Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot bepaling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, alsmede tot aanwijzing van omstandigheden en maatregelen als bedoeld in dat artikellid (Besluit locatiespecifieke omstandigheden bodemsanering).
- Kenmerk
- W08.01.0173/V
- Datum advies
- 29 mei 2001
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 14 mei 2002, nr 89
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot bepaling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, alsmede tot aanwijzing van omstandigheden en maatregelen als bedoeld in dat artikellid (Besluit locatiespecifieke omstandigheden bodemsanering).
Bij Kabinetsmissive van 10 april 2001, no.01.001802, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting tot bepaling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, alsmede tot aanwijzing van omstandigheden en maatregelen als bedoeld in dat artikellid (Besluit locatiespecifieke omstandigheden bodemsanering).
De Raad van State acht het een positieve ontwikkeling dat het buitenwettelijke "IBC-beleid" ten aanzien van bodemsanering thans vervangen wordt door een duidelijke, wettelijke regeling op basis van artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, welke bepaling tegelijk met het Besluit locatiespecifieke omstandigheden bodemsanering (hierna: het Besluit) in werking zal treden.
Volgens de laatste volzin van die bepaling moeten bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld betreffende isoleren, beheersen en controleren van bodemverontreinigingen. Wil het nieuwe stelsel kunnen werken, dan zal de ministeriële regeling eveneens tegelijk met het Besluit in werking moeten treden. De Raad adviseert in deze gelijktijdigheid te voorzien en die aan te kondigen in de nota van toelichting.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 25 maart 2002
De Raad van State geeft u in overweging een besluit te nemen nadat aan zijn advies aandacht zal zijn geschonken.
Het verheugt mij te kunnen constateren dat de Raad het vervangen van het buitenwettelijke "IBC-Beleid" ten aanzien van bodemsanering door een duidelijke, wettelijke regeling op basis van artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming een positieve ontwikkeling acht. Het college wijst er terecht op dat de ingevolge de laatste volzin van die bepaling, bij ministeriële regeling te stellen nadere regels die betrekking hebben op isoleren, beheersen en controleren van bodemverontreinigingen net als genoemd artikellid eveneens tegelijk met het Besluit in werking moeten treden, wil het nieuwe stelsel kunnen werken.
De aanbeveling van de Raad om in deze gelijktijdigheid te voorzien en die aan te kondigen in de nota van toelichting is gevolgd. Daartoe is in artikel 3 de inwerkingtredingsbepaling aangepast in die zin dat de inwerkingtreding zal geschieden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Ik moge U hierbij, mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
De Raad van State acht het een positieve ontwikkeling dat het buitenwettelijke "IBC-beleid" ten aanzien van bodemsanering thans vervangen wordt door een duidelijke, wettelijke regeling op basis van artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, welke bepaling tegelijk met het Besluit locatiespecifieke omstandigheden bodemsanering (hierna: het Besluit) in werking zal treden.
Volgens de laatste volzin van die bepaling moeten bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld betreffende isoleren, beheersen en controleren van bodemverontreinigingen. Wil het nieuwe stelsel kunnen werken, dan zal de ministeriële regeling eveneens tegelijk met het Besluit in werking moeten treden. De Raad adviseert in deze gelijktijdigheid te voorzien en die aan te kondigen in de nota van toelichting.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 25 maart 2002
De Raad van State geeft u in overweging een besluit te nemen nadat aan zijn advies aandacht zal zijn geschonken.
Het verheugt mij te kunnen constateren dat de Raad het vervangen van het buitenwettelijke "IBC-Beleid" ten aanzien van bodemsanering door een duidelijke, wettelijke regeling op basis van artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming een positieve ontwikkeling acht. Het college wijst er terecht op dat de ingevolge de laatste volzin van die bepaling, bij ministeriële regeling te stellen nadere regels die betrekking hebben op isoleren, beheersen en controleren van bodemverontreinigingen net als genoemd artikellid eveneens tegelijk met het Besluit in werking moeten treden, wil het nieuwe stelsel kunnen werken.
De aanbeveling van de Raad om in deze gelijktijdigheid te voorzien en die aan te kondigen in de nota van toelichting is gevolgd. Daartoe is in artikel 3 de inwerkingtredingsbepaling aangepast in die zin dat de inwerkingtreding zal geschieden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Ik moge U hierbij, mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer