Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W08.01.0226/V

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende de vaststelling van regels ter bevordering van innovatieve ontwikkelingen in de stedelijke vernieuwing (Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing).

Kenmerk
W08.01.0226/V
Datum advies
31 augustus 2001
Vindplaats
Bijvoegsel Staatscourant 13 november 2001, nr 220
  • Infrastructuur en Waterstaat
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende de vaststelling van regels ter bevordering van innovatieve ontwikkelingen in de stedelijke vernieuwing (Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing).

Bij Kabinetsmissive van 15 mei 2001, no.01.002380, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende de vaststelling van regels ter bevordering van innovatieve ontwikkelingen in de stedelijke vernieuwing (Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing).

Met het ontwerpbesluit worden regels gegeven volgens welke de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer(zie noot 1) subsidie kan verstrekken ter bevordering van innovatieve ontwikkelingen in de stedelijke vernieuwing. Het ontwerpbesluit geeft de Raad van State aanleiding tot een aantal opmerkingen. In verband daarmee zal het zijns inziens moeten worden aangepast.

1. Het ontwerpbesluit als kaderregeling
De Raad constateert dat deelnemers aan de regeling en beoordelaars van de projecten met een veelheid van aspecten rekening moeten houden, hetgeen tot gevolg kan hebben dat een goede selectie van projecten op die basis niet eenvoudig zal zijn. Volgens de toelichting op artikel 6 zijn er zes prestatievelden waar de projecten betrekking op moeten hebben. Behalve op de innovatieve waarden worden aanvragen ook beoordeeld op de mate waarin een project mogelijkheden biedt voor ruime toepassing en navolging van resultaten, waarin sprake is van aantoonbare betrokkenheid van de burger bij de ontwikkeling en uitvoering van een project en waarin aanwezige potenties benut worden en de problematiek van de buurt, wijk of stad op een samenhangende wijze wordt benaderd. Bovendien moet binnen de eerdergenoemde prestatievelden worden beoordeeld de mate waarin een project betrekking heeft op een aantal beleidsprioriteiten.
De toelichting op artikel 8, waarin de beleidscriteria worden besproken, biedt nog weer extra aandachtspunten, die aan deze criteria een verdere inhoud geven. Daaronder de nog voor nadere uitwerking vatbare eis dat bij de nieuwe samenwerkingsvormen sprake moet zijn van een helder omschreven rol van de gemeente, waaruit blijkt dat die gemeente op een juiste wijze omgaat met zowel haar publieke taak als haar privaatrechtelijke betrokkenheid.
Hoewel de Raad onderkent dat de aard van het voorwerp van subsidiëring, innovatieve ontwikkelingen in de stedelijke vernieuwing, het wellicht niet goed mogelijk maakt om zeer duidelijk omschreven criteria voor subsidieverlening voor te schrijven, is hij van mening dat op zijn minst een poging zou moeten worden ondernomen om de regeling op basis van zo duidelijk mogelijke criteria te vereenvoudigen zodat de Commissie innovatie stedelijke vernieuwing over een beter te hanteren basis voor haar selectie van voor subsidiëring in aanmerking komende projecten kan beschikken.
De Raad adviseert de opzet van het besluit te vereenvoudigen.

2. Samenhang met andere wetgeving

a. De gekozen opzet laat belangrijke vragen open met betrekking tot de verhouding van het ontwerpbesluit tot wetgeving en procedures waarvan de uitvoering van het innovatiebeleid afhankelijk is of op de toepassing waarvan het zelf van invloed kan zijn. Hiermee doelt het college op de wisselwerking met procedures op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Woningwet en de wijze waarop de Wet voorkeursrecht gemeenten en de Onteigeningswet worden toegepast. Aangezien dit vraagstuk reeds in meer algemene zin tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Stedelijke vernieuwing in de Tweede Kamer der Staten-Generaal is onderkend,(zie noot 2) adviseert de Raad in de toelichting nader in te gaan op de vraag hoe dit ontwerpbesluit als onderdeel van de financiële projectwetgeving voor de stedelijke vernieuwing zich verhoudt tot die andere wetgeving.

b. De verhouding tot de instrumentele wetgeving komt in het ontwerpbesluit slechts impliciet en dan ook slechts in globale termen van haalbaarheid van het project aan de orde in de regeling van de weigering van de subsidie (artikel 9, aanhef en onder e) en in de verplichting om na verlening van de subsidie aan de minister nieuwe omstandigheden mede te delen die van invloed kunnen zijn op de realisatie van het project (artikel 40, tweede lid, aanhef en onder b). Daardoor ontbeert het ontwerpbesluit een duidelijke afstemmingsregeling. Uit oogpunt van rechtszekerheid beveelt de Raad aan om bij deze subsidieregeling het criterium van de haalbaarheid te preciseren met duidelijke ijkpunten, zoals bijvoorbeeld voor de subsidieverlening de vaststelling van een bestemmingsplan of die van een besluit op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

3. Uitsluiting winstbeogende partijen
Enerzijds wordt in artikel 8, aanhef en onder c, als beleidsprioriteit geformuleerd dat in het innovatieproject aandacht moet worden besteed aan nieuwe samenwerkingsvormen tussen gemeenten, maatschappelijke instellingen, projectontwikkelaars en bedrijfsleven. Anderzijds is in artikel 9, aanhef en onder g, bepaald dat innovatiesubsidie door de minister kan worden geweigerd indien aan de idee- en planvorming voor een project, dan wel aan een project, wordt deelgenomen door één of meer winstbeogende partijen. Tussen beide bepalingen bestaat een tegenstrijdigheid die naar de mening van de Raad dient te worden weggenomen. De weigeringsgrond van artikel 9, aanhef en onder g, is bovendien niet toegelicht. Het is de Raad niet duidelijk waarom winstbeogende partijen bij voorbaat van deelname aan te subsidiëren projecten zouden moeten worden uitgezonderd.
De Raad adviseert het besluit op dit punt consistent te maken, althans van een nadere toelichting te voorzien.

Overige opmerkingen

4. In artikel 4 en bijlage 1, onderdeel 4b, van het aanvraagformulier, van het ontwerpbesluit wordt ervan uitgegaan dat een deel van de kosten van een innoverend project aan de innovatieve elementen daarvan kan worden toegerekend. Bij de Raad is de vraag gerezen op welke wijze de toerekening mogelijk is. In de toelichting zal hierover uitsluitsel moeten worden gegeven.

5.- Volgens de tekst van artikel 5, eerste lid, bedraagt het subsidieplafond voor de subsidies, bedoeld in artikel 3, onder a en b, voor elk van de jaren 2001 en 2002 15,5 miljoen euro. Hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat dit plafond voor de in artikel 3, onder a en b onderscheiden categorieën gezamenlijk geldt. Het slot van paragraaf 1.2.4 biedt op dit punt geen uitsluitsel. Gelet op artikel 19 van de wet zullen de subsidieplafonds betrekking moeten hebben op verschillende activiteiten. Artikel 5 zal daarom zo moeten worden geredigeerd dat duidelijk is welk plafond voor de subsidie voor idee- en planvorming geldt (artikel 3, onder a) en welk plafond voor de in onderdeel b van artikel 3 bedoelde kleine projecten.

6.- In artikel 6 wordt gesproken van prestatievelden genoemd in artikel 3, zevende tot en met twaalfde lid, van het Besluit beleidskader stedelijke vernieuwing. Aangezien dit begrip niet in dat besluit wordt gebruikt (wel in de toelichting) zal "prestatieveld" in het ontwerpbesluit moeten worden gedefinieerd, evenals dat is geschied in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit verantwoording stedelijke vernieuwing.

7. Hoewel niet ongebruikelijk in subsidieregelingen, behoeft de hardheidsclausule (artikel 49) toelichting.

8. In artikel 22, derde lid, en artikel 31, derde lid, wordt voorgeschreven dat een afschrift van de aanvraag naar de gemeente respectievelijk de provincie moet worden gezonden. In rubriek IB van het model voor een aanvraagformulier wordt evenwel rekening gehouden met de mogelijkheid dat die afschriften niet zijn verzonden. Deze discrepantie zal moeten worden weggenomen.

9. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Raad van State van 31 augustus 2001, no.W08.01.0226/V, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

- In het ontwerpbesluit en in de toelichting in plaats van "bijdrage" telkens preken van: subsidie. Vergelijk de terminologie in artikel 19 van de Wet stedelijke vernieuwing en aanwijzing 55 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
- In artikel 18 "vergadering" vervangen door: commissie.
- Artikel 50 met de daarop gegeven toelichting in overeenstemming brengen, waar het gaat om de vermelding van ronde bedragen in guldens.



Nader rapport (reactie op het advies) van 9 oktober 2001


1. De plannen en projecten waarvoor een subsidieaanvraag wordt ingediend worden beoordeeld aan de hand van vijf criteria, neergelegd in artikel 7. In 2001 gelden de beleidsprioriteiten, neergelegd in artikel 8, als een van de vijf criteria. Artikel 8 telt een negental beleidsprioriteiten, met als functie het op een aantal specifieke beleidsvelden binnen het domein van de stedelijke vernieuwing werven van plannen en projecten. Beleidsvelden waarbinnen, gelet op belangrijke recente rijksnota's (met name de Nota Mensen Wensen Wonen en de Nota Ruimte maken Ruimte delen), op korte termijn beleidsvernieuwing is gewenst om sprongsgewijs tot versnelling van het proces te komen en tot kwaliteitsverbetering van de stedelijke ontwikkeling. Vooral in het eerste jaar van een nieuwe regeling verdient het aanbeveling om de werving van projecten gericht te sturen. Voor de volgende jaren - vanaf 1 januari 2002 - wordt overeenkomstig het advies van de Raad van State afgezien van deze nadere toespitsing en wordt volstaan met het vermelden van het beleidskader stedelijke vernieuwing zoals dat is vastgelegd in de Wet stedelijke vernieuwing.
In tegenstelling tot 2001 vervullen de in artikel 8 genoemde beleidsprioriteiten na 1 januari 2002 dus geen functie meer als criterium waarop aanvragen worden beoordeeld. Ze zijn veeleer richtinggevend voor de aanvrager. Een passage met deze strekking is opgenomen in paragraaf 1.1.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting. In die passage zijn de beleidsprioriteiten geïntegreerd met de eveneens als richtinggevend bedoelde extra aandachtspunten.
Deze vereenvoudiging doet bovendien beter recht aan de veelzijdige uitvoeringspraktijk. Op deze wijze worden de criteria waarlangs de aanvragen worden beoordeeld - innovatie, ruime toepassing en navolging, betrokkenheid van de burger en betere benutting van potenties - ook sterker benadrukt.

2a. In het besluit is voorzien in de mogelijkheid voor de gemeenten om aanvragen te toetsen aan het geldende gemeentelijke beleid. Met name een toetsing aan het beleid in het kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en Woningwet is van belang. Hierbij moet vooral worden gedacht aan het bestemmingsplan en de bouwverordening.
Artikel 22, derde lid, samen met artikel 9, onder d, onder 2°, van het besluit beoogt aldus te voorkomen dat er aanvragen voor projecten worden ingediend die strijdig zijn met gemeentelijk beleid en dus geen kans van slagen hebben. Doordat de aanvraag, wanneer gedaan door een andere rechtspersoon dan de gemeente, op grond van artikel 22, derde lid, in afschrift moet worden gezonden aan de gemeente en doordat artikel 9, onder d, onder 2°, van het besluit bepaald dat strijdigheid met het gemeentelijk beleid een weigeringsgrond is, wordt voorkomen dat projecten die strijdig zijn met het bestemmingsplan worden gehonoreerd. Dit geldt mutatis mutandis ook voor de bouwverordening, een project dat in strijd komt met de bouwverordening zal evenmin worden gehonoreerd.
Waar het gaat om zogenoemde grote projecten, die alleen kunnen worden ingediend door een gemeente, geldt dat de provincie, eveneens ter toetsing aan haar beleid een afschrift krijgt van de aanvraag - artikel 31, derde lid, van het besluit. Artikel 9, onder d, onder 3°, bepaalt dat strijdigheid met provinciaal beleid een weigeringsgrond is.
De toelichting op artikel 9, onder d, is overeenkomstig het bovenstaande aangevuld.

2b. Artikel 9, onder e, is geschrapt. Deze bepaling bleek overbodig en veroorzaakte verwarring door een schijnbare tegenstelling met artikel 40, tweede lid.
Artikel 40, tweede lid, aanhef en onder b, beoogt slechts mogelijk te maken dat bij de subsidiebeschikking de verplichting wordt opgelegd de minister te informeren over de voortgang van de specifieke voorwaarden. Het gaat dan om voorwaarden die in een projectvoorstel zijn opgenomen, maar op het moment van aanvraag nog een onbekende variabele vertegenwoordigen. De informatie die op grond van de opgelegde informatieplicht wordt verstrekt, kan leiden tot aanvulling of wijziging van de verplichtingen als bedoeld in artikel 40, eerste lid.

3. Een van de beleidsprioriteiten is de samenwerking tussen publieke en private partijen op het gebied van stedelijke vernieuwing. Het feit dat projecten kunnen bijdragen aan (versterking van) die samenwerking tussen publieke en private partijen weegt mee bij de beoordeling van de subsidieaanvraag voor die projecten. Echter het is niet de bedoeling dat de subsidies die verleend worden op basis van dit besluit rechtstreeks ten goede komen aan private partijen. Dat zou uit te leggen zijn als staatssteun en strijd met terzake vigerende Europese regelgeving opleveren. Artikel 8, onder c, heeft tot doel de samenwerking tussen publieke en private partijen op het gebied van stedelijke vernieuwing te stimuleren. Artikel 9, onder f (voorheen artikel 9, onder g), moet waarborgen dat de stimulering van die samenwerking niet leidt tot ongeoorloofde staatssteun aan private partijen.
Artikel 9, onder f (voorheen artikel 9, onder g), is overeenkomstig het bovenstaande toegelicht.

4. De aanvrager van de subsidie geeft bij de aanvraag aan welke innovatieve elementen het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd bevat. Hiervoor oriënteert de aanvrager zich op de ontwikkelingen in de stedelijke vernieuwing. Innovatief zijn die elementen die ten opzichte van het bestaande beleid in de stedelijke vernieuwing nieuw zijn.
De aanvrager geeft daarbij aan welke kosten er gemoeid zijn met deze innovatieve elementen. Door de commissie dan wel door het Rijk wordt beoordeeld in hoeverre deze elementen inderdaad innovatief zijn.
De toelichting op artikel 4 is overeenkomstig het bovenstaande uitgebreid.

5. Het advies van de Raad van State is gevolgd. In verband daarmee is de toelichting op artikel 27 aangevuld.

6. In artikel 1, onder c, is overeenkomstig het advies van de Raad een definitie van "prestatieveld" opgenomen.

7. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is artikel 49 van het besluit, als aan de Raad van State voorgelegd, vervallen.

8. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is het aanvraagformulier (bijlage 1) aangepast. In rubriek IB is de mogelijkheid dat de afschriften niet zijn verzonden geschrapt.

9. De redactionele kanttekeningen van de Raad van State zijn overgenomen. Niet overgenomen is het advies van de Raad om in artikel 18 "vergadering" te vervangen door "commissie". Dit zou betekenen dat er een quorum is voor besluitvorming door de commissie, hetgeen niet de bedoeling is.

10. In het besluit is een nieuw artikel 49 gevoegd. Dit artikel maakt het mogelijk om de bijlagen van het besluit te wijzigen bij ministeriële regeling.
Naast de aanpassingen als gevolg van het advies van de Raad van State zijn in het ontwerpbesluit en de nota van toelichting enkele aanpassingen van technische aard aangebracht.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de daarbij gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer



(1) Mede namens de Ministers van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Economische Zaken.
(2) Kamerstukken 1999/2000, 26 884, nr.33, blz.41.

  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon