Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Voertuigreglement in verband met de invoering van de verplichte EG-typegoedkeuring van twee- of driewielige motorrijtuigen.
- Kenmerk
- W09.01.0149/V
- Datum advies
- 29 mei 2001
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 14 augustus 2001, nr 155
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Voertuigreglement in verband met de invoering van de verplichte EG-typegoedkeuring van twee- of driewielige motorrijtuigen.
Bij Kabinetsmissive van 22 maart 2001, no.01.001424, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Voertuigreglement in verband met de invoering van de verplichte EG-typegoedkeuring van twee- of driewielige motorrijtuigen.
Op dit moment zijn er verschillende Europese richtlijnen die betrekking hebben op twee- of driewielige motorvoertuigen. Deze richtlijnen vormen een pakket geharmoniseerde technische voorschriften waaraan die voertuigen moeten voldoen. De richtlijnen worden in Nederland geïmplementeerd in het Voertuigreglement waartoe het ontwerpbesluit strekt.
De Raad van State merkt het volgende op over de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit.
Artikel III bepaalt dat artikel I, onderdeel G, van het ontwerpbesluit in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en terugwerkt tot en met 17 juni 1999. In artikel I, onderdeel G, worden eisen gesteld aan bromfietsen die ook strafrechtelijk gehandhaafd moeten worden (zie hoofdstuk 8 van het Voertuigreglement). In de nota van toelichting staat dat aan dit artikel terugwerkende kracht wordt toegekend omdat op die datum Richtlijn nr.97/24/EG moet zijn geïmplementeerd.(zie noot 1) De in Richtlijn nr.97/24/EG opgenomen eisen worden reeds vanaf 17 juni 1999 toegepast maar worden niet strafrechtelijk gehandhaafd. Op grond hiervan wordt in de nota van toelichting geconcludeerd dat er tegen de terugwerkende kracht geen bezwaar kan bestaan.
De Raad heeft eerder geadviseerd over de implementatie van een richtlijn met terugwerkende kracht waarin strafbepalingen stonden. Het college adviseerde toen aan de inwerkingtreding terugwerkende kracht te verlenen, behoudens voor wat betreft de toepassing van de strafbepalingen.(zie noot 2)
In het ontwerpbesluit ligt de situatie anders. Daarin wordt met terugwerkende kracht een richtlijn geïmplementeerd in een regeling waarin reeds strafbepalingen zijn opgenomen. Dit heeft tot gevolg dat zodra de bepalingen in werking treden ook de strafbepalingen daarop van toepassing zijn. Op grond van artikel 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is strafbaarstelling met terugwerkende kracht niet toegestaan. Dat, zoals de toelichting bij artikel III aangeeft, de bepalingen niet strafrechtelijk worden gehandhaafd voorzover het betreft de periode vanaf 17 juni 1999 tot de inwerkingtreding van het besluit, doet aan het vorenstaande niet af. De Raad is van mening dat artikel III van het ontwerpbesluit zodanig moet worden aangepast dat het vorenstaande zich niet voor zal doen. De toelichting behoeft ook in zoverre wijziging.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 3 juli 2001
De Raad heeft bezwaren tegen de terugwerkende kracht van artikel I, onderdeel G, van het ontwerpbesluit, wegens de strafrechtelijke handhaving van de door dat artikelonderdeel van het onderhavige besluit in het Voertuigreglement in te voegen bepalingen. Waarschijnlijk is hier sprake van een misverstand. Artikel 177, eerste lid, onderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994 stelt het bepaalde krachtens die wet strafbaar, voorzover overtreding daarvan uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt. Voor wat betreft overtreding van het Voertuigreglement is dat gebeurd in hoofdstuk 8 van het Voertuigreglement. Daarin wordt echter uitsluitend overtreding van een aantal bepalingen uit hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement strafbaar gesteld. In de in hoofdstuk 8 genoemde bepalingen van hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement wordt vervolgens verwezen naar een groot aantal bepalingen van "dit hoofdstuk". Een en ander leidt er toe dat overtreding van een groot aantal bepalingen van hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement strafbaar is, maar dat overtreding van hoofdstuk 3 van het Voertuigreglement niet strafbaar is gesteld. Artikel III van het ontwerpbesluit voorziet uitsluitend in terugwerkende kracht van artikel I, onderdeel G. In het desbetreffende artikelonderdeel worden - juist om die reden - uitsluitend wijzigingen aangebracht in hoofdstuk 3. Aangezien de terugwerkende kracht derhalve uitsluitend betrekking heeft op bepalingen die niet strafrechtelijk worden gehandhaafd, treft het bezwaar van de Raad van State geen doel.
Om reeds in de toelichting op artikel III van het ontwerpbesluit uiteengezette redenen, is de terugwerkende kracht van artikel I, onderdeel G, dan ook gehandhaafd.
De ambtelijk door de Raad van State bij het ontwerpbesluit doorgegeven kanttekeningen zijn in het ontwerpbesluit verwerkt. Tevens is in het ontwerpbesluit een aantal redactionele wijzigingen aangebracht, dat samenhangt met de totstandkoming van drie besluiten tot wijziging van (onder andere) het Voertuigreglement, die sinds de aanbieding van het onderhavige ontwerpbesluit aan de Raad van State tot stand zijn gekomen. Het betreft het besluit van 27 maart 2001, houdende wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en een aantal andere besluiten in verband met de invoering van een gehandicaptenparkeerkaart volgens communautair model (Stb.201), het besluit van 20 april 2001, houdende wijziging van het Voertuigreglement in verband met een aantal technische wijzigingen (Stb.219) en het besluit van 15 mei 2001, houdende wijziging van het Voertuigreglement en van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 in verband met de implementatie van richtlijn nr.2000/3/EG tot aanpassing aan de stand van de techniek van richtlijn nr.77/541/EEG van de Raad betreffende veiligheidsgordels en bevestigingssystemen in motorvoertuigen (Stb.243).
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
(1) Richtlijn nr.97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschapen van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L 226).
(2) Advies van 26 oktober 1995, no.W03.95.0543. Het ging toen om een wijziging van het wetsvoorstel tot wijziging van de Auteurswet 1912 en de Wet op de naburige rechten in verband met de richtlijn nr.93/98/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 oktober 1993, betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (PbEG L 290).
Op dit moment zijn er verschillende Europese richtlijnen die betrekking hebben op twee- of driewielige motorvoertuigen. Deze richtlijnen vormen een pakket geharmoniseerde technische voorschriften waaraan die voertuigen moeten voldoen. De richtlijnen worden in Nederland geïmplementeerd in het Voertuigreglement waartoe het ontwerpbesluit strekt.
De Raad van State merkt het volgende op over de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit.
Artikel III bepaalt dat artikel I, onderdeel G, van het ontwerpbesluit in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en terugwerkt tot en met 17 juni 1999. In artikel I, onderdeel G, worden eisen gesteld aan bromfietsen die ook strafrechtelijk gehandhaafd moeten worden (zie hoofdstuk 8 van het Voertuigreglement). In de nota van toelichting staat dat aan dit artikel terugwerkende kracht wordt toegekend omdat op die datum Richtlijn nr.97/24/EG moet zijn geïmplementeerd.(zie noot 1) De in Richtlijn nr.97/24/EG opgenomen eisen worden reeds vanaf 17 juni 1999 toegepast maar worden niet strafrechtelijk gehandhaafd. Op grond hiervan wordt in de nota van toelichting geconcludeerd dat er tegen de terugwerkende kracht geen bezwaar kan bestaan.
De Raad heeft eerder geadviseerd over de implementatie van een richtlijn met terugwerkende kracht waarin strafbepalingen stonden. Het college adviseerde toen aan de inwerkingtreding terugwerkende kracht te verlenen, behoudens voor wat betreft de toepassing van de strafbepalingen.(zie noot 2)
In het ontwerpbesluit ligt de situatie anders. Daarin wordt met terugwerkende kracht een richtlijn geïmplementeerd in een regeling waarin reeds strafbepalingen zijn opgenomen. Dit heeft tot gevolg dat zodra de bepalingen in werking treden ook de strafbepalingen daarop van toepassing zijn. Op grond van artikel 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is strafbaarstelling met terugwerkende kracht niet toegestaan. Dat, zoals de toelichting bij artikel III aangeeft, de bepalingen niet strafrechtelijk worden gehandhaafd voorzover het betreft de periode vanaf 17 juni 1999 tot de inwerkingtreding van het besluit, doet aan het vorenstaande niet af. De Raad is van mening dat artikel III van het ontwerpbesluit zodanig moet worden aangepast dat het vorenstaande zich niet voor zal doen. De toelichting behoeft ook in zoverre wijziging.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 3 juli 2001
De Raad heeft bezwaren tegen de terugwerkende kracht van artikel I, onderdeel G, van het ontwerpbesluit, wegens de strafrechtelijke handhaving van de door dat artikelonderdeel van het onderhavige besluit in het Voertuigreglement in te voegen bepalingen. Waarschijnlijk is hier sprake van een misverstand. Artikel 177, eerste lid, onderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994 stelt het bepaalde krachtens die wet strafbaar, voorzover overtreding daarvan uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt. Voor wat betreft overtreding van het Voertuigreglement is dat gebeurd in hoofdstuk 8 van het Voertuigreglement. Daarin wordt echter uitsluitend overtreding van een aantal bepalingen uit hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement strafbaar gesteld. In de in hoofdstuk 8 genoemde bepalingen van hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement wordt vervolgens verwezen naar een groot aantal bepalingen van "dit hoofdstuk". Een en ander leidt er toe dat overtreding van een groot aantal bepalingen van hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement strafbaar is, maar dat overtreding van hoofdstuk 3 van het Voertuigreglement niet strafbaar is gesteld. Artikel III van het ontwerpbesluit voorziet uitsluitend in terugwerkende kracht van artikel I, onderdeel G. In het desbetreffende artikelonderdeel worden - juist om die reden - uitsluitend wijzigingen aangebracht in hoofdstuk 3. Aangezien de terugwerkende kracht derhalve uitsluitend betrekking heeft op bepalingen die niet strafrechtelijk worden gehandhaafd, treft het bezwaar van de Raad van State geen doel.
Om reeds in de toelichting op artikel III van het ontwerpbesluit uiteengezette redenen, is de terugwerkende kracht van artikel I, onderdeel G, dan ook gehandhaafd.
De ambtelijk door de Raad van State bij het ontwerpbesluit doorgegeven kanttekeningen zijn in het ontwerpbesluit verwerkt. Tevens is in het ontwerpbesluit een aantal redactionele wijzigingen aangebracht, dat samenhangt met de totstandkoming van drie besluiten tot wijziging van (onder andere) het Voertuigreglement, die sinds de aanbieding van het onderhavige ontwerpbesluit aan de Raad van State tot stand zijn gekomen. Het betreft het besluit van 27 maart 2001, houdende wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en een aantal andere besluiten in verband met de invoering van een gehandicaptenparkeerkaart volgens communautair model (Stb.201), het besluit van 20 april 2001, houdende wijziging van het Voertuigreglement in verband met een aantal technische wijzigingen (Stb.219) en het besluit van 15 mei 2001, houdende wijziging van het Voertuigreglement en van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 in verband met de implementatie van richtlijn nr.2000/3/EG tot aanpassing aan de stand van de techniek van richtlijn nr.77/541/EEG van de Raad betreffende veiligheidsgordels en bevestigingssystemen in motorvoertuigen (Stb.243).
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
(1) Richtlijn nr.97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschapen van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L 226).
(2) Advies van 26 oktober 1995, no.W03.95.0543. Het ging toen om een wijziging van het wetsvoorstel tot wijziging van de Auteurswet 1912 en de Wet op de naburige rechten in verband met de richtlijn nr.93/98/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 oktober 1993, betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (PbEG L 290).