Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W06.01.0351/IV

Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 I-Arbeidsmarkt en inkomensbeleid).

Kenmerk
W06.01.0351/IV
Datum advies
22 augustus 2001
Vindplaats
Kamerstukken II 2001/02, 28 013, nr A
  • Financiën
  • Wet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 I-Arbeidsmarkt en inkomensbeleid).

Bij Kabinetsmissive van 20 juli 2001, no.01.003561, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, mede namens de Minister van Financiën, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2002 I-Arbeidsmarkt en inkomensbeleid).

Het belastingplan voor het jaar 2002 is verdeeld over een viertal wetsvoorstellen. In het Belastingplan 2002 I-Arbeidsmarkt en inkomensbeleid zijn de maatregelen voor de van de arbeidsparticipatie van ouderen, toe- en herintreders, voor het verkleinen van de armoedeval, voor de begeleiding van flexibele beloningsregelingen en op het terrein van de buitengewone uitgaven van gehandicapten en chronisch zieken opgenomen.
In belangrijke mate worden met deze maatregelen niet-fiscale doeleinden nagestreefd. De Raad van State wijst ook bij dit belastingplan op de spanningen die het opnemen van belastinguitgaven in de heffingswetten oproept, mede met het oog op de in het Europese kader ontwikkelde globale richtsnoeren voor het economische beleid.
De Raad heeft bedenkingen bij de wijze waarop de koopkrachttoeslagen, die in de huursubsidiebedragen waren verwerkt, in het tarief en de algemene heffingskorting van de inkomstenbelastingheffing worden gecompenseerd.
Ditzelfde geldt voor de invoering van een pseudoheffingskorting voor de gevallen waarin meerdere jaren achtereen sprake is van aftrek van buitengewone uitgaven.
Daarnaast plaatst de Raad kanttekeningen bij de wijze waarop enkele andere maatregelen technisch vorm hebben gekregen.

1. Thematische opzet
Het Belastingplan 2002 wordt in vier wetsvoorstellen aangeboden, die zijn opgezet rond een viertal thema's. Het thematisch onderbrengen van de voorstellen in afzonderlijke wetsvoorstellen biedt voor de in drie van de vier voorstellen gebundelde maatregelen een duidelijk inzicht in de beleidsmatige samenhang van die maatregelen. Als zodanig verdient deze thematische opzet waardering.
In het Belastingplan 2002 I, zoals het aan de Raad is aangeboden, waren naast voorstellen tot wijziging van belastingwetten ook verschillende voorstellen tot wijziging van sociale verzekeringswetten opgenomen. Het bijeenbrengen van maatregelen van uiteenlopende aard in een belastingplan legt druk op de besluitvorming. Bij de behandeling van het belastingplan 1993 in de Eerste Kamer der Staten-Generaal is het kader geschetst van de onderwerpen die in een belastingsplan thuishoren. Alleen maatregelen die direct betrekking hebben op het budgettaire en koopkrachtbeeld van het komende jaar zouden in een belastingplan mogen worden opgenomen. Het kabinet heeft zich achter deze opzet gesteld.
Bij toetsing van het Belastingplan 2002 I aan dit kader kwam de Raad tot de slotsom dat in ieder geval de maatregelen die betrekking hebben op de wijziging van de Wet (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) als uitvloeisel van de evaluatie van die wetgeving, geen betrekking hebben op de belastingheffing en dat zij ook zozeer een zelfstandig karakter dragen dat opsplitsing geboden zou zijn. Op de voet van artikel 22 van de Wet op de Raad van State heeft op 13 augustus 2001 met de Staatssecretaris van Financiën hierover een beraadslaging plaatsgevonden. De staatssecretaris heeft in het beraad gesteld te willen bevorderen dat dit onderdeel van het Belastingplan 2002 I afzonderlijk als voorstel van wet aanhangig zal worden gemaakt. Op grond hiervan adviseert de Raad in dit advies niet over dit onderdeel.

2. Tijdelijke referendumwet
Op grond van de Tijdelijke referendumwet kan ook over het Belastingplan 2002 I een referendum worden gehouden. Aan dit aspect is in de toelichting geen aandacht gegeven. Gelet op de in de artikelen 11 en 12 van de Tijdelijke referendumwet genoemde termijnen is het onaannemelijk dat als tijdstip van inwerkingtreding van het Belastingplan 2002 I 1 januari 2002 gehaald wordt indien de Tijdelijke referendumwet vóór 1 oktober 2001 in het Staatsblad wordt geplaatst. Op grond van artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet kan, indien de inwerkingtreding van een wet geen uitstel kan lijden, onder verwijzing naar dat artikel in de desbetreffende wet de inwerkingtreding in afwijking van de artikelen 12 en 13 van de Tijdelijke referendumwet worden geregeld. Naar het oordeel van de Raad is er op grond van de samenhang met de begrotingswetten 2002 reden het Belastingplan 2002 I op 1 januari 2002 in werking te laten treden.
De Raad adviseert het Belastingplan 2002 I aan te vullen met een regeling als bedoeld in artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet.

Belastinguitgaven

3. Met de belastingheffing worden ook niet-fiscale doeleinden nagestreefd. Voor het realiseren van deze doelstellingen worden regelingen in een belastingwet opgenomen die veelal niet passen in de primaire heffingsstructuur van die belastingwet, de zogenoemde belastinguitgaven of fiscale subsidies.
In dit kader wijst de Raad op het specifiek op Nederland betrekking hebbende onderdeel van de globale richtsnoeren voor het economische beleid, welke zijn vastgesteld in de ECOFIN van 15 juni 2001 (PbEG L 179), waarin zorgen worden geuit over de overheidsuitgaven en de inflatie. Nederland zou strikte controle moeten houden op de overheidsuitgaven, ook vanwege de te verwachten lagere economische groei, om de reductie van het begrotingsoverschot te beperken en om de inflatie in de hand te houden. De begroting voor 2002 moet volgens de Raad van de Europese Unie sterk zijn gericht op het intomen van de inflatie. Verder dient - om op lange termijn de openbare financiën gezond te houden in het licht van de vergrijzing - een versnelling van de vermindering van de staatsschuld prioriteit te hebben vanaf 2002.
Niet alleen het uitgavenbeleid maar ook het fiscale beleid speelt een belangrijke rol bij het nakomen van de afspraken in het kader van de globale richtsnoeren. Bij de introductie van belastinguitgaven wordt immers de strikte scheiding tussen inkomsten en uitgaven doorbroken, waarbij komt dat deze belastinguitgaven niet goed beheersbaar zijn vanwege hun open-eindekarakter. Naar het oordeel van de Raad dient dan ook te worden bezien in hoeverre de thans voorliggende fiscale maatregelen dienstbaar zijn aan de tenuitvoerlegging van deze afspraken.
In het voor 2002 voorliggende pakket wordt voorzien in verschillende belastinguitgaven. Het gaat daarbij ten dele om nieuwe maatregelen en ten dele om intensiveringen van bestaande maatregelen. Het totale effect van de verschillende belastingmaatregelen - zowel belastinguitgaven als andere maatregelen - bedraagt blijkens de toelichting per saldo € 1.336 miljoen (2.945 miljoen gulden). Een groot deel van dit budgettaire effect wordt veroorzaakt door de verschillende belastinguitgaven, alsmede de omzetting van directe subsidies in belasting- en premieuitgaven.
De Raad adviseert in de toelichting nader in te gaan op de in het belastingplan 2002 opgenomen belastinguitgaven in het licht van de voor Nederland uit de globale richtsnoeren voor het economisch beleid geldende verplichtingen, in het bijzonder de prioriteit voor vermindering van de staatsschuld.

4. De Raad heeft meermalen bij de advisering over de belastinguitgaven opgemerkt, dat hij het instrument als zodanig niet zonder meer afwijst, maar dat hij niet kan voorbijgaan aan de spanningen die het opnemen van die belastinguitgaven in een heffingswet, waarvan de budgettaire functie op de eerste plaats staat, oproept.
Inmiddels is een toetsingskader voor fiscale instrumenten in ontwikkeling. In de Miljoenennota 2001 (bijlage 4, paragraaf 4.8) is een aanzet daarvoor gegeven. De Raad heeft de toelichting op de verschillende regelingen die in het Belastingplan 2002 I zijn opgenomen, getoetst aan dit kader. Hij constateert dat deze toelichting veelal ten aanzien van de in het toetsingskader omschreven "toelichting en uitwerking instrumentele doeleinden" en "motivering instrumentkeuze" tekortschiet. De volgende voorbeelden kunnen worden genoemd.
Ook al zou kunnen worden volstaan met een kwalitatieve inschatting van de meer specifieke instrumentele doelstelling, dan nog is de enkele motivering dat de toetrederskorting aan mensen die niet werken een extra financiële stimulans geeft om de stap te zetten om (weer) te gaan werken, ontoereikend zonder enige indicatie van het aantal mensen dat juist door die toetrederskorting van € 2.723 "over de streep wordt getrokken" en dat zonder die stimulans buiten het arbeidsproces blijft.
Ook wijst de Raad op het ontbreken van enige toelichting op de "omzetting" van de uitstroompremies op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden en het Besluit in- en doorstroombanen in de toetrederskorting. In zo’n geval dient in ieder geval te worden aangegeven of en in hoeverre het "oude" instrument de gestelde doelen heeft gehaald, welke redenen er voor de wijziging ervan bestaan, en waarop de verwachting berust dat het nieuwe instrument de beoogde doelen beter bereikt dan het oude. Dit geldt in het bijzonder omdat de uitstroompremies reeds gedefiscaliseerd zijn.
Evenzo roept de motivering voor de afdrachtvermindering voor werkgevers van toetreders vragen op. Voor het bieden van een tegemoetkoming aan werkgevers is alleen plaats indien tegenover die tegemoetkoming werkelijk te maken kosten staan of inspanningen moeten worden geleverd die anders voor productieve arbeid aangewend zouden worden. Het enkele vermoeden van die mogelijk extra te leveren inspanningen en te maken kosten is ontoereikend. Bovendien moet de hoogte van de tegemoetkoming gerelateerd zijn aan die inspanningen en kosten.
De Raad adviseert de toelichting ten aanzien van de belastinguitgaven aan te vullen overeenkomstig het in de Miljoenennota 2001 geschetste toetsingskader.

5. Lastenverlichtingen en premieverhoging
Een aantal arbeidsmarktmaatregelen leidt tot lastenverlichting voor werkgevers. Deze lastenverlichting zal worden geneutraliseerd door een verhoging van de WAO-premie voor werkgevers, omdat het kabinet met betrekking tot de lastenverlichting voor werkgevers de prioriteit legt bij een verlaging van de vennootschapsbelasting. De Raad vindt dit oneigenlijke, waarbij komt dat de lastenverlichting uit hoofde van de arbeidsmarktmaatregelen, de verhoging van de WAO-premie en de vennootschapsbelastingverlaging niet steeds in dezelfde mate dezelfde werkgevers en rechtspersonen betreffen.
De Raad adviseert in de toelichting op deze aspecten in te gaan.

6. Armoedeval
Bij de invoering van de Huursubsidiewet heeft de regering besloten ter reparatie van de koopkracht een aantal maatregelen te treffen waarbij de huursubsidie als voertuig dient. Hiertoe behoren als een structurele regeling de koopkrachttoeslagen van f.4,-- voor alleenstaanden en f.8,-- voor meerpersoons(ouderen)huishoudens, die deel uitmaken van de maandelijkse subsidiebedragen. Evenzo is toen gekozen voor handhaving en verruiming van de zogenoemde kindertoeslagen. De koopkrachtontwikkeling werd in 1996 beïnvloed door het uitstel van de privatisering van de Ziektewet, de hogere dan verwachte gemiddelde stijging van de gemeentelasten en de hogere nominale ziekenfondswetpremie dan de door de regering geraamde. De verruiming van de kindertoeslagen is ingegeven door de in het algemeen minder draagkrachtige positie van gezinnen met kinderen. Door de regering zijn indertijd alle mogelijke alternatieven serieus onderzocht; compensatie via de huursubsidie is alles afwegende de beste oplossing gebleken (Kamerstukken II 1996/97, 25 090, nr.3, blz.20).
Hoewel het bereik van deze maatregelen niet allen betrof voor wie de koopkrachtreparatie toentertijd beoogd was, zijn die maatregelen aanvaard. Met de in het voorstel opgenomen afschaffing van de koopkrachttoeslagen en de kinderkortingen in de Huursubsidiewet en de compenserende verhogingen van de algemene heffingskorting en de aanvullende kinderkorting in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) wordt bereikt, dat het bereik van de "koopkrachtreparatie 1996" alsnog voor de gehele doelgroep gaat gelden.
Naar het oordeel van de Raad wordt hiermee weer het juiste pad bereikt. De inkomstenbelastingheffing als belangrijkste draagkrachtheffing dient het primaat te houden voor algemene koopkrachtmaatregelen. Dit laat onverlet dat de Raad beducht is voor het tot het uiterste verfijnen van het tarief en de heffingskortingen in verband met koopkrachtmaatregelen. Indien het onvermijdelijk is dat in dit geval een koopkrachtverschil van € 23 per jaar in aanmerking moet worden genomen, roept de wijze waarop de koopkrachttoeslagen worden gecompenseerd, vragen op. De meest rechtstreekse compensatie zou geboden kunnen worden door in de algemene heffingskorting twee trajecten te onderscheiden, waarbij het eerste traject € 23 hoger is dan het tweede traject; het eerste traject zou dan gelden voor inkomens tot circa € 22.700 (inkomensgrens huursubsidie). Deze wijze van compensatie is gekozen voor de compensatie van de kinderkortingen. De in het voorstel gekozen methode leidt tot belastingdrukverschuivingen, waarbij in het inkomenstraject tussen € 22.700 en € 27.847 (einde tweede schijf) geen compensatie plaatsvindt, in het inkomenstraject tussen € 27.847 en € 37.047 de compensatie oploopt tot € 23, in het inkomenstraject tussen € 37.047 en € 47.745 (einde derde schijf) overcompensatie plaatsvindt die oploopt tot € 49 en vanaf een inkomen van € 47.745 structureel € 49 is. Deze belastingdrukverschuivingen dienen te worden gemotiveerd. Tevens dient daarbij de verlaging van de ouderenkorting van € 10 te worden betrokken.
De Raad adviseert de wijze van compensatie van de afschaffing van de koopkrachttoeslagen te heroverwegen.

7. Chronisch zieken
De buitengewone uitgaven zijn, zoals reeds tijdens de parlementaire behandeling van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is gesteld, uitgaven waaraan een prioriteit boven belastingheffing moet worden toegekend. Daarom dient de aftrek zich strikt te beperken tot uitgaven die én naar hun aard én naar hun totale omvang algemeen worden aangevoeld als dermate zware lasten, dat zij de belastingplichtige wat zijn financiële draagkracht betreft in een uitzonderingspositie plaatsen ten opzichte van andere contribuabelen. Ziektekosten worden uit dien hoofde eerst als buitengewone uitgaven aangemerkt indien zij een bepaalde drempel te boven gaan. Bij de bepaling van de hoogte van de ziektekosten wordt voor arbeidsongeschikten, chronisch zieken en ouderen boven de werkelijk gedane uitgaven voor ziekte mede voor de zogenoemde verborgen kosten een extra forfaitair bepaald bedrag van f.1.560,-- als ziektekosten in aanmerking genomen.
Het op 18 juni 2001 gepubliceerde rapport van de interdepartementale werkgroep Inkomenspositie van Gehandicapten en Chronisch Zieken (IGCZ) geeft een helder overzicht van de veelomvattende en complexe regelgeving ten aanzien van de gehandicapten en chronisch zieken. De werkgroep komt ten aanzien van de fiscale vangnetfunctie tot de conclusie dat de wijze waarop in de fiscaliteit via de regeling van de buitengewone uitgaven rekening wordt gehouden met draagkrachtverminderende factoren gecontinueerd dient te worden. De werkgroep neemt daarbij afstand van de voorstellen van de Chronisch Zieken en Gehandicapten Raad (CG-raad) die voor lagere inkomens een volledige compensatie van bepaalde uitgaven via de fiscaliteit wenst.
De Raad is van oordeel, dat aan het uitgangspunt dat ziektekosten eerst als buitengewone uitgaven in aanmerking worden genomen na overschrijding van een drempelbedrag, thans niet getornd dient te worden. Het rapport van de werkgroep geeft ook geen aanleiding om de afstand van de zogenoemde standaardziektekosten tot de inkomensafhankelijke drempel te corrigeren. Het voorstel van de werkgroep vermenigvuldigingsfactoren voor buitengewone uitgaven voor inkomens tot circa f.60.000,-- in te voeren, is enkel ingegeven om het effect van een heffingskorting voor de gevallen dat meerdere jaren achtereen sprake is van aftrek van buitengewone uitgaven te bereiken.
Naar het oordeel van de Raad dient dit voorstel niet te worden gevolgd. De invoering van een pseudoheffingskorting doorbreekt het stelsel van de Wet IB 2001. Ziektekosten worden voorzover zij "bijzonder" zijn, volledig gelaten buiten het inkomen dat bepalend is voor de inkomstenbelastingheffing. Er is geen reden deze kosten te premiëren door een extra aftrekpost, nog los van het feit dat de hoogte van de premiëring willekeurig is door het in aanmerking nemen van de toevallige omvang van de meerkosten boven de drempel. Daarbij komt dat deze premiëring ook ten goede zou komen aan de groep belastingplichtigen voor wie de standaardaftrekposten hoger zijn dan de drempel. Deze belastingplichtigen komen voor de aftrek voor chronisch zieken in aanmerking terwijl zij niet chronisch ziek zijn. Uit het rapport van de werkgroep is af te leiden dat deze groep substantieel is.
De Raad adviseert eerst de discussie over de omzetting van aftrekposten in een heffingskorting in volle omvang te voeren en niet op een deelterrein een pseudoheffingskorting in te voeren.

8. Niet-medische hulpmiddelen
In artikel 6.17, tweede lid, Wet IB 2001 worden de niet-medische hulpmiddelen omschreven die bij de buitengewone uitgavenregeling in aanmerking worden genomen. Daarbij is bepaald dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld met betrekking tot in aanmerking te nemen uitgaven voor hulpmiddelen. Onduidelijk is of deze regels betrekking hebben op de hoogte van de uitgaven, die bij die regels gelimiteerd zouden kunnen worden, dan wel op de hulpmiddelen zelf, die bij die regels nader omschreven zouden kunnen worden. Indien beoogd wordt de bedragen afzonderlijk te limiteren, dient dit naar het oordeel van de Raad in de Wet IB 2001 zelf te worden opgenomen. Indien beoogd wordt een nadere omschrijving van de hulpmiddelen te kunnen geven, dient dit in een algemene maatregel van bestuur te worden geregeld.
De Raad adviseert op dit punt duidelijkheid te verschaffen en de regeling dienovereenkomstig aan te passen.

Toetrederskorting

9. De regels voor het genieten van de toetrederskorting (artikel 8.21 Wet IB 2001) zijn toegesneden op de binnenlandse situatie. In de toelichting wordt nagenoeg geen aandacht gegeven aan de toepassing ten aanzien van immigranten, in het bijzonder niet ten aanzien van kinderen van immigranten die voor het eerst aan het arbeidsproces gaan deelnemen en voor wie geen regelingen als kinderbijslag of studiefinanciering gelden.
De Raad adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.

10. In artikel 8.21, tweede lid, Wet IB 2001 zijn de uitkeringen opgenomen waarvan het genieten moet zijn opgehouden voor het toekennen van de toetrederskorting. Tot deze uitkeringen behoren niet de uitkeringen op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars. Dit behoeft toelichting.
De Raad adviseert deze toelichting alsnog te geven.

11. Ouderenpremie
Artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel u, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) maakt het mogelijk aan ouderen een onbelaste premie toe te kennen. In de toelichting is daarbij gesteld dat de werkgever dit per werknemer één keer per jaar kan doen. De tekst van de bepaling kent deze beperking niet; evenmin is bepaald dat de premie naar tijdsgelang of naar rato van het dienstverband kan worden verleend. In geval van (meerdere) deeltijdbetrekkingen of opeenvolgende dienstbetrekkingen kan aldus meermalen de premie worden genoten.
De Raad adviseert op deze aspecten uitdrukkelijk in de toelichting in te gaan, en de wettekst met de toelichting in overeenstemming te brengen.

12. Flexibele beloningsregeling
Het voorstel om een nieuwe fiscale faciliteit met betrekking tot flexibele beloningsregelingen in te voeren (in de artikelen 31 en 32 Wet LB 1964) wordt in de toelichting gemotiveerd als ondersteuning van een moderner beloningsbeleid en het streven naar een verantwoorde loonontwikkeling. Naar het oordeel van de Raad is deze motivering te licht om deze faciliteit te rechtvaardigen. Niet valt in te zien waarom de winstafhankelijke beloning onderworpen zou mogen worden aan een eindheffing van 15% terwijl een winstonafhankelijke beloning belast wordt naar het progressieve tabeltarief.
Deze faciliteit is niet bereikbaar voor de non-profitsector, waar geen winstafhankelijke beloningsvormen bestaan. Het voorstel is dan ook discriminatoir ten opzichte van de non-profitsector, aangezien anders dan de huidige winstdelingsregeling, die een alternatief vormt voor de spaarloonregeling, de nieuwe faciliteit "bovenop" de spaarloonregeling komt.
De Raad adviseert het voorstel te heroverwegen.

13. De faciliteit voor een flexibele beloningsregeling geldt alleen voor in Nederland behaalde winst of resultatenverbetering (artikel 32, tweede lid, Wet LB 1964). De beperking tot Nederlandse winst is niet nader toegelicht; evenmin is daarbij aangegeven hoe deze beperking zich verhoudt tot Europese regelgeving.
De Raad adviseert deze beperking, die niet zonder meer voortvloeit uit de doelstelling om flexibele beloningsregelingen te bevorderen, nader toe te lichten.

14. Tevens merkt de Raad op, dat blijkens de toelichting in het reglement moet worden opgenomen op welk winstbegrip de regeling is gebaseerd. Indien gekozen wordt voor de winst volgens de geconsolideerde jaarrekening zal het voor vennootschappen die tevens in het buitenland opereren bewerkelijk zijn deze winst tot de Nederlandse winst te herleiden.
De Raad adviseert in de toelichting op dit aspect nader in te gaan.

15. Afdrachtvermindering toetreders
De werkgever heeft recht op de afdrachtvermindering toetreders indien hij beschikt over een door de werknemer opgestelde verklaring volgens een bepaald model, waaruit onder meer blijkt dat deze recht heeft op toetrederskorting. De Raad merkt op, dat het gebruik van de term "blijkt" nadere toelichting behoeft, aangezien bij een dergelijke verklaring niet de zekerheid van onomstotelijk vaststaan kan worden gegeven. Daarbij komt dat de toetrederskorting in een aantal gevallen afhankelijk is van de grootte van de winst uit onderneming of het resultaat uit werkzaamheden, waarvan eerst na de aanslagregeling over het desbetreffende jaar zal vaststaan of en in hoeverre die winst of dat resultaat ook door de belastingdienst wordt aanvaard.
De Raad adviseert aan te geven welke gevolgen verbonden worden aan onjuiste of nadien onjuist gebleken werknemersverklaringen.

16. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Raad van State van 22 augustus 2001, no.W06.01.0351/IV, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

- In de tabel van artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 20a van de Wet op de loonbelasting 1964 de verhoging van de derde schijf met 0,25% verwerken in de kolommen en IV.
- De wijziging van artikel 11, onderdeel u, en achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 afstemmen op de wijziging in hetzelfde artikel in het Belastingplan 2002 III-Natuur, milieu en vervoer.



Nader rapport (reactie op het advies) van 12 september 2001


Ieder jaar wordt opnieuw de afweging gemaakt over de opzet van het jaarlijkse belastingplan. Omdat ieder jaar andere maatregelen worden getroffen, heeft de opzet de afgelopen jaren gevarieerd. Bij deze afweging spelen verschillende aspecten een rol. Een constante in deze afweging is dat de maatregelen van het jaarlijkse belastingplan budgettair en beleidsmatig samen hangen. Het doet ons genoegen dat de Raad waardering uitspreekt voor de keuze om voor het jaar 2002 de maatregelen van het Belastingplan thematisch onder te brengen in een aantal afzonderlijke wetsvoorstellen. Mede in dit verband is op grond van artikel 22 van de Wet op de Raad van State overlegd tussen de Raad en de eerste ondergetekende. In deze beraadslaging is geconcludeerd dat deel I van het Belastingplan 2002 wordt gesplitst in de zin dat de sociale zekerheidswetgeving die samenhangt met de evaluatie van de Wet (re)integratie arbeidsgehandicapten wordt ondergebracht in een apart wetsvoorstel, namelijk Belastingplan 2002 V- sociale zekerheidswetgeving.
Wel willen we nog opmerken dat het naar onze mening niet zo is, zoals de Raad stelt, dat het kabinet zich achter de opvatting heeft gesteld dat allen maatregelen die betrekking hebben op het budgettaire en koopkrachtbeeld van het komende jaar in het belastingplan worden opgenomen. Wel is bij de behandeling in de Eerste Kamer van het Belastingplan 1993 de zogenoemde "motie Boorsma" (kamerstukken I, vergaderjaar 1992-1993, 873, nr. 110d) aangenomen waarin de regering wordt uitgenodigd om voor enig jaar fiscale wetsvoorstellen van verschillende aard, belang en/of urgentie in de toekomst niet meer in één wetsvoorstel samen te voegen. In zijn reactie heeft de toenmalige staatssecretaris van Financiën aangegeven dat deze motie bij de voorbereiding van het Belastingplan 1994 in de afweging zou worden betrokken. Zoals hiervoor is aan gegeven wordt deze afweging ieder jaar opnieuw gemaakt. In het begrotingshoofdstuk IXB voor het jaar 1994 is dan ook aangegeven dat hiermee deze motie is afgedaan.

2. Tijdelijke referendumwet
De Raad merkt op dat geen aandacht is gegeven aan de mogelijkheid dat op grond van de Tijdelijke referendumwet over het Belastingplan 2002 deel I een referendum wordt gehouden. Indien de Tijdelijke referendumwet voor 1 oktober 2001 in het Staatsblad wordt geplaatst acht de Raad het, gelet op de gehanteerde termijnen in de Tijdelijke referendumwet, onaannemelijk dat als tijdstip van inwerkingtreding van het Belastingplan 2002 deel I 1 januari 2002 gehaald wordt. De Raad adviseert daarom een regeling op te nemen als bedoeld in artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet, welke voor de wetten waarvan de inwerkingtreding geen uitstel kan lijden, voorziet in een inwerkingtreding in afwijking van de in die wet voorgeschreven termijnen.
In de brief die de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 13 juli 2001, na aanvraag van de Tijdelijke referendumwet door de Eerste Kamer, aan de Voorzitter van de Tweede en de Eerste Kamer der Staten Generaal heeft gezonden (TK vergaderjaar 2000-2001, 27 034, nr. 36 en EK vergaderjaar 2000-2001, 27034, nr. 216g) is aangegeven dat met het oog op een goede uitvoering van de wet bevorderd zou worden dat de wet op 1 januari in werking treedt. Inmiddels is de Tijdelijke referendumwet in het Staatsblad geplaatst en wel op 4 september 2001 (Stb.288). Artikel 171 van de Tijdelijke referendumwet bepaalt dat de inwerkingtreding geschiedt met ingang van de eerste dag van de vierde kalendermaand na de dag van uitgifte van het Staatsblad waarin de wet wordt geplaatst. Dat betekend dat nu ook vaststaat dat de datum van inwerkingtreding 1 januari 2002 is. Bij een inwerkingtreding op 1 januari 2002 is de Tijdelijke referendumwet niet van toepassing op het Belastingplan 2002 deel I. Artikel 196 van de Tijdelijke referendumwet bepaald immers: "Deze wet is niet van toepassing op wetten die zij bekrachtigd (…) voor de inwerkingtreding van deze wet". Omdat bekrachtiging van het Belastingplan 2002 deel I voorzien is vóór 1 januari 2002 is in de wettekst en de toelichting geen aandacht aan besteed aan de niet van toepassing zijnde Tijdelijke referendumwet.
Overigens delen wij de mening van de Raad dat de diversen wetten die onderdeel uitmaken van het Belastingplan 2002 in aanmerking zouden komen voor een regeling als bedoeld in artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet, indien deze wel van toepassing zou zijn geweest op het Belasting 2002. De inwerkingtreding van een Belastingplan kan immers geen uitstel lijden. In de komende Belastingplannen zal dan ook, conform het advies van de Raad, een regeling als bedoeld in artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet worden opgenomen.

3. Belastinguitgaven
De in het belastingplan 2002 opgenomen belastinguitgaven maken deel uit van de voor 2002 beschikbare ruimte voor lastenverlichting. De omvang van deze ruimte wordt mede bepaald door de afspraak dat meevallers deels kunnen worden aangewend voor lastenverlichting en deels voor schuldreductie. Aldus bezien passen de maatregelen van het belastingplan 2002 ruim binnen de kaders van het huidige trendmatige begrotingsbeleid, dat - zoals aangegeven tijdens het Algemeen Overleg van 19 juni 2001(kamerstukken II, 2000/2001, 21 501-07, nr. 326)- tot nu toe in overeenstemming geacht kan worden met de globale richtsnoeren voor het economische beleid. Daarbij moet voorts worden bedacht dat de in het belastingplan 2002 opgenomen lastenverlichtende maatregelen voor een groot deel zijn toegespitst op verbetering van de werking van de arbeidsmarkt en de economische structuur. Voor een algemene toelichting op het budgettaire en financieel-economische beleid verwijzen wij naar de relevante hoofdstukken en bijlage van de Miljoenennota 2002.

4.Bij de raming van de budgettaire effecten van de voorgestelde toetrederskorting is er vanuit gegaan dat jaarlijks 60.000 personen in aanmerking komen voor de toetrederskorting. Om verschillende redenen mag worden aangenomen dat de toetrederskorting effectiever is dan de huidige uitstroompremies op grond van de Wet inschakeling werkzoekende en het Besluit in- en doorstroombanen. In de eerste plaats is de financiële prikkel van de toetrederkorting hoger, namelijk f 6000 in plaats van
f 4000. In de tweede plaats is de doelgroep van de toetrederskorting groter, aangezien deze mede bestaat uit herintreders die thans geen uitkering genieten. Hierbij gaat het om personen die enige tijd uit het arbeidsproces zijn weggeweest(bijvoorbeeld vanwege verzorging van kinderen) en vervolgens weer toetreden op de arbeidsmarkt. Juist voor die onderdelen van de collectieve sector waar vergroting van het arbeidsaanbod dringend gewenst is, zoals met name de zorgsector en de onderwijssector, is het van belang om voormalige werknemers uit deze sectoren te stimuleren weer in hun voormalige beroepen aan de slag te gaan. Wij zijn tegemoet gekomen aan het verzoek van de Raad om de toelichting op dit punt aan te vullen.
Wij kunnen de Raad niet volgen in de stelling dat voor een tegemoetkoming voor werkgevers van toetreders allen plaats is indien tegenover die tegemoetkoming werkelijk te maken kosten staan of inspanningen moeten worden geleverd die anders voor productieve arbeid aangewend zouden worden en dat het enkele vermoeden van die mogelijk extra te leveren inspanningen te maken kosten ontoereikend is. Onderscheid moet immers worden gemaakt tussen afdrachtverminderingen waarbij een directe relatie bestaat tussen te maken kosten en de te vertrekken tegemoetkoming (zoals bijvoorbeeld de afdrachtvermindering kinderopvang en de afdrachtvermindering scholing) en afdrachtvermindering waarbij deze directie relatie ontbreekt(zoals bijvoorbeeld de afdrachtvermindering lage lonen en de afdrachtvermindering langdurige werkloze). Bij deze tweede categorie staat het werkgever vrij om extra kosten te maken om bijvoorbeeld de arbeidsproductiviteit van in dienst te nemen werknemers te vergroten(opleidingskosten, maar het vormt op zich geen voorwaarden voor het verkrijgen van de tegemoetkoming. Evengoed kan de werkgever ervoor kiezen de lagere arbeidsproductiviteit voor lief te nemen in ruil voor de tegemoetkoming. Uitgangspunt is dat de stimulans er primair toe dient dat werknemers uit de beoogde doelgroepen in dienst worden genomen. Tegen deze achtergrond moet tevens de afdrachtvermindering voor toetreders worden bezien.

5. Lastenverlichtingen en premieverhogingen
De Raad van State is kritisch ten aanzien van de verhoging van de WAO-premie. Allereerst kan opgemerkt worden dat mede naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad van State een aantal wijzigingen is doorgevoerd ten opzichte van het door de Raad van State becommentarieerde Belastingplan 2002. Concreet heeft dit geleid tot een neerwaartse aanpassing van de premies AWF en WAO ten opzichte van het eerder aan de Raad voorgelegde Belastingplan 2002. Kern van de aanpassingen is dat fiscale lastenverlichting niet langer (deels) wordt gecompenseerd via premieverhogingen. Aanpassingen in de premiestructuur ter bevordering van de arbeidsmarktpositie van ouderen en arbeidsgehandicapten worden lastenneutraal doorgevoerd. Dit betekend dat compensatie plaatsvindt via een verhoging van de desbetreffende premiepercentages.
De lastenverlichting voor werkgevers vindt plaats via fiscale maatregelen in het arbeidsmarkt- en armoedevalpakket(extra afdrachtvermindering scholing en toetreders en een verlaging van de AFW- werkgeverspremie met 0,05%-punt), alsmede via een VpB-verlaging van 0,5%-punt. Deze lastenverlichting staat dus los van de aanpassing van de premiestructuur in de WAO en de AWF. Deze aanpassingen komen tegemoet aan het advies van de Raad van State, omdat de lastenverlichting die niet uit de fondsen komt, ook niet door een stijging van de premie wordt gecompenseerd.

6. Armoedeval
Ter compensatie van het afschaffen van de koopkrachttoeslagen in de huursubsidie wordt de algemene heffingskorting verhoogd. De algemene heffingskorting is een inkomensonafhankelijke korting op de belasting die voor iedereen van toepassing is. Ook hogere inkomens profiteren daarom van een verhoging van de algemene heffingskorting. Om het voordeel voor hogere inkomens af te romen, wordt het tarief van de tweede schijf verhoogd. Voor ouderen die geen nadeel ondervinden van de afschaffing van de koopkrachttoeslagen in de huursubsidie zou het voordeel van de verhoging van de algemene heffingskorting worden afgeroomd door de ouderenkorting te verlagen. Overigens is inmiddels besloten om in het voorliggende belastingplan de ouderenkorting niet te verlagen.
De gevolgen van het afschaffen van de kindertoeslagen in de huursubsidie worden gecompenseerd via de aanvullende kinderkorting. De (aanvullende) kinderkorting is in tegenstelling tot de algemene heffingskorting wel inkomensafhankelijk. Om de compensatie bij de juiste groep terecht te laten komen wordt een nieuwe inkomensgrens in de aanvullende kinderkorting geïntroduceerd ter hoogte van de inkomensgrens in de huursubsidie. Wij zijn niet voornemens de wijze van compensatie van koopkrachttoeslagen op andere wijze vorm te geven omdat naar onze mening op deze wijze maatwerk wordt geleverd.

7. Chronisch zieken
Met de Raad zijn wij van oordeel dat aan het uitgangspunt dat ziektekosten eerst als buitengewone uitgaven in aanmerking worden genomen na overschrijding van een drempelbedrag thans niet moet worden getornd. Ook zien wij- evenmin als het rapport van de interdepartementale werkgroep Inkomenspositie van Gehandicapten en Chronisch zieken daartoe aanleiding geeft; De Raad wijst daarop - geen aanleiding om de afstand tussen de 'standaardziektekosten' en de inkomensafhankelijke drempel te verlagen.
De achtergrond van de voorgestelde maatregel is de volgende. Voor een groep personen die gedurende meerdere jaren ziektegerelateerde uitgaven heeft die boven de drempel van fiscaal niet aftrekbare ziektekosten uitkomen vormen die uitgaven een grotere belasting dan voor personen die niet of slechts incidenteel boven de drempel uitkomen. Vooral voor lagere en middeninkomens kunnen dergelijke jaarlijks terugkomende uitgaven problemen opleveren. Om aan deze problemen tegemoet te komen wordt thans voorgesteld om voor deze categorieën vermenigvuldigingsfactoren in te voeren indien de uitgaven wegens ziekte jaar na jaar hoger zijn dan de niet-aftrekbare drempel. Met het invoeren van dergelijke inkomensafhankelijke vermenigvuldigingsfactoren wordt de aftrekpost buitengewone uitgaven voor de lagere en middeninkomens meer waard. Zoals in de memorie van toelichting is opgemerkt, is het effect van dergelijke vermenigvuldigingsfactoren op dit punt op onderdelen vergelijkbaar met het effect van een heffingskorting voor de buitengewone uitgaven. Daarmee is naar ons oordeel echter nog geen sprake van een pseudoheffingskorting. De voorgestelde regeling bewerkstelligt allen dat voor de lagere en middeninkomens een grotere fiscale tegemoetkoming wordt geboden indien zij enkele jaren achtereen zodanige uitgaven wegens ziekte hebben dat deze de inkomensafhankelijke drempel te boven gaan. De thans voorgestelde maatregel is een andere dan de discussie over de omzetting van aftrekposten in een heffingskorting. Ook in die discussie speelt uiteraard een rol de waarde van uitgaven waarvoor een faciliteit wordt geboden in relatie tot de hoogte van het inkomen. Een belangrijk element in die discussie is de omstandigheid dat in een systeem van heffingskortingen te faciliëren uitgaven voor diversen inkomenscategorieën hetzelfde effect hebben. Daarnaast is een belangrijk effect van omzetting van aftrekposten in heffingskortingen dat het verzamelinkomen van de belastingplichtige stijgt, hetgeen gevolgen heeft voor toepassing van inkomensafhankelijke regelingen. Ook de wijze van verrekening van niet-gëffectueerde aftrekposten. Uit het voorgaande moge zijn dat de omzetting van aftrekposten een veel bredere problematiek bestrijkt dan de bij de onderhavige maatregel geïntroduceerde vermenigvuldigingsfactoren. Het voorgaande laat uiteraard onverlet dat afhankelijk van de uitkomst van de discussie over de omzetting van aftrekposten in een heffingskorting te zijner tijd de onderhavige maatregel mogelijk kan worden ingepast in een alsdan mogelijk te introduceren andere opzet op dit terrein. Deze problematiek komt mede aan de orde in paragraaf 2.1.3 van de Rapportage van de werkgroep grondslagverbreding en grondslagverschuiving, die als bijlage is gezonden bij de Verkenning belasting- en premieheffing.

8. Niet- medische hulpmiddelen
Het nieuwe tweede lid van artikel 6.17 legt in de wet vast dat ook bepaalde niet-medische hulpmiddelen tot de hulpmiddelen in de zin van artikel 6.24 kunnen worden gerekend. Aangezien het de bedoeling is een mogelijkheid te bieden van een algemene aanduiding van de middelen die in ieder geval tot deze niet-medische hulpmiddelen kunnen worden gerekend en niet om hieraan in deze regeling financiële limieten te stellen, is de aanbeveling van de Raad om dit te regelen via een algemene maatregel van bestuur in plaats van bij ministeriële regeling, overgenomen.

9. Toetrederskorting
De Raad vraagt om een nadere toelichting met betrekking toe de toepassing van de toetrederskorting ten aanzien van immigranten, in het bijzonder ten aanzien van kinderen van immigranten die voor het eerst aan het arbeidsproces gaan deelnemen en voor wie geen regelingen als kinderbijslag of studiefinanciering gelden. Immigranten en hun kinderen die rechtmatig verblijf hebben op grond van een verblijfsvergunning hebben in beginsel recht op kinderbijslag. Het recht op studiefinanciering is daartegen afhankelijk van de verblijfstitel. Voor zover de vraag betrekking heeft op asielzoekers in procedure is daaraan geen aandacht besteed omdat deze categorie immigranten gedurende deze procedure in een periode van 52 weken slechts gedurende ten hoogste 12 weken naar hun aard kortdurende werkzaamheden mag verrichten, zoals bijvoorbeeld oogstwerkzaamheden of bepaalde tijdelijke horecawerkzaamheden. Eén van de voorwaarden voor de toekenning van de toetredeskorting is dat betrokkene met tegenwoordig arbeid ten minste 50% van het wettelijk minimumloon gaat verdienen. Gelet op de maximale periode waarin betaalde arbeid kan worden verricht zal deze voorwaarde prohibitief zijn voor de toekenning van de toetredeskorting aan deze groep immigranten.

10.De Raad adviseert nader toe te lichten waarom uitleringen op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) niet zijn opgenomen in artikel 8.21,tweed lid, Wet IB 2001
Kern van de doelgroep van de toetrederskorting wordt gevormd door uitkeringsgerechtigden die nu ook al recht hebben op de Abw-uitstroompremies enerzijds en herintreders anderzijds. Achterliggende gedachte van de toetrederskorting is om met name die groepen waarvoor de drempel om toe treden tot de arbeidsmarkt extra hoog is, een prikkel te geven om weer (grotendeels) zelfstandig in het bestaan te voorzien. Van uit die gedachten is de doelgroep van de toetrederskorting nog verbreed to WAO-, WAZ- en WAJONG- gerechtigden. Ook de WIK kan, evenals bijvoorbeeld een WIW- uitkering, worden aangemerkt als een inkomensvoorziening die uiteindelijk gericht is op het bevorderen van een zelfstandige voorziening in het bestaan. WIK-gerechtigden krijgen gedurende een beperkte periode de mogelijkheid om zodanig ervaring op te bouwen dat zij vervolgens zelfstandig in hun bestaan als kunstenaar kunnen voorzien. Vanuit die doelstelling kan worden verdedigd dat het opnemen van de WIK in de doelgroep van de toetrederskorting past binnen het streven ter vergroting van de arbeidsparticipatie. Reden waarom wij genoemde doelgroep alsnog in artikel 8.21, tweede lid, Wet IB 2001 hebben opgenomen.

11. Ouderenpremie
De bedoeling van de zinsnede inzake het eenmaal per jaar verstrekken van die premie is om aan te geven dat de werkgever elk jaar de bedoelde premie van een maximaal bedrag kan geven. Dus in het jaar dat een werknemer 58 jaar wordt mag de premie worden gegeven tot maximaal 227 euro. Voor deze redactie van de wettekst is gekozen om te voorkomen dat in de periode dat de werknemer 58, 59 of 60 wordt slechts eenmaal een premie van in totaal het maximale bedrag genoten kan worden(i.c. 227 euro). Het maakt voor het overige niet uit hoe die premie over het jaar verdeeld wordt of op welke tijdstip of tijdstippen in het jaar de premie gegeven wordt. De enige voorwaarde op dit punt is dat de premie in totaal per jaar niet meer bedraagt dan het aangegeven maximum. Het is derhalve niet toegestaan de premies voor de jaren waarin iemand 58, 59 of 60 jaar wordt in een keer aan het begin of aan het eind van die periode uit te betalen. Er wordt dan in het jaar van uitbetalen meer dan het aangegeven maximum betaald. De toelichting is op dit punt verduidelijkt zodat deze overeenstemt met de wettekst.

Een bepaling betreffende het tijdsgelang of naar rato van het dienstverband verlenen van de premies is niet opgenomen. Dit betekent inderdaad dat de premies bij meerdere dienstverbanden (tegelijkertijd of opeenvolgend) meerdere keren binnen een jaar kunnen worden verkregen door een werknemer, tenminste voorzover deze dienstverbanden met verschillende werkgevers zijn overeengekomen. Hiervoor is gekozen ten eerste omdat een dubbele premie niet vaak zal voorkomen: zo zal een werkgever waarschijnlijk een werknemer die slechts kort in het bedrijf werkt in het jaar dat hij 58 wordt niet zonder meer de (volle) premie geven. Ten tweede: om te voorkomen dat belastingplichtigen met meerdere gelijktijdige dienstverbanden meerdere keren de premie zouden kunnen krijgen, zouden gegevens van de verschillende inhoudingsplichtigen moeten worden verwisseld. De hiermee samenhangende extra administratieve lasten voor werkgevers en belastingdienst wegen niet op tegen het gevolg dat enkele belastingplichtigen de belastingvrije premie wellicht meerdere keren kunnen ontvangen. Op dit punt is de toelichting aangevuld.

12.Flexibele beloningsregeling
In de visie van het kabinet verdient een winstafhankelijke belonigscomponent stimulans vanwege de eraan verbonden gunstige economische effecten. Een winstafhankelijke beloning ademt mee met de conjunctuur en zorgt er met name in een neergaande economie voor dat de lonen zich sneller aanpassen. Een snelle aanpassing van de lonen geeft meer mogelijkheden om de internationale concurrentiepositie op peil te houden en het ontstaan van werkloosheid te voorkomen. Om te stimuleren dat winstafhankelijke beloningsafspraken worden gemaakt, die daarnaast tevens een bijdrage kunnen leveren aan een gematigde loonontwikkeling, stelt het kabinet voor om deze vorm van belonen - met een maximum- onder het regime van de eindheffing te brengen. Werknemers worden op deze manier niet met belastingheffing geconfronteerd en werkgevers rekenen af tegen een relatief mild tarief. Juist het verschil tussen winstafhankelijk en winstonafhankelijk rechtvaardigt om deze redenen de verschillende fiscale behandeling.
Anders dan de Raad is het kabinet van mening dat dit voorstel discriminaroir is ten opzichte van de non-profitsector. Het feit dat in de non-profitsector geen winst wordt gemaakt en de beloning dus niet(voor een deel) van de winst afhankelijk kan worden gemaakt, met de bijbehorende inkomensonzekerheid, rechtvaardigt dat deze faciliteit niet voor deze sector open staat. Andere vormen van resultaatafhankelijke beloning zijn nauwelijks objectiveerbaar en operationaliseerbaar, waardoor ze niet met de conjunctuur kunnen meeademen. Er zijn bovendien andere wegen om de non-profit sector te compenseren voor het feit dat men niet kan meedelen in dit - in macro opzicht overigens betrekkelijk gering - belastingvoordeel. Zo heeft het kabinet naar aanleiding van de voorstelling van de commissie van Rijn al besloten tot een forse extra intensivering in de arbeidsvoorwaarden in de collectieve sector. Daarnaast is van belang dat deze regeling in 2003 zal worden geëvalueerd, waarbij reeds nu als voornaamste aandachtspunt is opgenomen de beloningspositie van de collectiever sector ten opzichte van de marktsector.

13. Aan het advies van de Raad de beperking tot de Nederlandse winst nader toe te lichten en aan te geven hoe die beperking zich verhoudt tot Europees regelgeving, heb ik gevolg gegeven.

14. Aan het advies van de Raad in de toelichting nadere in te gaan op de bewerkelijkheid van het winstbegrip, heb ik gevolg gegeven.

15. Afdrachtvermindering toetreders
De Raad adviseert in het kader van de afdrachtvermindering toetreders aan te geven welke gevolgen verbonden worden aan onjuiste of nadien onjuist gebleken werknemersverklaringen. Ingeval een werkgever een werknemer in dienst neemt waarvoor hij bij een juiste ingevulde werknemersverklaring geen recht zou hebben gekregen op de afdrachtvermindering toetreders is door hem te weinig belasting afgedragen. In dat geval gelden voor hem andere regels voor het herstel van een onjuiste aangifte en krijgt de werkgever voor de te weinig afgedragen belasting een naheffingsaanslag.

16 Redactionele kanttekeningen
De eerste van de door de Raad gemaakte redactionele kanttekeningen moet op een misverstand berusten. De verhoging met 0.25%-punt heeft betrekking op de tweede en niet, zoals de Raad in zijn kanttekening aangeeft, op de derde tariefschijf van de tabel van artikel 2.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 20a van de Wet op de loonbelasting1964. Deze verhoging (tot 8,45%) is correct in deze tabellen verwerkt. De tweede kanttekening is overgenomen.

Wij mogen u verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Staatssecretaris van Financiën

De Minister van Financiën

  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon