
Bij Kabinetsmissive van 20 maart 2001, no.01.001361, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting houdende regels met betrekking tot het LSOP Politie onderwijs- en kenniscentrum, de landelijke werving, de selectie, het onderwijs voor de politie, alsmede het overdragen van kennis aan de politie (Wet op het LSOP en het politieonderwijs).
Het belangrijkste oogmerk van het wetsvoorstel is de vernieuwing van het politieonderwijs, te realiseren door het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (LSOP) te laten uitgroeien tot het politie-expertisecentrum van de Nederlandse politie in samenwerking met de politieregio’s en het reguliere onderwijs. Verder worden naar aanleiding van de evaluatie van de bestaande LSOP-wet de regels met betrekking tot de organisatie, de bedrijfsvoering en de administratieve organisatie aangescherpt en voorziet het voorstel in concentratie van het centrale beheer van de politie bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Ook wordt beoogd de bevoegdheden van en het toezicht op het LSOP meer in overeenstemming te brengen met de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar) betreffende zelfstandige bestuursorganen.
De Raad van State maakt een aantal opmerkingen over onder meer de functie van het LSOP, de verhouding van dit wetsvoorstel tot het wetsvoorstel Kaderwet zelfstandige bestuurorganen en de samenstelling van de politieonderwijsraad. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. De functie van het LSOP
De taak van het LSOP is onder meer het uitvoeren van de selectie van de studenten voor de basisopleidingen (artikel 3, eerste lid, onder a). Het LSOP is op dat punt adviseur van de korpsen, waar de aanstelling plaatsvindt. Daarmee beheerst het LSOP, praktisch gezien, de toegang tot de politie. De selectie zal daarom kwaliteit moeten hebben (in afstemming met de korpsen), en een zorgvuldige behandeling van de sollicitantten zal voldoende moeten zijn gewaarborgd.
Het is de Raad opgevallen dat in het voorstel uitsluitend de onderwijstaak van het LSOP wordt geregeld; bepalingen over de niet minder belangrijke selectietaak ontbreken geheel.
De Raad adviseert het voorstel op dit punt aan te vullen, of in elk geval in de toelichting hieraan aandacht te schenken.
2. Het LSOP als zelfstandig bestuursorgaan
Het LSOP zal een zelfstandig bestuursorgaan zijn dat ressorteert onder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; aldus ook de memorie van toelichting, onderdeel Algemeen. In het licht van het wetsvoorstel Kaderwet zelfstandige bestuursorganen betekent dit dat het onderhavige voorstel uitdrukkelijk zal moeten bepalen dat de Kaderwet op het LSOP van toepassing is, terwijl ook overigens zal moeten worden gezorgd voor nauwkeurige afstemming van het onderhavige wetsvoorstel op de Kaderwet.
De Raad beveelt aan daartoe over te gaan. Mocht het de bedoeling zijn de uiteindelijke afstemming van het wetsvoorstel op de Kaderwet te verwezenlijken in de invoeringswet van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, dan zal de toelichting een mededeling van die strekking dienen te bevatten; in dat geval zal ervoor moeten worden gezorgd dat de dan door te voeren aanpassing tot zo weinig mogelijk wijziging van het voorliggende ontwerp hoeft te leiden.
3. De politieonderwijsraad
Volgens het wetsvoorstel is het de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, deels in overeenstemming met de Minister van Justitie, die bevoegd wordt om op voorstel van de politieonderwijsraad (hierna: POR) de beroeps- en functieprofielen, de eindtermen en eventueel de indeling daarvan in deelkwalificaties vast te stellen. De POR is, ook volgens de toelichting, min of meer te vergelijken met de "landelijke organen" uit de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB).
De POR zal bestaan uit de voorzitter, vijf leden uit de kringen van de politie, één lid van het openbaar ministerie, een vertegenwoordiger van het beroepsonderwijs, één van het hoger onderwijs (universiteiten en hogescholen) en twee leden van het LSOP. Volgens artikel 14, derde lid, moet de POR letten "op de aansluiting van door het LSOP verzorgde opleidingen bij de opleiding voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, de beroepsopleidingen, de opleidingen voor hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs". Dit is van belang omdat het politieonderwijs meer aanrakingspunten moet krijgen met het "reguliere" onderwijs, opdat de opgeleiden niet alleen inzetbaar zijn bij de politie maar ook daarbuiten. Volgens artikel 20, eerste lid, moet de POR bovendien letten op de arbeidsmarktperspectieven voor de afgestudeerden en in verband daarmee op ontwikkelingen in internationaal verband.
Bij de voorgestelde samenstelling van de POR lijkt het echter vrijwel ondoenlijk dat de POR zal kunnen voldoen aan de vereisten van de artikelen 14 en 20; daarvoor is de vertegenwoordiging van het reguliere onderwijs te gering, ook indien wordt vergeleken met de landelijke organen uit de WEB. Bovendien doet de samenstelling denken aan die van de huidige bestuursraad, waartegen als bezwaar is ingebracht dat deze te divers van samenstelling is om slagvaardig te kunnen optreden. Dit alles houdt een risico in voor het bereiken van één van de centrale doeleinden van de vernieuwing van het politieonderwijs.
De Raad adviseert de samenstelling van de POR nader te bezien.
Artikelsgewijs
4. Artikel 1, aanhef en onder c en d, van het wetsvoorstel geeft een definitie van initiële respectievelijk postinitiële opleidingen die door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden aangewezen. Het voorstel voorziet echter niet in een dergelijke aanwijzingsbevoegdheid. Voorzover ervan wordt uitgegaan dat deze in genoemde artikelonderdelen is vervat, wijst de Raad erop dat de begripsbepaling zich hiervoor niet leent. Ook is een definitiebepaling niet de plaats waar materiële vereisten kunnen worden gesteld als waarop het slot van de onderdelen c en d zien, de vaststelling van competentiegerichte eindtermen. Het voorstel van wet dient te worden aangepast.
5. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het wetsvoorstel, kan het LSOP andere werkzaamheden uitvoeren dan die welke rechtstreeks voortvloeien uit de in het eerste lid bedoelde taken, mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden.
In de toelichting wordt verwezen naar de Aanwijzingen inzake het verrichten van marktactiviteiten door organisaties binnen de rijksdienst. Voorzover marktactiviteiten worden verricht in de zin van deze aanwijzingen wordt in de tekst van artikel 3, tweede lid, geen rekening gehouden met het vereiste dat de prijzen die in rekening worden gebracht dienen te worden verhoogd met een voor de vennootschapsbelasting en de omzetbelasting op de markt gebruikelijk bedrag en met een winstopslag (aanwijzing 11). Evenmin is erin voorzien dat eventuele marktactiviteiten door het LSOP afzonderlijk dienen te worden geadministreerd (aanwijzing 12).
De Raad adviseert het voorstel van wet aan te vullen.
6. Ingevolge artikel 5, derde lid, van het wetsvoorstel dient in het bestuursreglement onder meer te worden vastgelegd de wijze waarop het college van bestuur de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden afstemt met die van de raad van toezicht.
De toelichting leidt daaruit ten onrechte af dat het reglement de mogelijkheid biedt voorschriften te geven over de taakverdeling tussen het college en de raad van toezicht. De toelichting dient te worden aangepast.
Verder adviseert de Raad in het voorstel zelf te bepalen dat het college van bestuur de raad van toezicht tijdig de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en andere gegevens dient te verstrekken.
7. Over de raad van toezicht merkt de Raad nog het volgende op.
a. In aansluiting op aanwijzing 124i, vierde lid, juncto tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving, dient in artikel 8 te worden bepaald dat geen aan de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ondergeschikte ambtenaren in de raad van toezicht kunnen worden benoemd.
b. Er is niet voorzien in een regeling inzake de schadeloosstelling van de leden, en evenmin in een secretariaat.(zie noot 1) De Raad adviseert het voorstel van wet aan te vullen.
8. Artikel 13, dat betrekking heeft op de inhoud en structuur van het politieonderwijs, geeft aanleiding tot de volgende opmerkingen.
a. Volgens het tweede lid komen de niveaus waarop de initiële opleidingen zich richten, overeen met de niveaus (als) bedoeld in artikel 7.2.2 WEB en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). De WHW kent echter (nog) geen niveaus, zodat deze verwijzing naar het bachelor/mastermodel prematuur is.
De Raad adviseert de verwijzing naar de WHW te laten vervallen.
b. Ingevolge het vijfde lid wordt het college van bestuur belast met het beoordelen van eerder verworven kwaliteiten, al dan niet blijkend uit kwalificaties, met het oog op het verstrekken van daarop berustende waarderingen. Indien bedoeld wordt te zeggen dat het college is belast met het verlenen van vrijstellingen, dient dit in de tekst (duidelijker) tot uitdrukking te worden gebracht. Uit dit artikellid kan worden afgeleid dat het ontbreken van een diploma, getuigschrift of anderszins niet in de weg behoeft te staan aan een "waardering". Dat is nogal ruimhartig en bovendien niet overeenkomstig de WEB.(zie noot 2)
De Raad adviseert de noodzaak van dit stelsel toe te lichten. Mocht het de bedoeling zijn andere "waarderingen" toe te kennen, dan zal (ook) dat uitdrukkelijk moeten worden bepaald.
c. Een politiemedewerker die aan een reguliere instelling zou worden opgeleid, zou tussen de twee en vier jaar moeten studeren, met in totaal 3.200 tot 6.400 studie-uren. De studieduur volgens dit wetsvoorstel bedraagt ten minste vier jaar, met een studielast van ten minste 6.400 uren (afgezien van eventuele vrijstellingen). Daarmee stelt het LSOP zwaardere eisen aan de studenten dan de WEB.
De Raad adviseert dit punt in de toelichting te bespreken.
d. Anders dan het geval is in de regeling van de WEB (artikel 7.2.8), is in het voorstel niets geregeld met betrekking tot de inhoud en de duur van de onderwijsovereenkomst. Geadviseerd wordt deze afwijking toe te lichten.
e. Het praktische opleidingsdeel van een initiële of postinitiële opleiding wordt ingevolge het negende lid van artikel 13 verzorgd op grondslag van een standaardonderwijsovereenkomst, gesloten door het college van bestuur en de korpsbeheerder van het regionale korps waarbij de student is aangesteld, of door het college en de korpsbeheerder van het Korps landelijke politiediensten. In de overeenkomst dienen afspraken te worden gemaakt over onder meer de beoordeling van de student tijdens het praktische opleidingsdeel.
Voorzover die beoordeling geschiedt door of namens genoemde korpsbeheerders, mag dit echter niet afdoen aan de eindverantwoordelijkheid van het college van bestuur van het LSOP. In de toelichting is op dit punt een verduidelijking wenselijk.
9. Volgens artikel 16, eerste volzin, wordt elke opleiding afgesloten met een examen, bestaande uit proeven van bekwaamheid die door het LSOP worden afgenomen. Op basis van artikel 17, eerste lid, geeft het college van bestuur de studenten de gelegenheid een examen af te leggen en draagt het zorg voor de uitvoering van het examen. Op grond van artikel 18, tweede lid, kan tegen beslissingen van het college van bestuur ter uitvoering van artikel 17, of beslissingen van degenen die het examen hebben samengesteld of afgenomen, beroep worden ingesteld bij de commissie van beroep van examens, bedoeld in het eerste lid. Daarbij plaatst de Raad de volgende kanttekeningen.
a. Ten aanzien van artikel 18 is kennelijk aangesloten bij de vrijwel identieke regeling in artikel 7.5.2 WEB. Er is echter niet (zoveel mogelijk), analoog aan die wet, voorzien in één of meer door het college van bestuur aan te wijzen examencommissies of examinatoren.(zie noot 3)
De Raad adviseert het voorstel aan te vullen.
b. In afwijking van artikel 7.5.1 WEB wordt in het voorstel niet voorzien in een termijn van benoeming van degenen die deel uitmaken van de commissie van beroep voor de examens; evenmin wordt voorzien in een ontslagregeling.
De Raad geeft in overweging het wetsvoorstel op die punten aan te vullen.
c. In afwijking van artikel 7.5.2, vijfde lid, WEB wordt in het voorstel niet bepaald aan wie de beslissing van de commissie van beroep bekendgemaakt wordt. Aangezien het voor de hand ligt dat naast de kandidaat ook het bevoegd gezag van de beslissing in kennis wordt gesteld, lijkt het raadzaam een dergelijk voorschrift op te nemen.
De Raad adviseert daartoe.
d. In afwijking van artikel 7.5.3 WEB voorziet het wetsvoorstel met betrekking tot de regeling van het beroep niet in de mogelijkheid van voorlopige voorziening en herziening.
De Raad geeft in overweging het voorstel van wet aan te vullen.
e. Artikel 18, tweede lid, voorziet niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid van beroep tegen beoordelingen van het praktische opleidingsdeel als bedoeld in artikel 13, zevende lid, juncto negende lid. Nu dit onderdeel van belang is voor de uiteindelijke voltooiing van elke initiële en postinitiële opleiding, geeft de Raad in overweging artikel 18, tweede lid, aan te vullen.
10. Volgens de toelichting bij artikel 7 heeft de raad van toezicht een instemmingsrecht ten aanzien van besluiten inzake fusie, splitsing, reorganisatie, fusie, vervreemden en dergelijke, maar is zijn bevoegdheid met betrekking tot de jaarrekening beperkt tot het kenbaar maken van zijn zienswijze (artikel 29, eerste lid). Ingevolge artikel 26, derde lid, behoeven de begroting en de meerjarenraming van het LSOP de instemming van de raad van toezicht.
Terwijl elders in het voorstel het financiële toezicht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties relatief stringent is uitgewerkt, is de positie van de minister op grond van het derde lid van artikel 26 in deze fase beperkt tot geschillenbeslechter indien de raad van toezicht zijn instemming aan de begroting onthoudt.
De Raad wijst erop dat artikel 22, eerste lid, van het voorstel Kaderwet zelfstandige bestuursorganen een goedkeuringsrecht voor de minister kent. Ook herinnert hij aan de financiële problemen van het huidige LSOP, waarvan mededeling wordt gedaan in de artikelsgewijze toelichting. Hij adviseert de begroting te onderwerpen aan goedkeuring van de minister. Indien dit voorstel niet zou worden gevolgd, adviseert de Raad in elk geval in de toelichting in te gaan op het hiervoor vermelde onderscheid in bevoegdheden van de raad van toezicht met betrekking tot de jaarrekening en de begroting.
Tevens adviseert de Raad uiteen te zetten waar de in de toelichting op artikel 7 genoemde bevoegdheden van de raad van toezicht zijn geregeld.
11. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van het wetsvoorstel stelt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties jaarlijks ten laste van zijn begroting aan het LSOP bijdragen ter beschikking. Uit artikel 28 volgt dat op het terrein van de strafrechtelijke handhaving voor het postinitiële opleidingen de bijdrage voor de taakuitvoering van het LSOP in overeenstemming met de Minister van Justitie wordt vastgesteld.
Nu in het voorstel ten aanzien van de betrokkenheid van de Minister van Justitie overigens geen onderscheid wordt gemaakt tussen initiële en postinitiële opleidingen, valt niet in te zien waarom in artikel 28 de zeggenschap van de Minister van Justitie ten aanzien van de jaarlijkse bijdrage beperkt blijft tot de postinitiële opleidingen.
De Raad adviseert dit toe te lichten.
12. Naast de toezichthoudende taak van de raad van toezicht op basis van artikel 7, welk toezicht een intern karakter heeft, wordt toezicht op het college van bestuur ook uitgeoefend in het kader van de artikelen 31 en 32 van het wetsvoorstel. De Raad merkt hierover het volgende op.
a. De bevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties krachtens artikel 31 ziet op het toetsen van de wijze waarop het college van bestuur voorziet in de kwaliteit van de taakuitvoering, de resultaten en het beheer van het LSOP.(zie noot 4) Jaarlijks worden daartoe door deze minister, en voorzover nodig, in overeenstemming met de Minister van Justitie, de door het college uit te voeren werkzaamheden vastgesteld.(zie noot 5)
De noodzaak van een dergelijke vaststelling - kennelijk gericht op een soort werkplan - valt niet in te zien en is overigens ongebruikelijk. Voorts is onduidelijk waarom de bevoegdheid en het werkplan in de wettekst direct worden gerelateerd aan de bevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het college van bestuur algemene aanwijzingen te geven.(zie noot 6)
De Raad adviseert de vaststellingsbevoegdheid van de minister te laten vervallen en te volstaan met de algemene aanwijzingsbevoegdheid.
b. In de toelichting op de artikelen 32 en 33 wordt opgemerkt dat voorzover een deel van de opleiding wordt genoten binnen een Regionaal Opleidingen Centrum, daarop toezicht wordt gehouden door de Inspectie voor het onderwijs. Dat moge zo zijn, in ieder geval is toezicht door de onder het gezag van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vallende Inspectie voor de politie ook noodzakelijk. De toelichting dient te worden aangepast.
13. In het wetsvoorstel wordt de betrokkenheid van de Minister van Justitie ten aanzien van een aantal bevoegdheden bepaald door de vraag of al dan niet de strafrechtelijke handhaving in geding is.(zie noot 7) In de recent gewijzigde Politiewet 1993 wordt die betrokkenheid tevens bepaald door de vraag of "taken ten dienste van de justitie" aan de orde kunnen zijn.(zie noot 8)
Overigens valt op dat het voorstel op het punt van de betrokkenheid van de Minister van Justitie niet geheel consequent is. Het lijkt ook niet in overeenstemming met het in de toelichting genoemde uitgangspunt van concentratie van beheer op rijksniveau bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zoals dit is geformuleerd naar aanleiding van de gewijzigde Politiewet 1993. Zo zal in het jaarlijks overleg met het college van bestuur van het LSOP de betrokkenheid van de Minister van Justitie, conform dit uitgangspunt, toch beperkt dienen te zijn tot diens verantwoordelijkheid voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie. De Raad adviseert het voorstel op dit punt nader te bezien.
14. Ingevolge artikel 37 worden de leden van de bestuursraad en de directie van het LSOP bij inwerkingtreding van deze wet voor de resterende duur van hun benoeming benoemd als leden van de raad van toezicht en het college van bestuur. De op te heffen bestuursraad telt 15 leden, terwijl een nieuwe raad van toezicht met niet meer dan zeven leden is voorzien.
De bepaling dient nader te worden bezien.
15. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 21 juni 2001, no.W04.01.0144/I, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In de verschillende artikelen "initieel" en "postinitieel" vervangen door: basis-, respectievelijk vervolg-; "competentiegericht" laten vervallen.
- In artikel 1 een omschrijving van het begrip "LSOP" opnemen.
- De artikelen 1, onderdelen c, d en i, 10, vijfde lid, 14, vierde lid, en 20, tweede lid, zo beknopt mogelijk formuleren, mede gelet op aanwijzing 52 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar) .
- In artikel 3, onderdeel f, "in artikel 1, onderdelen c en d" vervangen door: in het eerste lid, onderdelen b en c. Het woord "andere" laten vervallen. Met betrekking tot het derde lid aanwijzing 30 Ar in acht nemen.
- In artikel 5, vierde lid, overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het wetsvoorstel Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en artikel 10.25 van de algemene wet bestuursrecht "instemming" vervangen door: goedkeuring.
- In artikel 7, tweede lid, aanhef, "instemming" ,gelet op artikel 10:25 van de Algemene wet bestuursrecht, vervangen door: goedkeuring.
- In artikel 10, vijfde lid, de laatste volzin vervangen door: De Wet veiligheidsonderzoeken is van overeenkomstige toepassing.
- In artikel 11 de woorden "van kwaliteiten op het gebied van" laten vervallen.
- Artikel 12 als volgt formuleren: Het politieonderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de studenten en besteedt daarbij aandacht aan de in de Nederlandse samenleving heersende godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden.
- Artikel 13, zevende lid, als volgt formuleren: Van elke opleiding maakt onderricht in de praktijk van het beroep deel uit.
- In artikel 18, tweede lid, preciseren dat het om administratief beroep gaat.
- In artikel 25 "over het politieonderwijs" vervangen door: over de taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
- Artikel 26 taalkundig aanpassen; in het eerste lid in samenhang met het derde lid komt het begrip "beleidsplan" tweemaal in een verschillende context voor.
- De onderdelen van de memorie van toelichting overeenkomstig aanwijzing 217 Ar nummeren.
Nader rapport (reactie op het advies) van 8 oktober 2001
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met zijn opmerkingen rekening zal zijn gehouden. De opmerkingen van de Raad geven ons aanleiding tot de volgende reactie.
1. Het is de Raad opgevallen dat in de tekst van het voorstel uitsluitend de onderwijstaak van het LSOP uitvoerig wordt geregeld. Inderdaad ontbreken inhoudelijke bepalingen over bijvoorbeeld de selectietaak en de kennisoverdracht. Dit hangt echter geenszins samen met het feit dat wij aan deze taken van het LSOP een minder belang zouden toekennen, maar slechts met de voor de wet gekozen systematiek dat de verschillende taken, met uitzondering van de onderwijstaak, van het LSOP slechts worden aangeduid in de wet en niet nader worden uitgewerkt. Hierbij is met name van belang dat het LSOP selectie-adviezen aan de korpsbeheerders van de regionale politiekorpsen uitbrengt. De beslissing tot aanstelling is en blijft voorbehouden aan de korpsbeheerders. Derhalve is in aanvulling hierop in de memorie van toelichting slechts beknopt aangeduid wat onder de selectietaak dient te worden verstaan. Op voorstel van de Raad is de toelichting op dit punt aangevuld.
2. Naar aanleiding van deze opmerking van de Raad merken wij als volgt op. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is voornemens om binnen afzienbare tijd aanpassingswetgeving voor te bereiden met betrekking tot de thans bestaande en in procedure zijnde wetgeving inzake zelfstandige bestuursorganen. Zodra meer zekerheid bestaat omtrent de definitieve tekst van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zal ook het onderhavige wetsvoorstel hierop worden afgestemd. In dat wetsvoorstel zal ook de vraag in hoeverre bestaande afwijkingen van het systeem van de Kaderwet worden gehandhaafd of gelijkgetrokken worden bezien. Om ervoor zorg te dragen dat de op termijn eventueel door te voeren aanpassing tot zo weinig mogelijk wijziging van het onderhavige wetsvoorstel hoeft te leiden, is op een aantal punten echter nu reeds aangesloten bij de Kaderwet, zoals onder meer bij de regeling van melding door de leden van de organen van het LSOP van hun voornemen tot het aanvaarden van nevenfuncties aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
3. De Raad constateert inzake de samenstelling van de Politieonderwijsraad (POR) een risico voor het bereiken van een betere aansluiting bij het "reguliere" onderwijs. Geadviseerd wordt de samenstelling van de POR nader te bezien. Wij zijn echter van oordeel dat de voorgestelde samenstelling van de POR een dergelijk door de Raad geconstateerd risico geenszins inhoudt. De samenstelling van de POR is weliswaar divers, maar dat is vereist nu er nogal wat actoren bij het politieonderwijs betrokken zijn. In een overzichtelijke sector als dat van het politieonderwijs, te weten met één onderwijsinstelling (het LSOP), is een dusdanig omvangrijke vertegenwoordiging, vergelijkbaar aan die van de landelijke organen conform de Wet educatie en beroepsonderwijs, echter niet noodzakelijk. Tevens zijn wij van mening dat de vergelijking met de volgens de Raad niet-slagvaardige werkwijze van de huidige bestuursraad van het LSOP in casu niet opgaat, omdat de adviserings- en afstemmingstaak van de POR immers wezenlijk verschilt van de taken van een dagelijks bestuur van een organisatie. Om desalniettemin tegemoet te komen aan de zorg van de Raad wordt door ons een onafhankelijk lid aan de POR toegevoegd. Naast de onafhankelijke voorzitter strekt toevoeging van een extra onafhankelijk lid met deskundigheid op het terrein van het beroepsonderwijs ertoe dat niet een van de vertegenwoordigingen de overhand in de POR krijgt. Artikel 19 van het wetsvoorstel is in de bedoelde zin aangepast.
Ambtshalve is tevens van de gelegenheid gebruik gemaakt om een derde hoofdcommissaris aan de leden van de POR toe te voegen. Wij zijn tot het nader inzicht gekomen dat de "afnemers" van het politieonderwijs nog te beperkt vertegenwoordigd waren in de POR. Met deze uitbreiding wordt tevens tegemoet gekomen aan de uitdrukkelijke wens vanuit de Raad van Hoofdcommissarissen, het Korpsbeheerdersberaad en het OM-Politieberaad tot uitbreiding van het aantal leden van de POR met een derde hoofdcommissaris.
4. Terecht merkt de Raad op dat in het onderhavige voorstel een expliciete bevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor aanwijzing van de initiële en de postinitiële opleidingen ontbreekt. Door aanpassing van het voorgestelde artikel 14, eerste lid, is deze door de Raad geconstateerde omissie hersteld, ook daar waar het de bevoegdheid van de Minister van Justitie betreft inzake opleidingen op het terrein van de strafrechtelijke handhaving. De door de Raad tevens geconstateerde omissie inzake de vaststellingsbevoegdheid van competentiegerichte eindtermen wordt door ons niet erkend. In het eerste lid van artikel 14 is deze bevoegdheid van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie geregeld.
5. De door de Raad voorgestelde aanvullingen op het wetsvoorstel zullen in de ministeriële regeling ingevolge het derde lid van artikel 3 worden geregeld.
6. Door het college van bestuur van het LSOP dient ingevolge het derde lid van artikel 5 een bestuursreglement te worden opgesteld. In de toelichting bij dit artikel wordt, zo meent de Raad ten onrechte gesteld dat het bestuursreglement voorschriften kan geven over de taakverdeling tussen het college van bestuur en de raad van toezicht. Met de door de Raad geparafraseerde passage uit de toelichting is bedoeld duidelijk te maken dat een nadere uitwerking in het bestuursreglement kan worden opgenomen van de in de wet voorgeschreven taakverdeling tussen de beide organen van het LSOP. De toelichting bij artikel 5, derde lid, van het wetsvoorstel is in deze zin verduidelijkt.
Voorts heeft de Raad geadviseerd om in het wetsvoorstel een inlichtingenplicht van het college van bestuur ten opzichte van de raad van toezicht van het LSOP op te nemen. Dit voorstel hebben wij overgenomen in een (nieuw toegevoegd) zesde lid bij artikel 5.
7a en b. Artikel 8 is in de door de Raad bedoelde zin aangepast. Er is een nieuw derde lid aan artikel 8 toegevoegd dat regelt dat geen ambtenaren in de raad van toezicht van het LSOP kunnen worden benoemd voor wie de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of de Minister van Justitie het bevoegd gezag is. Tevens is in een nieuw vierde, vijfde en zesde lid bepaald dat de raad van toezicht regels dient vast te stellen omtrent zijn werkwijze, wordt voorzien in een secretariaat onderscheidenlijk wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een vergoeding aan de leden van de raad van toezicht toegekend.
8a. Bij de niveau-aanduiding van de opleidingen, genoemd in het tweede lid van artikel 13, wordt door de raad geadviseerd om de verwijzing naar de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) te schrappen. Wij hebben echter gekozen voor zodanige aanpassing van de formuleringen in het tweede lid van artikel 13 dat een verwijzing naar het naar verwachting op korte termijn door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in te voeren bachelor/mastermodel, is gerechtvaardigd. Daarbij wordt door ons gebruik gemaakt van de reeds in artikel 7:21 van de WHW opgenomen bepaling inzake de bachelor en mastertitulatuur.
8b. De suggestie van de Raad om in het vijfde lid van artikel 13 expliciet tot uitdrukking te brengen dat het college van bestuur is belast met het verlenen van vrijstellingen, is in het voorstel verwerkt. Met de voorgestelde wijziging is de strekking van het wetsvoorstel op dit punt gelijk aan die van de WEB.
8c. Het is ons niet duidelijk geworden waar de Raad zijn standpunt op baseert dat in het vernieuwde politieonderwijs een studieduur van ten minste 6400 uren als uitgangspunt zou gelden. Op basis van het zesde lid van artikel 13 van het wetsvoorstel varieert de studieduur van een initiële opleiding tussen ten minste 2400 en 6720 studiebelastingsuren. Deze systematiek is geheel overeenkomstig de WEB en de WHW. Wij zien in de opmerking van de Raad dan ook geen aanleiding om (de toelichting bij) het wetsvoorstel op dit punt aan te passen.
8d. Door de Raad wordt een afwijking geconstateerd tussen de regeling inzake de onderwijsovereenkomst in artikel 7.2.8. van de WEB en het bepaalde over de onderwijsovereenkomst ingevolge het voorgestelde negende lid van artikel 13.
Wij willen allereerst benadrukken dat de beide onderwijsovereenkomsten waar door de Raad naar wordt verwezen een andere functie hebben. Het nieuwe politieonderwijs is gebaseerd op een duaal stelsel. Het praktische opleidingsdeel is hiermee méér dan een periode van stage lopen binnen een regionaal politiekorps of het Korps landelijke politiediensten. Het gaat om daadwerkelijke uitoefening van de politietaak in het kader van de opleiding. In dit verband wordt in de kringen van het politieonderwijs ook wel gesproken van "werkend leren". Er is naar ons oordeel een duidelijk verschil aan te merken tussen de periode van het praktische opleidingsdeel zoals uitgewerkt in het vernieuwde Politieonderwijs en een (meer beperkte) periode van onderricht in de praktijk conform de WEB. Een identieke regeling conform de WEB wordt door ons derhalve geenszins beoogd.
Voorts willen wij benadrukken dat de toelichting bij artikel 13, negende lid, van het voorstel wel degelijk de hoofdbestanddelen van de onderwijsovereenkomst benoemt.
8e. De suggestie van de Raad om de eindverantwoordelijkheid van de korpsbeheerders inzake de beoordeling van de student tijdens het praktische opleidingsdeel in de toelichting bij het wetsvoorstel te verduidelijken, is door ons overgenomen.
9a. Op voorstel van de Raad is artikel 17 van het wetsvoorstel aangevuld met een regeling inzake examencommissies en examinatoren.
9b tot en met e. Artikel 18 van het wetsvoorstel regelt de instelling, werkwijze en bevoegdheden van een commissie van beroep voor de examens.
Op voorstel van de Raad is het tweede lid aangevuld met de mogelijkheid tot het instellen van beroep tegen de beoordeling van het praktische opleidingsdeel. In het derde lid is een regeling toegevoegd omtrent benoeming en ontslag van de leden van de commissie van beroep voor de examens en het vijfde lid is uitgebreid met het voorschrift aan wie de beslissing van de commissie van beroep bekend wordt gemaakt. Dit betreft de student, de leiding van de desbetreffende instelling van het LSOP alsmede de korpsbeheerder in wiens regio door de student het praktisch opleidingsdeel wordt gevolgd.
Tevens is aan artikel 18 een nieuw zevende en achtste lid inzake een mogelijkheid tot voorlopige voorziening en herziening toegevoegd.
10. Artikel 26, derde lid, bepaalt dat de begroting en de meerjarenraming van het LSOP de instemming van de raad van toezicht behoeven. Een dergelijk instemmingsrecht heeft de raad van toezicht eveneens met betrekking tot de in artikel 7 genoemde onderwerpen. Ten aanzien van de jaarrekening is de bevoegdheid van de raad van toezicht, zoals de Raad terecht constateert, in artikel 29, eerste lid, beperkt tot het kenbaar maken van zijn zienswijze.
Het advies van de Raad tot onderwerpen van de begroting van het LSOP aan de goedkeuring van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt door ons niet overgenomen. Wij hechten er ten aanzien van de beleids- en beheersstukken zeer groot belang aan dat de voor het LSOP geldende voorschriften zoveel mogelijk analoog aan de voor de politieregio's geldende voorschriften komen te luiden.
Het toezichtsregime dat van toepassing is op de politieregio's, is vormgegeven naar analogie van het regime dat geldt voor de gemeenten. Dit regime stoelt op het uitgangspunt dat toezicht door de toezichthouder zo terughoudend mogelijk van aard dient te zijn. Repressief toezicht is derhalve regel, terwijl slechts in uitzonderingsgevallen preventief toezicht op de begroting wordt ingesteld.
11. Ten onrechte werd in de voorgestelde artikelen 27 en 28 onderscheid gemaakt tussen de bevoegdheden van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van de Minister van Justitie ten aanzien van de jaarlijks toe te kennen financiële bijdrage aan het LSOP. Dit onderscheid is komen te vervallen door aanpassing ter zake van artikel 28. Ook de memorie van toelichting bij dit voorstel is in deze zin aangepast.
Tevens is door ons van de gelegenheid gebruik gemaakt om in het derde lid van artikel 27, het oorspronkelijke onderscheid in bevoegdheden tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van de Minister van Justitie teniet te doen. In dat artikel is bepaald dat regels kunnen worden gesteld omtrent de doorberekening van een deel van de opleidingskosten door het LSOP aan de politiekorpsen waarbij de studenten die de initiële opleidingen of de aangewezen postinitiële opleidingen volgen, zijn aangesteld. Deze bevoegdheid tot het stellen van regels is ambtshalve gewijzigd in een gezamenlijke bevoegdheid van de beide ministers.
12a. In artikel 31 is verduidelijkt dat de jaarlijks door de minister(s) vast te stellen werkzaamheden van het college van bestuur van het LSOP slechts die werkzaamheden kunnen betreffen, die in het kader van het toetsen met betrekking tot de wijze waarop het college van bestuur voorziet in de kwaliteit van zijn taakuitvoering, de resultaten en het beheer van het LSOP, door het college van bestuur worden uitgevoerd. Aan de suggestie van de Raad om de vaststellingsbevoegdheid van de minister te laten vervallen wordt niet tegemoet gekomen. Niettemin gaan wij er van uit dat met de aanpassing van artikel 31 afdoende tegemoet is gekomen aan de wens van de Raad tot verduidelijking van het bepaalde in dit artikel.
12b. Op voorstel van de Raad is in de toelichting op de artikelen 32 en 33 opgenomen dat voorzover een deel van de politieopleiding wordt genoten binnen een Regionaal Opleidingen Centrum, daarop tevens toezicht wordt gehouden door de onder het gezag van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vallende Inspectie voor de politie.
13. De betrokkenheid van de Minister van Justitie bij het politieonderwijs is in beginsel beperkt tot de opleidingen van de politie ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie. Het uitgangspunt van concentratie van beheer op rijksniveau bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ligt hieraan ten grondslag.
Met betrekking tot een aantal onderwerpen in het onderhavige wetsvoorstel is een dergelijke strikte scheiding echter niet (eenvoudig) aan te brengen. Bijvoorbeeld bij de bevoegdheid tot het benoemen van de leden van de organen van het LSOP is er derhalve voor gekozen dit een gezamenlijke bevoegdheid van zowel de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als van de Minister van Justitie te laten zijn. Ook het jaarlijks overleg met het college van bestuur van het LSOP, bedoeld in artikel 25 van het wetsvoorstel, is vanwege deze praktische onmogelijkheid tot splitsing van de wederzijdse bevoegdheden, een gezamenlijke bevoegdheid van beide ministers geworden.
14. Tot slot wijst de Raad op het verschil in omvang van de voormalige organen, te weten de bestuursraad en de directie van het LSOP ten opzichte van de in het onderhavige wetsvoorstel vermelde raad van toezicht en college van bestuur van het LSOP. Dit verschil in omvang wordt door ons erkend, maar daarbij wensen wij op te merken dat de leden van de voormalige organen van het LSOP in de praktijk reeds uit hun functie zijn ontheven. Daarvoor in de plaats zijn enkele van de leden reeds benoemd in de nieuwe organen van het LSOP. Het onderhavige wetsvoorstel brengt de bestuursstructuur van het LSOP nu met de reeds bestaande praktijk in overeenstemming. Van het door de Raad gesignaleerde knelpunt zal in de praktijk derhalve geen sprake zijn. Wij zijn van mening dat dit reeds voldoende uit (de toelichting bij) het momenteel voorgestelde artikel 37 van het wetsvoorstel blijkt, zodat de suggestie van de Raad tot herziening van dit artikel door ons niet wordt opgevolgd.
15. De redactionele kanttekeningen van de Raad hebben ons aanleiding gegeven tot de volgende opmerkingen:
- De begrippen initieel en postinitieel zijn in het reguliere hoger onderwijs (ingevolge de WHW) gangbare begrippen en zijn inmiddels ook in het politieonderwijs ingeburgerde begrippen. In de tekst van de onderhavige wet wordt nu derhalve bij deze reeds gangbare praktijk aangesloten. De term "competentiegericht" is weliswaar niet bekend in de WEB of de WHW, maar is in de kringen van het reguliere onderwijs en het politieonderwijs een breed gedragen begrip. Wij hebben deze termen dan ook niet vervangen respectievelijk geschrapt.
- Heroverweging van de formuleringen van de door de Raad aangehaalde artikelen hebben niet tot een herziening van deze artikelen geleid. Naar ons oordeel is een meer beknopte formulering niet mogelijk zonder tevens aan de inhoud van de bepalingen afbreuk te doen.
- Wij hebben in de door de Raad aangegeven bepalingen de term "instemming", die thans ook in de Politiewet 1993 wordt gehanteerd, niet vervangen door de term "goedkeuring". Wij mogen in dit verband ook verwijzen naar de artikelen 2 en 4 van hoofdstuk 3 van de Aanpassingswet derde tranche AWB II (Stb.1997, 580).
- Het voorstel voor herformulering van de artikelen 12 en 18, tweede lid, wordt door ons niet overgenomen. De huidige bepalingen zijn conform de tekst van de WEB. Wij geven er de voorkeur aan om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande regelgeving voor het reguliere beroepsonderwijs.
- In het zevende lid van artikel 13 wordt door ons de formulering conform de begripsbepaling in artikel 1, onderdeel g, gehandhaafd.
- In het derde lid van artikel 26 is verduidelijkt dat de instemmingsbevoegdheid van de raad van toezicht slechts betrekking heeft op de door het college van bestuur vastgestelde stukken. Hiermee wordt de eventuele misvatting voorkomen dat ook het in artikel 24 bedoelde, door de ministers vastgestelde beleidsplan, de instemming van de raad van toezicht van het LSOP behoeft.
- Wij zijn van mening dat nummering van de onderdelen van de memorie van toelichting niet is vereist. Verwijzing is reeds op afdoende wijze mogelijk door de in de tekst veelvuldig gehanteerde aanduidingen van de besproken onderdelen, onderverdeeld in hoofdstukken en paragrafen.
- Met uitzondering van het bovenstaande zijn de redactionele kanttekeningen van de Raad door ons in het voorstel van wet verwerkt.
Wij mogen U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(1) Vergelijk bijvoorbeeld artikel 14 van de TNO-wet en artikel 5, negende lid, van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank.
(2) Vergelijk artikel 7.4.3 WEB.
(3) Artikel 7.4.5, eerste lid, WEB.
(4) Eerste volzin van artikel 31.
(5) Derde volzin van artikel 31.
(6) Tweede volzin van artikel 31.
(7) Bijvoorbeeld de artikelen 14, eerste en vierde lid, en 20, derde lid.
(8) Bijvoorbeeld de artikelen 48, derde lid, en 48a, tweede lid.
Het belangrijkste oogmerk van het wetsvoorstel is de vernieuwing van het politieonderwijs, te realiseren door het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (LSOP) te laten uitgroeien tot het politie-expertisecentrum van de Nederlandse politie in samenwerking met de politieregio’s en het reguliere onderwijs. Verder worden naar aanleiding van de evaluatie van de bestaande LSOP-wet de regels met betrekking tot de organisatie, de bedrijfsvoering en de administratieve organisatie aangescherpt en voorziet het voorstel in concentratie van het centrale beheer van de politie bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Ook wordt beoogd de bevoegdheden van en het toezicht op het LSOP meer in overeenstemming te brengen met de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar) betreffende zelfstandige bestuursorganen.
De Raad van State maakt een aantal opmerkingen over onder meer de functie van het LSOP, de verhouding van dit wetsvoorstel tot het wetsvoorstel Kaderwet zelfstandige bestuurorganen en de samenstelling van de politieonderwijsraad. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. De functie van het LSOP
De taak van het LSOP is onder meer het uitvoeren van de selectie van de studenten voor de basisopleidingen (artikel 3, eerste lid, onder a). Het LSOP is op dat punt adviseur van de korpsen, waar de aanstelling plaatsvindt. Daarmee beheerst het LSOP, praktisch gezien, de toegang tot de politie. De selectie zal daarom kwaliteit moeten hebben (in afstemming met de korpsen), en een zorgvuldige behandeling van de sollicitantten zal voldoende moeten zijn gewaarborgd.
Het is de Raad opgevallen dat in het voorstel uitsluitend de onderwijstaak van het LSOP wordt geregeld; bepalingen over de niet minder belangrijke selectietaak ontbreken geheel.
De Raad adviseert het voorstel op dit punt aan te vullen, of in elk geval in de toelichting hieraan aandacht te schenken.
2. Het LSOP als zelfstandig bestuursorgaan
Het LSOP zal een zelfstandig bestuursorgaan zijn dat ressorteert onder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; aldus ook de memorie van toelichting, onderdeel Algemeen. In het licht van het wetsvoorstel Kaderwet zelfstandige bestuursorganen betekent dit dat het onderhavige voorstel uitdrukkelijk zal moeten bepalen dat de Kaderwet op het LSOP van toepassing is, terwijl ook overigens zal moeten worden gezorgd voor nauwkeurige afstemming van het onderhavige wetsvoorstel op de Kaderwet.
De Raad beveelt aan daartoe over te gaan. Mocht het de bedoeling zijn de uiteindelijke afstemming van het wetsvoorstel op de Kaderwet te verwezenlijken in de invoeringswet van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, dan zal de toelichting een mededeling van die strekking dienen te bevatten; in dat geval zal ervoor moeten worden gezorgd dat de dan door te voeren aanpassing tot zo weinig mogelijk wijziging van het voorliggende ontwerp hoeft te leiden.
3. De politieonderwijsraad
Volgens het wetsvoorstel is het de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, deels in overeenstemming met de Minister van Justitie, die bevoegd wordt om op voorstel van de politieonderwijsraad (hierna: POR) de beroeps- en functieprofielen, de eindtermen en eventueel de indeling daarvan in deelkwalificaties vast te stellen. De POR is, ook volgens de toelichting, min of meer te vergelijken met de "landelijke organen" uit de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB).
De POR zal bestaan uit de voorzitter, vijf leden uit de kringen van de politie, één lid van het openbaar ministerie, een vertegenwoordiger van het beroepsonderwijs, één van het hoger onderwijs (universiteiten en hogescholen) en twee leden van het LSOP. Volgens artikel 14, derde lid, moet de POR letten "op de aansluiting van door het LSOP verzorgde opleidingen bij de opleiding voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, de beroepsopleidingen, de opleidingen voor hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs". Dit is van belang omdat het politieonderwijs meer aanrakingspunten moet krijgen met het "reguliere" onderwijs, opdat de opgeleiden niet alleen inzetbaar zijn bij de politie maar ook daarbuiten. Volgens artikel 20, eerste lid, moet de POR bovendien letten op de arbeidsmarktperspectieven voor de afgestudeerden en in verband daarmee op ontwikkelingen in internationaal verband.
Bij de voorgestelde samenstelling van de POR lijkt het echter vrijwel ondoenlijk dat de POR zal kunnen voldoen aan de vereisten van de artikelen 14 en 20; daarvoor is de vertegenwoordiging van het reguliere onderwijs te gering, ook indien wordt vergeleken met de landelijke organen uit de WEB. Bovendien doet de samenstelling denken aan die van de huidige bestuursraad, waartegen als bezwaar is ingebracht dat deze te divers van samenstelling is om slagvaardig te kunnen optreden. Dit alles houdt een risico in voor het bereiken van één van de centrale doeleinden van de vernieuwing van het politieonderwijs.
De Raad adviseert de samenstelling van de POR nader te bezien.
Artikelsgewijs
4. Artikel 1, aanhef en onder c en d, van het wetsvoorstel geeft een definitie van initiële respectievelijk postinitiële opleidingen die door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden aangewezen. Het voorstel voorziet echter niet in een dergelijke aanwijzingsbevoegdheid. Voorzover ervan wordt uitgegaan dat deze in genoemde artikelonderdelen is vervat, wijst de Raad erop dat de begripsbepaling zich hiervoor niet leent. Ook is een definitiebepaling niet de plaats waar materiële vereisten kunnen worden gesteld als waarop het slot van de onderdelen c en d zien, de vaststelling van competentiegerichte eindtermen. Het voorstel van wet dient te worden aangepast.
5. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het wetsvoorstel, kan het LSOP andere werkzaamheden uitvoeren dan die welke rechtstreeks voortvloeien uit de in het eerste lid bedoelde taken, mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden.
In de toelichting wordt verwezen naar de Aanwijzingen inzake het verrichten van marktactiviteiten door organisaties binnen de rijksdienst. Voorzover marktactiviteiten worden verricht in de zin van deze aanwijzingen wordt in de tekst van artikel 3, tweede lid, geen rekening gehouden met het vereiste dat de prijzen die in rekening worden gebracht dienen te worden verhoogd met een voor de vennootschapsbelasting en de omzetbelasting op de markt gebruikelijk bedrag en met een winstopslag (aanwijzing 11). Evenmin is erin voorzien dat eventuele marktactiviteiten door het LSOP afzonderlijk dienen te worden geadministreerd (aanwijzing 12).
De Raad adviseert het voorstel van wet aan te vullen.
6. Ingevolge artikel 5, derde lid, van het wetsvoorstel dient in het bestuursreglement onder meer te worden vastgelegd de wijze waarop het college van bestuur de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden afstemt met die van de raad van toezicht.
De toelichting leidt daaruit ten onrechte af dat het reglement de mogelijkheid biedt voorschriften te geven over de taakverdeling tussen het college en de raad van toezicht. De toelichting dient te worden aangepast.
Verder adviseert de Raad in het voorstel zelf te bepalen dat het college van bestuur de raad van toezicht tijdig de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en andere gegevens dient te verstrekken.
7. Over de raad van toezicht merkt de Raad nog het volgende op.
a. In aansluiting op aanwijzing 124i, vierde lid, juncto tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving, dient in artikel 8 te worden bepaald dat geen aan de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ondergeschikte ambtenaren in de raad van toezicht kunnen worden benoemd.
b. Er is niet voorzien in een regeling inzake de schadeloosstelling van de leden, en evenmin in een secretariaat.(zie noot 1) De Raad adviseert het voorstel van wet aan te vullen.
8. Artikel 13, dat betrekking heeft op de inhoud en structuur van het politieonderwijs, geeft aanleiding tot de volgende opmerkingen.
a. Volgens het tweede lid komen de niveaus waarop de initiële opleidingen zich richten, overeen met de niveaus (als) bedoeld in artikel 7.2.2 WEB en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). De WHW kent echter (nog) geen niveaus, zodat deze verwijzing naar het bachelor/mastermodel prematuur is.
De Raad adviseert de verwijzing naar de WHW te laten vervallen.
b. Ingevolge het vijfde lid wordt het college van bestuur belast met het beoordelen van eerder verworven kwaliteiten, al dan niet blijkend uit kwalificaties, met het oog op het verstrekken van daarop berustende waarderingen. Indien bedoeld wordt te zeggen dat het college is belast met het verlenen van vrijstellingen, dient dit in de tekst (duidelijker) tot uitdrukking te worden gebracht. Uit dit artikellid kan worden afgeleid dat het ontbreken van een diploma, getuigschrift of anderszins niet in de weg behoeft te staan aan een "waardering". Dat is nogal ruimhartig en bovendien niet overeenkomstig de WEB.(zie noot 2)
De Raad adviseert de noodzaak van dit stelsel toe te lichten. Mocht het de bedoeling zijn andere "waarderingen" toe te kennen, dan zal (ook) dat uitdrukkelijk moeten worden bepaald.
c. Een politiemedewerker die aan een reguliere instelling zou worden opgeleid, zou tussen de twee en vier jaar moeten studeren, met in totaal 3.200 tot 6.400 studie-uren. De studieduur volgens dit wetsvoorstel bedraagt ten minste vier jaar, met een studielast van ten minste 6.400 uren (afgezien van eventuele vrijstellingen). Daarmee stelt het LSOP zwaardere eisen aan de studenten dan de WEB.
De Raad adviseert dit punt in de toelichting te bespreken.
d. Anders dan het geval is in de regeling van de WEB (artikel 7.2.8), is in het voorstel niets geregeld met betrekking tot de inhoud en de duur van de onderwijsovereenkomst. Geadviseerd wordt deze afwijking toe te lichten.
e. Het praktische opleidingsdeel van een initiële of postinitiële opleiding wordt ingevolge het negende lid van artikel 13 verzorgd op grondslag van een standaardonderwijsovereenkomst, gesloten door het college van bestuur en de korpsbeheerder van het regionale korps waarbij de student is aangesteld, of door het college en de korpsbeheerder van het Korps landelijke politiediensten. In de overeenkomst dienen afspraken te worden gemaakt over onder meer de beoordeling van de student tijdens het praktische opleidingsdeel.
Voorzover die beoordeling geschiedt door of namens genoemde korpsbeheerders, mag dit echter niet afdoen aan de eindverantwoordelijkheid van het college van bestuur van het LSOP. In de toelichting is op dit punt een verduidelijking wenselijk.
9. Volgens artikel 16, eerste volzin, wordt elke opleiding afgesloten met een examen, bestaande uit proeven van bekwaamheid die door het LSOP worden afgenomen. Op basis van artikel 17, eerste lid, geeft het college van bestuur de studenten de gelegenheid een examen af te leggen en draagt het zorg voor de uitvoering van het examen. Op grond van artikel 18, tweede lid, kan tegen beslissingen van het college van bestuur ter uitvoering van artikel 17, of beslissingen van degenen die het examen hebben samengesteld of afgenomen, beroep worden ingesteld bij de commissie van beroep van examens, bedoeld in het eerste lid. Daarbij plaatst de Raad de volgende kanttekeningen.
a. Ten aanzien van artikel 18 is kennelijk aangesloten bij de vrijwel identieke regeling in artikel 7.5.2 WEB. Er is echter niet (zoveel mogelijk), analoog aan die wet, voorzien in één of meer door het college van bestuur aan te wijzen examencommissies of examinatoren.(zie noot 3)
De Raad adviseert het voorstel aan te vullen.
b. In afwijking van artikel 7.5.1 WEB wordt in het voorstel niet voorzien in een termijn van benoeming van degenen die deel uitmaken van de commissie van beroep voor de examens; evenmin wordt voorzien in een ontslagregeling.
De Raad geeft in overweging het wetsvoorstel op die punten aan te vullen.
c. In afwijking van artikel 7.5.2, vijfde lid, WEB wordt in het voorstel niet bepaald aan wie de beslissing van de commissie van beroep bekendgemaakt wordt. Aangezien het voor de hand ligt dat naast de kandidaat ook het bevoegd gezag van de beslissing in kennis wordt gesteld, lijkt het raadzaam een dergelijk voorschrift op te nemen.
De Raad adviseert daartoe.
d. In afwijking van artikel 7.5.3 WEB voorziet het wetsvoorstel met betrekking tot de regeling van het beroep niet in de mogelijkheid van voorlopige voorziening en herziening.
De Raad geeft in overweging het voorstel van wet aan te vullen.
e. Artikel 18, tweede lid, voorziet niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid van beroep tegen beoordelingen van het praktische opleidingsdeel als bedoeld in artikel 13, zevende lid, juncto negende lid. Nu dit onderdeel van belang is voor de uiteindelijke voltooiing van elke initiële en postinitiële opleiding, geeft de Raad in overweging artikel 18, tweede lid, aan te vullen.
10. Volgens de toelichting bij artikel 7 heeft de raad van toezicht een instemmingsrecht ten aanzien van besluiten inzake fusie, splitsing, reorganisatie, fusie, vervreemden en dergelijke, maar is zijn bevoegdheid met betrekking tot de jaarrekening beperkt tot het kenbaar maken van zijn zienswijze (artikel 29, eerste lid). Ingevolge artikel 26, derde lid, behoeven de begroting en de meerjarenraming van het LSOP de instemming van de raad van toezicht.
Terwijl elders in het voorstel het financiële toezicht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties relatief stringent is uitgewerkt, is de positie van de minister op grond van het derde lid van artikel 26 in deze fase beperkt tot geschillenbeslechter indien de raad van toezicht zijn instemming aan de begroting onthoudt.
De Raad wijst erop dat artikel 22, eerste lid, van het voorstel Kaderwet zelfstandige bestuursorganen een goedkeuringsrecht voor de minister kent. Ook herinnert hij aan de financiële problemen van het huidige LSOP, waarvan mededeling wordt gedaan in de artikelsgewijze toelichting. Hij adviseert de begroting te onderwerpen aan goedkeuring van de minister. Indien dit voorstel niet zou worden gevolgd, adviseert de Raad in elk geval in de toelichting in te gaan op het hiervoor vermelde onderscheid in bevoegdheden van de raad van toezicht met betrekking tot de jaarrekening en de begroting.
Tevens adviseert de Raad uiteen te zetten waar de in de toelichting op artikel 7 genoemde bevoegdheden van de raad van toezicht zijn geregeld.
11. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van het wetsvoorstel stelt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties jaarlijks ten laste van zijn begroting aan het LSOP bijdragen ter beschikking. Uit artikel 28 volgt dat op het terrein van de strafrechtelijke handhaving voor het postinitiële opleidingen de bijdrage voor de taakuitvoering van het LSOP in overeenstemming met de Minister van Justitie wordt vastgesteld.
Nu in het voorstel ten aanzien van de betrokkenheid van de Minister van Justitie overigens geen onderscheid wordt gemaakt tussen initiële en postinitiële opleidingen, valt niet in te zien waarom in artikel 28 de zeggenschap van de Minister van Justitie ten aanzien van de jaarlijkse bijdrage beperkt blijft tot de postinitiële opleidingen.
De Raad adviseert dit toe te lichten.
12. Naast de toezichthoudende taak van de raad van toezicht op basis van artikel 7, welk toezicht een intern karakter heeft, wordt toezicht op het college van bestuur ook uitgeoefend in het kader van de artikelen 31 en 32 van het wetsvoorstel. De Raad merkt hierover het volgende op.
a. De bevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties krachtens artikel 31 ziet op het toetsen van de wijze waarop het college van bestuur voorziet in de kwaliteit van de taakuitvoering, de resultaten en het beheer van het LSOP.(zie noot 4) Jaarlijks worden daartoe door deze minister, en voorzover nodig, in overeenstemming met de Minister van Justitie, de door het college uit te voeren werkzaamheden vastgesteld.(zie noot 5)
De noodzaak van een dergelijke vaststelling - kennelijk gericht op een soort werkplan - valt niet in te zien en is overigens ongebruikelijk. Voorts is onduidelijk waarom de bevoegdheid en het werkplan in de wettekst direct worden gerelateerd aan de bevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het college van bestuur algemene aanwijzingen te geven.(zie noot 6)
De Raad adviseert de vaststellingsbevoegdheid van de minister te laten vervallen en te volstaan met de algemene aanwijzingsbevoegdheid.
b. In de toelichting op de artikelen 32 en 33 wordt opgemerkt dat voorzover een deel van de opleiding wordt genoten binnen een Regionaal Opleidingen Centrum, daarop toezicht wordt gehouden door de Inspectie voor het onderwijs. Dat moge zo zijn, in ieder geval is toezicht door de onder het gezag van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vallende Inspectie voor de politie ook noodzakelijk. De toelichting dient te worden aangepast.
13. In het wetsvoorstel wordt de betrokkenheid van de Minister van Justitie ten aanzien van een aantal bevoegdheden bepaald door de vraag of al dan niet de strafrechtelijke handhaving in geding is.(zie noot 7) In de recent gewijzigde Politiewet 1993 wordt die betrokkenheid tevens bepaald door de vraag of "taken ten dienste van de justitie" aan de orde kunnen zijn.(zie noot 8)
Overigens valt op dat het voorstel op het punt van de betrokkenheid van de Minister van Justitie niet geheel consequent is. Het lijkt ook niet in overeenstemming met het in de toelichting genoemde uitgangspunt van concentratie van beheer op rijksniveau bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zoals dit is geformuleerd naar aanleiding van de gewijzigde Politiewet 1993. Zo zal in het jaarlijks overleg met het college van bestuur van het LSOP de betrokkenheid van de Minister van Justitie, conform dit uitgangspunt, toch beperkt dienen te zijn tot diens verantwoordelijkheid voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie. De Raad adviseert het voorstel op dit punt nader te bezien.
14. Ingevolge artikel 37 worden de leden van de bestuursraad en de directie van het LSOP bij inwerkingtreding van deze wet voor de resterende duur van hun benoeming benoemd als leden van de raad van toezicht en het college van bestuur. De op te heffen bestuursraad telt 15 leden, terwijl een nieuwe raad van toezicht met niet meer dan zeven leden is voorzien.
De bepaling dient nader te worden bezien.
15. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 21 juni 2001, no.W04.01.0144/I, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In de verschillende artikelen "initieel" en "postinitieel" vervangen door: basis-, respectievelijk vervolg-; "competentiegericht" laten vervallen.
- In artikel 1 een omschrijving van het begrip "LSOP" opnemen.
- De artikelen 1, onderdelen c, d en i, 10, vijfde lid, 14, vierde lid, en 20, tweede lid, zo beknopt mogelijk formuleren, mede gelet op aanwijzing 52 van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar) .
- In artikel 3, onderdeel f, "in artikel 1, onderdelen c en d" vervangen door: in het eerste lid, onderdelen b en c. Het woord "andere" laten vervallen. Met betrekking tot het derde lid aanwijzing 30 Ar in acht nemen.
- In artikel 5, vierde lid, overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het wetsvoorstel Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en artikel 10.25 van de algemene wet bestuursrecht "instemming" vervangen door: goedkeuring.
- In artikel 7, tweede lid, aanhef, "instemming" ,gelet op artikel 10:25 van de Algemene wet bestuursrecht, vervangen door: goedkeuring.
- In artikel 10, vijfde lid, de laatste volzin vervangen door: De Wet veiligheidsonderzoeken is van overeenkomstige toepassing.
- In artikel 11 de woorden "van kwaliteiten op het gebied van" laten vervallen.
- Artikel 12 als volgt formuleren: Het politieonderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de studenten en besteedt daarbij aandacht aan de in de Nederlandse samenleving heersende godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden.
- Artikel 13, zevende lid, als volgt formuleren: Van elke opleiding maakt onderricht in de praktijk van het beroep deel uit.
- In artikel 18, tweede lid, preciseren dat het om administratief beroep gaat.
- In artikel 25 "over het politieonderwijs" vervangen door: over de taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
- Artikel 26 taalkundig aanpassen; in het eerste lid in samenhang met het derde lid komt het begrip "beleidsplan" tweemaal in een verschillende context voor.
- De onderdelen van de memorie van toelichting overeenkomstig aanwijzing 217 Ar nummeren.
Nader rapport (reactie op het advies) van 8 oktober 2001
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met zijn opmerkingen rekening zal zijn gehouden. De opmerkingen van de Raad geven ons aanleiding tot de volgende reactie.
1. Het is de Raad opgevallen dat in de tekst van het voorstel uitsluitend de onderwijstaak van het LSOP uitvoerig wordt geregeld. Inderdaad ontbreken inhoudelijke bepalingen over bijvoorbeeld de selectietaak en de kennisoverdracht. Dit hangt echter geenszins samen met het feit dat wij aan deze taken van het LSOP een minder belang zouden toekennen, maar slechts met de voor de wet gekozen systematiek dat de verschillende taken, met uitzondering van de onderwijstaak, van het LSOP slechts worden aangeduid in de wet en niet nader worden uitgewerkt. Hierbij is met name van belang dat het LSOP selectie-adviezen aan de korpsbeheerders van de regionale politiekorpsen uitbrengt. De beslissing tot aanstelling is en blijft voorbehouden aan de korpsbeheerders. Derhalve is in aanvulling hierop in de memorie van toelichting slechts beknopt aangeduid wat onder de selectietaak dient te worden verstaan. Op voorstel van de Raad is de toelichting op dit punt aangevuld.
2. Naar aanleiding van deze opmerking van de Raad merken wij als volgt op. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is voornemens om binnen afzienbare tijd aanpassingswetgeving voor te bereiden met betrekking tot de thans bestaande en in procedure zijnde wetgeving inzake zelfstandige bestuursorganen. Zodra meer zekerheid bestaat omtrent de definitieve tekst van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zal ook het onderhavige wetsvoorstel hierop worden afgestemd. In dat wetsvoorstel zal ook de vraag in hoeverre bestaande afwijkingen van het systeem van de Kaderwet worden gehandhaafd of gelijkgetrokken worden bezien. Om ervoor zorg te dragen dat de op termijn eventueel door te voeren aanpassing tot zo weinig mogelijk wijziging van het onderhavige wetsvoorstel hoeft te leiden, is op een aantal punten echter nu reeds aangesloten bij de Kaderwet, zoals onder meer bij de regeling van melding door de leden van de organen van het LSOP van hun voornemen tot het aanvaarden van nevenfuncties aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
3. De Raad constateert inzake de samenstelling van de Politieonderwijsraad (POR) een risico voor het bereiken van een betere aansluiting bij het "reguliere" onderwijs. Geadviseerd wordt de samenstelling van de POR nader te bezien. Wij zijn echter van oordeel dat de voorgestelde samenstelling van de POR een dergelijk door de Raad geconstateerd risico geenszins inhoudt. De samenstelling van de POR is weliswaar divers, maar dat is vereist nu er nogal wat actoren bij het politieonderwijs betrokken zijn. In een overzichtelijke sector als dat van het politieonderwijs, te weten met één onderwijsinstelling (het LSOP), is een dusdanig omvangrijke vertegenwoordiging, vergelijkbaar aan die van de landelijke organen conform de Wet educatie en beroepsonderwijs, echter niet noodzakelijk. Tevens zijn wij van mening dat de vergelijking met de volgens de Raad niet-slagvaardige werkwijze van de huidige bestuursraad van het LSOP in casu niet opgaat, omdat de adviserings- en afstemmingstaak van de POR immers wezenlijk verschilt van de taken van een dagelijks bestuur van een organisatie. Om desalniettemin tegemoet te komen aan de zorg van de Raad wordt door ons een onafhankelijk lid aan de POR toegevoegd. Naast de onafhankelijke voorzitter strekt toevoeging van een extra onafhankelijk lid met deskundigheid op het terrein van het beroepsonderwijs ertoe dat niet een van de vertegenwoordigingen de overhand in de POR krijgt. Artikel 19 van het wetsvoorstel is in de bedoelde zin aangepast.
Ambtshalve is tevens van de gelegenheid gebruik gemaakt om een derde hoofdcommissaris aan de leden van de POR toe te voegen. Wij zijn tot het nader inzicht gekomen dat de "afnemers" van het politieonderwijs nog te beperkt vertegenwoordigd waren in de POR. Met deze uitbreiding wordt tevens tegemoet gekomen aan de uitdrukkelijke wens vanuit de Raad van Hoofdcommissarissen, het Korpsbeheerdersberaad en het OM-Politieberaad tot uitbreiding van het aantal leden van de POR met een derde hoofdcommissaris.
4. Terecht merkt de Raad op dat in het onderhavige voorstel een expliciete bevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor aanwijzing van de initiële en de postinitiële opleidingen ontbreekt. Door aanpassing van het voorgestelde artikel 14, eerste lid, is deze door de Raad geconstateerde omissie hersteld, ook daar waar het de bevoegdheid van de Minister van Justitie betreft inzake opleidingen op het terrein van de strafrechtelijke handhaving. De door de Raad tevens geconstateerde omissie inzake de vaststellingsbevoegdheid van competentiegerichte eindtermen wordt door ons niet erkend. In het eerste lid van artikel 14 is deze bevoegdheid van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie geregeld.
5. De door de Raad voorgestelde aanvullingen op het wetsvoorstel zullen in de ministeriële regeling ingevolge het derde lid van artikel 3 worden geregeld.
6. Door het college van bestuur van het LSOP dient ingevolge het derde lid van artikel 5 een bestuursreglement te worden opgesteld. In de toelichting bij dit artikel wordt, zo meent de Raad ten onrechte gesteld dat het bestuursreglement voorschriften kan geven over de taakverdeling tussen het college van bestuur en de raad van toezicht. Met de door de Raad geparafraseerde passage uit de toelichting is bedoeld duidelijk te maken dat een nadere uitwerking in het bestuursreglement kan worden opgenomen van de in de wet voorgeschreven taakverdeling tussen de beide organen van het LSOP. De toelichting bij artikel 5, derde lid, van het wetsvoorstel is in deze zin verduidelijkt.
Voorts heeft de Raad geadviseerd om in het wetsvoorstel een inlichtingenplicht van het college van bestuur ten opzichte van de raad van toezicht van het LSOP op te nemen. Dit voorstel hebben wij overgenomen in een (nieuw toegevoegd) zesde lid bij artikel 5.
7a en b. Artikel 8 is in de door de Raad bedoelde zin aangepast. Er is een nieuw derde lid aan artikel 8 toegevoegd dat regelt dat geen ambtenaren in de raad van toezicht van het LSOP kunnen worden benoemd voor wie de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of de Minister van Justitie het bevoegd gezag is. Tevens is in een nieuw vierde, vijfde en zesde lid bepaald dat de raad van toezicht regels dient vast te stellen omtrent zijn werkwijze, wordt voorzien in een secretariaat onderscheidenlijk wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een vergoeding aan de leden van de raad van toezicht toegekend.
8a. Bij de niveau-aanduiding van de opleidingen, genoemd in het tweede lid van artikel 13, wordt door de raad geadviseerd om de verwijzing naar de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) te schrappen. Wij hebben echter gekozen voor zodanige aanpassing van de formuleringen in het tweede lid van artikel 13 dat een verwijzing naar het naar verwachting op korte termijn door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in te voeren bachelor/mastermodel, is gerechtvaardigd. Daarbij wordt door ons gebruik gemaakt van de reeds in artikel 7:21 van de WHW opgenomen bepaling inzake de bachelor en mastertitulatuur.
8b. De suggestie van de Raad om in het vijfde lid van artikel 13 expliciet tot uitdrukking te brengen dat het college van bestuur is belast met het verlenen van vrijstellingen, is in het voorstel verwerkt. Met de voorgestelde wijziging is de strekking van het wetsvoorstel op dit punt gelijk aan die van de WEB.
8c. Het is ons niet duidelijk geworden waar de Raad zijn standpunt op baseert dat in het vernieuwde politieonderwijs een studieduur van ten minste 6400 uren als uitgangspunt zou gelden. Op basis van het zesde lid van artikel 13 van het wetsvoorstel varieert de studieduur van een initiële opleiding tussen ten minste 2400 en 6720 studiebelastingsuren. Deze systematiek is geheel overeenkomstig de WEB en de WHW. Wij zien in de opmerking van de Raad dan ook geen aanleiding om (de toelichting bij) het wetsvoorstel op dit punt aan te passen.
8d. Door de Raad wordt een afwijking geconstateerd tussen de regeling inzake de onderwijsovereenkomst in artikel 7.2.8. van de WEB en het bepaalde over de onderwijsovereenkomst ingevolge het voorgestelde negende lid van artikel 13.
Wij willen allereerst benadrukken dat de beide onderwijsovereenkomsten waar door de Raad naar wordt verwezen een andere functie hebben. Het nieuwe politieonderwijs is gebaseerd op een duaal stelsel. Het praktische opleidingsdeel is hiermee méér dan een periode van stage lopen binnen een regionaal politiekorps of het Korps landelijke politiediensten. Het gaat om daadwerkelijke uitoefening van de politietaak in het kader van de opleiding. In dit verband wordt in de kringen van het politieonderwijs ook wel gesproken van "werkend leren". Er is naar ons oordeel een duidelijk verschil aan te merken tussen de periode van het praktische opleidingsdeel zoals uitgewerkt in het vernieuwde Politieonderwijs en een (meer beperkte) periode van onderricht in de praktijk conform de WEB. Een identieke regeling conform de WEB wordt door ons derhalve geenszins beoogd.
Voorts willen wij benadrukken dat de toelichting bij artikel 13, negende lid, van het voorstel wel degelijk de hoofdbestanddelen van de onderwijsovereenkomst benoemt.
8e. De suggestie van de Raad om de eindverantwoordelijkheid van de korpsbeheerders inzake de beoordeling van de student tijdens het praktische opleidingsdeel in de toelichting bij het wetsvoorstel te verduidelijken, is door ons overgenomen.
9a. Op voorstel van de Raad is artikel 17 van het wetsvoorstel aangevuld met een regeling inzake examencommissies en examinatoren.
9b tot en met e. Artikel 18 van het wetsvoorstel regelt de instelling, werkwijze en bevoegdheden van een commissie van beroep voor de examens.
Op voorstel van de Raad is het tweede lid aangevuld met de mogelijkheid tot het instellen van beroep tegen de beoordeling van het praktische opleidingsdeel. In het derde lid is een regeling toegevoegd omtrent benoeming en ontslag van de leden van de commissie van beroep voor de examens en het vijfde lid is uitgebreid met het voorschrift aan wie de beslissing van de commissie van beroep bekend wordt gemaakt. Dit betreft de student, de leiding van de desbetreffende instelling van het LSOP alsmede de korpsbeheerder in wiens regio door de student het praktisch opleidingsdeel wordt gevolgd.
Tevens is aan artikel 18 een nieuw zevende en achtste lid inzake een mogelijkheid tot voorlopige voorziening en herziening toegevoegd.
10. Artikel 26, derde lid, bepaalt dat de begroting en de meerjarenraming van het LSOP de instemming van de raad van toezicht behoeven. Een dergelijk instemmingsrecht heeft de raad van toezicht eveneens met betrekking tot de in artikel 7 genoemde onderwerpen. Ten aanzien van de jaarrekening is de bevoegdheid van de raad van toezicht, zoals de Raad terecht constateert, in artikel 29, eerste lid, beperkt tot het kenbaar maken van zijn zienswijze.
Het advies van de Raad tot onderwerpen van de begroting van het LSOP aan de goedkeuring van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt door ons niet overgenomen. Wij hechten er ten aanzien van de beleids- en beheersstukken zeer groot belang aan dat de voor het LSOP geldende voorschriften zoveel mogelijk analoog aan de voor de politieregio's geldende voorschriften komen te luiden.
Het toezichtsregime dat van toepassing is op de politieregio's, is vormgegeven naar analogie van het regime dat geldt voor de gemeenten. Dit regime stoelt op het uitgangspunt dat toezicht door de toezichthouder zo terughoudend mogelijk van aard dient te zijn. Repressief toezicht is derhalve regel, terwijl slechts in uitzonderingsgevallen preventief toezicht op de begroting wordt ingesteld.
11. Ten onrechte werd in de voorgestelde artikelen 27 en 28 onderscheid gemaakt tussen de bevoegdheden van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van de Minister van Justitie ten aanzien van de jaarlijks toe te kennen financiële bijdrage aan het LSOP. Dit onderscheid is komen te vervallen door aanpassing ter zake van artikel 28. Ook de memorie van toelichting bij dit voorstel is in deze zin aangepast.
Tevens is door ons van de gelegenheid gebruik gemaakt om in het derde lid van artikel 27, het oorspronkelijke onderscheid in bevoegdheden tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van de Minister van Justitie teniet te doen. In dat artikel is bepaald dat regels kunnen worden gesteld omtrent de doorberekening van een deel van de opleidingskosten door het LSOP aan de politiekorpsen waarbij de studenten die de initiële opleidingen of de aangewezen postinitiële opleidingen volgen, zijn aangesteld. Deze bevoegdheid tot het stellen van regels is ambtshalve gewijzigd in een gezamenlijke bevoegdheid van de beide ministers.
12a. In artikel 31 is verduidelijkt dat de jaarlijks door de minister(s) vast te stellen werkzaamheden van het college van bestuur van het LSOP slechts die werkzaamheden kunnen betreffen, die in het kader van het toetsen met betrekking tot de wijze waarop het college van bestuur voorziet in de kwaliteit van zijn taakuitvoering, de resultaten en het beheer van het LSOP, door het college van bestuur worden uitgevoerd. Aan de suggestie van de Raad om de vaststellingsbevoegdheid van de minister te laten vervallen wordt niet tegemoet gekomen. Niettemin gaan wij er van uit dat met de aanpassing van artikel 31 afdoende tegemoet is gekomen aan de wens van de Raad tot verduidelijking van het bepaalde in dit artikel.
12b. Op voorstel van de Raad is in de toelichting op de artikelen 32 en 33 opgenomen dat voorzover een deel van de politieopleiding wordt genoten binnen een Regionaal Opleidingen Centrum, daarop tevens toezicht wordt gehouden door de onder het gezag van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vallende Inspectie voor de politie.
13. De betrokkenheid van de Minister van Justitie bij het politieonderwijs is in beginsel beperkt tot de opleidingen van de politie ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de taken ten dienste van de justitie. Het uitgangspunt van concentratie van beheer op rijksniveau bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ligt hieraan ten grondslag.
Met betrekking tot een aantal onderwerpen in het onderhavige wetsvoorstel is een dergelijke strikte scheiding echter niet (eenvoudig) aan te brengen. Bijvoorbeeld bij de bevoegdheid tot het benoemen van de leden van de organen van het LSOP is er derhalve voor gekozen dit een gezamenlijke bevoegdheid van zowel de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als van de Minister van Justitie te laten zijn. Ook het jaarlijks overleg met het college van bestuur van het LSOP, bedoeld in artikel 25 van het wetsvoorstel, is vanwege deze praktische onmogelijkheid tot splitsing van de wederzijdse bevoegdheden, een gezamenlijke bevoegdheid van beide ministers geworden.
14. Tot slot wijst de Raad op het verschil in omvang van de voormalige organen, te weten de bestuursraad en de directie van het LSOP ten opzichte van de in het onderhavige wetsvoorstel vermelde raad van toezicht en college van bestuur van het LSOP. Dit verschil in omvang wordt door ons erkend, maar daarbij wensen wij op te merken dat de leden van de voormalige organen van het LSOP in de praktijk reeds uit hun functie zijn ontheven. Daarvoor in de plaats zijn enkele van de leden reeds benoemd in de nieuwe organen van het LSOP. Het onderhavige wetsvoorstel brengt de bestuursstructuur van het LSOP nu met de reeds bestaande praktijk in overeenstemming. Van het door de Raad gesignaleerde knelpunt zal in de praktijk derhalve geen sprake zijn. Wij zijn van mening dat dit reeds voldoende uit (de toelichting bij) het momenteel voorgestelde artikel 37 van het wetsvoorstel blijkt, zodat de suggestie van de Raad tot herziening van dit artikel door ons niet wordt opgevolgd.
15. De redactionele kanttekeningen van de Raad hebben ons aanleiding gegeven tot de volgende opmerkingen:
- De begrippen initieel en postinitieel zijn in het reguliere hoger onderwijs (ingevolge de WHW) gangbare begrippen en zijn inmiddels ook in het politieonderwijs ingeburgerde begrippen. In de tekst van de onderhavige wet wordt nu derhalve bij deze reeds gangbare praktijk aangesloten. De term "competentiegericht" is weliswaar niet bekend in de WEB of de WHW, maar is in de kringen van het reguliere onderwijs en het politieonderwijs een breed gedragen begrip. Wij hebben deze termen dan ook niet vervangen respectievelijk geschrapt.
- Heroverweging van de formuleringen van de door de Raad aangehaalde artikelen hebben niet tot een herziening van deze artikelen geleid. Naar ons oordeel is een meer beknopte formulering niet mogelijk zonder tevens aan de inhoud van de bepalingen afbreuk te doen.
- Wij hebben in de door de Raad aangegeven bepalingen de term "instemming", die thans ook in de Politiewet 1993 wordt gehanteerd, niet vervangen door de term "goedkeuring". Wij mogen in dit verband ook verwijzen naar de artikelen 2 en 4 van hoofdstuk 3 van de Aanpassingswet derde tranche AWB II (Stb.1997, 580).
- Het voorstel voor herformulering van de artikelen 12 en 18, tweede lid, wordt door ons niet overgenomen. De huidige bepalingen zijn conform de tekst van de WEB. Wij geven er de voorkeur aan om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande regelgeving voor het reguliere beroepsonderwijs.
- In het zevende lid van artikel 13 wordt door ons de formulering conform de begripsbepaling in artikel 1, onderdeel g, gehandhaafd.
- In het derde lid van artikel 26 is verduidelijkt dat de instemmingsbevoegdheid van de raad van toezicht slechts betrekking heeft op de door het college van bestuur vastgestelde stukken. Hiermee wordt de eventuele misvatting voorkomen dat ook het in artikel 24 bedoelde, door de ministers vastgestelde beleidsplan, de instemming van de raad van toezicht van het LSOP behoeft.
- Wij zijn van mening dat nummering van de onderdelen van de memorie van toelichting niet is vereist. Verwijzing is reeds op afdoende wijze mogelijk door de in de tekst veelvuldig gehanteerde aanduidingen van de besproken onderdelen, onderverdeeld in hoofdstukken en paragrafen.
- Met uitzondering van het bovenstaande zijn de redactionele kanttekeningen van de Raad door ons in het voorstel van wet verwerkt.
Wij mogen U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
(1) Vergelijk bijvoorbeeld artikel 14 van de TNO-wet en artikel 5, negende lid, van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank.
(2) Vergelijk artikel 7.4.3 WEB.
(3) Artikel 7.4.5, eerste lid, WEB.
(4) Eerste volzin van artikel 31.
(5) Derde volzin van artikel 31.
(6) Tweede volzin van artikel 31.
(7) Bijvoorbeeld de artikelen 14, eerste en vierde lid, en 20, derde lid.
(8) Bijvoorbeeld de artikelen 48, derde lid, en 48a, tweede lid.