Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Besluit subsidies CO2-reductieplan inhoudende de uitbreiding naar andere broeikasgassen.
- Kenmerk
- W10.01.0188/II
- Datum advies
- 22 juni 2001
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 9 oktober 2001, nr 195
- Economische Zaken en Klimaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Besluit subsidies CO2-reductieplan inhoudende de uitbreiding naar andere broeikasgassen.
Bij Kabinetsmissive van 18 april 2001, no.01.001948, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Economische Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Besluit subsidies CO2-reductieplan inhoudende de uitbreiding naar andere broeikasgassen.
Het ontwerpbesluit strekt tot aanpassing aan ontwikkelingen op het gebied van de reductie van broeikasgassen naast CO2 die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van het Besluit subsidies CO2-reductieplan. Voorts is op grond van met dat besluit opgedane ervaringen in het ontwerpbesluit een aantal wijzigingen opgenomen. Ten slotte worden enige aanpassingen doorgevoerd die zijn ontleend aan de op 3 februari 2001 in werking getreden Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG C 37) (hierna: de kaderregeling) en de nog in te voeren euro. De Raad van State kan zich met de strekking van het ontwerpbesluit verenigen, maar maakt daarbij de volgende kanttekeningen.
1a. In artikel I, onder A, tweede lid, onderdeel b, van het ontwerpbesluit wordt gedefinieerd wat onder een CO2-equivalent moet worden verstaan. De minister kan ter berekening daarvan regels stellen. Uit de toelichting op dat artikelonderdeel blijkt dat de te hanteren omrekeningsregels plaatsvinden met behulp van de Global Warming Potential Factor. In verband daarmee acht de Raad het, mede gelet op het belang van die factor bij de omrekening en mede gelet op aanwijzing 26 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, meer voor de hand liggend die berekeningsfactor dan ook in het ontwerpbesluit in plaats van in een ministeriële regeling op te nemen.
b. Voorts wordt in artikel I, onder A, tweede lid, onderdeel c, een definitie gegeven voor hernieuwbare energiebronnen. Volgens de toelichting op artikel I, onderdelen A en B, is die definitie ontleend aan de kaderregeling(zie noot 1), respectievelijk het voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevordering van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt.(zie noot 2) In de in het ontwerpbesluit opgenomen definitie is bij het daarin opgenomen onderdeel waterkrachtinstallaties ten aanzien van het daarbij behorende vermogen vooralsnog in het midden gelaten hoeveel megawatt die maximaal mogen hebben. In de toelichting op artikel I, onderdelen A en B, wordt niet uiteengezet waarom dat nog in het midden is gelaten. Dit kan erop duiden dat de wens bestaat af te wijken van de definitiebepalingen uit de voornoemde kaderregeling of het genoemde voorstel voor een Europese richtlijn. In de beide daarin opgenomen definitiebepalingen wordt voor waterkrachtinstallaties een begrenzing van het vermogen van maximaal 10 megawatt aangehouden. De kaderregeling is geen gebiedend voorschrift dat zelfstandige werking heeft of moet worden geïmplementeerd. Het voorstel voor de richtlijn zal, indien dat wordt aangenomen, te zijner tijd wel moeten worden geïmplementeerd, zodat er dan geen reden meer kan bestaan voor afwijking van die norm indien die richtlijn afwijking niet toestaat. Hoewel thans dus nog ruimte is voor een afwijkende norm in de nationale regelgeving mag op grond van het vorenstaande worden verwacht dat dat in de toekomst niet meer het geval is. In verband daarmee acht het college het gewenst dat de definitiebepaling van hernieuwbare energiebronnen in het ontwerpbesluit op het punt van de vorengenoemde norm aan de in de kaderregeling en het voorstel voor de in geding zijnde richtlijn wordt aangepast, dan wel dat in de toelichting uiteengezet wordt waarom daarvan vooralsnog wordt afgeweken.
2. In het voorgestelde artikel I, onder G, onderdeel 1, wordt aan artikel 8, tweede lid, van het Besluit subsidies CO2-reductieplan een onderdeel g toegevoegd. Daarin is tot uitdrukking gebracht dat de Adviescommissie CO2-plan de minister in ieder geval negatief adviseert over een aanvraag om toekenning van subsidie indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben het CO2-reductieproject naar behoren uit te voeren. Dit onderdeel wordt toegevoegd aan een aantal andere in het tweede lid van artikel 8 opgenomen bepalingen op grond waarvan de commissie eveneens een negatief advies moet uitbrengen. Die onderdelen, ook de bestaande onderdelen e en f waarin het vertrouwenscriterium ook een bepalende rol speelt, bevatten meetbare criteria waaraan de minister de aanvraag kan toetsen. Bij het vertrouwenscriterium in de onderdelen e en f spelen naar de mening van de Raad beter meetbare factoren een rol dan waarvan bij de voorgestelde bepaling g sprake kan zijn. In die beide andere bepalingen is de technische haalbaarheid of de mogelijkheid tot exploitatie immers inschatbaar aan de hand van over te leggen cijfers, plannen en beleidsstukken. Het beoordelen van capaciteiten om een CO2-project te kunnen uitvoeren is moeilijker meetbaar. Diploma's of een goede bedrijfsopzet of een goede exploitatie in het verleden bieden naar de mening van het college niet altijd voldoende inzicht om te kunnen stellen dat erop mag worden vertrouwd dat de aanpak en uitvoering zullen lukken. In verband daarmee adviseert de Raad in de toelichting aan te geven op welke wijze de minister zal proberen voldoende inzicht te vergaren om te kunnen bepalen of betrokkenen de capaciteiten hebben het CO2-project naar behoren uit te voeren.
3. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 22 juni 2001, no.W10.01.0188/II, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- In de in artikel I, onderdeel A, derde lid, onder f, opgenomen definitie van een CO2-reductieproject "technische voorzieningen" in overeenstemming met de bewoordingen uit artikel 2, onder 11, van richtlijn nr.96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257) wijzigen in: beste beschikbare technieken.
Nader rapport (reactie op het advies) van 22 augustus 2001
Het advies van de Raad van State geeft mij aanleiding het volgende op te merken.
la. Overeenkomstig het advies van de Raad van State is de berekeningsfactor opgenomen in bijlage 1 van het ontwerpbesluit in plaats van in een ministeriële regeling.
Ib. In de tekst, zoals voorgelegd aan de Raad van State, was de definitie van hernieuwbare energiebronnen gedeeltelijk open gelaten in afwachting van de uitkomst van de discussie die in het kader van het vaststellen van een Europese richtlijn betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt op dat moment nog werd gevoerd. inmiddels is duidelijk dat de definitie uit het door de Europese Raad op 23 maart 2001 vastgestelde Gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 18/200 1 (PbEG C 142) door alle lidstaten wordt gedragen. Zoals reeds is aangegeven in de toelichting, zoals voorgelegd aan de Raad van State, vloeit aansluiting bij deze definitie voort uit de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG C37). In tegenstelling tot hetgeen de Raad van State lijkt te veronderstellen is die aansluiting noodzakelijk teneinde te voldoen aan de afspraak die de lidstaten met de Europese Commissie hebben gemaakt, inhoudende dat de steunmaatregelen ten behoeve van het milieu uiterlijk 1 januari 2002 in overeenstemming moeten zijn gebracht met de voornoemde kaderregeling. Gelet op de aansluiting die in dit milieukader wordt gezocht met het voorstel voor een Europese richtlijn betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt, is het om die reden noodzakelijk om de in het voornoemde Gemeenschappelijk Standpunt opgenomen definitie van hernieuwbare energiebronnen op te nemen in onderhavig ontwerpbesluit.
2. Overeenkomstig het advies van de Raad van State is in de toelichting nader aangegeven op welke wijze voldoende inzicht vergaard kan worden om te bepalen of betrokkenen de capaciteiten hebben het CO2-project naar behoren uit te voeren.
3. Aan de redactionele kanttekening van de Raad van State is geen gevolg gegeven, omdat de term "technische voorzieningen" in de definitie van CO2-project ziet op het samenstel van installaties, apparaten, systemen of technieken waaruit het C02-project bestaat, terwijl de term best beschikbare technieken (BAT) betrekking heeft op het technische karakter van deze installaties, apparaten, systemen of technieken. Ter verduidelijking is de nota van toelichting op dit punt aangepast.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Economische Zaken
(1) Onderdeel B. Definitie, en toepassingsgebied, punt 6.
(2) Artikel 2 en de Toelichting, onderdeel 2. Het voorstel nader bekeken, punt 2.5. Definities van het voorstel (artikel 2).
Het ontwerpbesluit strekt tot aanpassing aan ontwikkelingen op het gebied van de reductie van broeikasgassen naast CO2 die zich hebben voorgedaan sinds de inwerkingtreding van het Besluit subsidies CO2-reductieplan. Voorts is op grond van met dat besluit opgedane ervaringen in het ontwerpbesluit een aantal wijzigingen opgenomen. Ten slotte worden enige aanpassingen doorgevoerd die zijn ontleend aan de op 3 februari 2001 in werking getreden Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG C 37) (hierna: de kaderregeling) en de nog in te voeren euro. De Raad van State kan zich met de strekking van het ontwerpbesluit verenigen, maar maakt daarbij de volgende kanttekeningen.
1a. In artikel I, onder A, tweede lid, onderdeel b, van het ontwerpbesluit wordt gedefinieerd wat onder een CO2-equivalent moet worden verstaan. De minister kan ter berekening daarvan regels stellen. Uit de toelichting op dat artikelonderdeel blijkt dat de te hanteren omrekeningsregels plaatsvinden met behulp van de Global Warming Potential Factor. In verband daarmee acht de Raad het, mede gelet op het belang van die factor bij de omrekening en mede gelet op aanwijzing 26 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, meer voor de hand liggend die berekeningsfactor dan ook in het ontwerpbesluit in plaats van in een ministeriële regeling op te nemen.
b. Voorts wordt in artikel I, onder A, tweede lid, onderdeel c, een definitie gegeven voor hernieuwbare energiebronnen. Volgens de toelichting op artikel I, onderdelen A en B, is die definitie ontleend aan de kaderregeling(zie noot 1), respectievelijk het voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevordering van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt.(zie noot 2) In de in het ontwerpbesluit opgenomen definitie is bij het daarin opgenomen onderdeel waterkrachtinstallaties ten aanzien van het daarbij behorende vermogen vooralsnog in het midden gelaten hoeveel megawatt die maximaal mogen hebben. In de toelichting op artikel I, onderdelen A en B, wordt niet uiteengezet waarom dat nog in het midden is gelaten. Dit kan erop duiden dat de wens bestaat af te wijken van de definitiebepalingen uit de voornoemde kaderregeling of het genoemde voorstel voor een Europese richtlijn. In de beide daarin opgenomen definitiebepalingen wordt voor waterkrachtinstallaties een begrenzing van het vermogen van maximaal 10 megawatt aangehouden. De kaderregeling is geen gebiedend voorschrift dat zelfstandige werking heeft of moet worden geïmplementeerd. Het voorstel voor de richtlijn zal, indien dat wordt aangenomen, te zijner tijd wel moeten worden geïmplementeerd, zodat er dan geen reden meer kan bestaan voor afwijking van die norm indien die richtlijn afwijking niet toestaat. Hoewel thans dus nog ruimte is voor een afwijkende norm in de nationale regelgeving mag op grond van het vorenstaande worden verwacht dat dat in de toekomst niet meer het geval is. In verband daarmee acht het college het gewenst dat de definitiebepaling van hernieuwbare energiebronnen in het ontwerpbesluit op het punt van de vorengenoemde norm aan de in de kaderregeling en het voorstel voor de in geding zijnde richtlijn wordt aangepast, dan wel dat in de toelichting uiteengezet wordt waarom daarvan vooralsnog wordt afgeweken.
2. In het voorgestelde artikel I, onder G, onderdeel 1, wordt aan artikel 8, tweede lid, van het Besluit subsidies CO2-reductieplan een onderdeel g toegevoegd. Daarin is tot uitdrukking gebracht dat de Adviescommissie CO2-plan de minister in ieder geval negatief adviseert over een aanvraag om toekenning van subsidie indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben het CO2-reductieproject naar behoren uit te voeren. Dit onderdeel wordt toegevoegd aan een aantal andere in het tweede lid van artikel 8 opgenomen bepalingen op grond waarvan de commissie eveneens een negatief advies moet uitbrengen. Die onderdelen, ook de bestaande onderdelen e en f waarin het vertrouwenscriterium ook een bepalende rol speelt, bevatten meetbare criteria waaraan de minister de aanvraag kan toetsen. Bij het vertrouwenscriterium in de onderdelen e en f spelen naar de mening van de Raad beter meetbare factoren een rol dan waarvan bij de voorgestelde bepaling g sprake kan zijn. In die beide andere bepalingen is de technische haalbaarheid of de mogelijkheid tot exploitatie immers inschatbaar aan de hand van over te leggen cijfers, plannen en beleidsstukken. Het beoordelen van capaciteiten om een CO2-project te kunnen uitvoeren is moeilijker meetbaar. Diploma's of een goede bedrijfsopzet of een goede exploitatie in het verleden bieden naar de mening van het college niet altijd voldoende inzicht om te kunnen stellen dat erop mag worden vertrouwd dat de aanpak en uitvoering zullen lukken. In verband daarmee adviseert de Raad in de toelichting aan te geven op welke wijze de minister zal proberen voldoende inzicht te vergaren om te kunnen bepalen of betrokkenen de capaciteiten hebben het CO2-project naar behoren uit te voeren.
3. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 22 juni 2001, no.W10.01.0188/II, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
- In de in artikel I, onderdeel A, derde lid, onder f, opgenomen definitie van een CO2-reductieproject "technische voorzieningen" in overeenstemming met de bewoordingen uit artikel 2, onder 11, van richtlijn nr.96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257) wijzigen in: beste beschikbare technieken.
Nader rapport (reactie op het advies) van 22 augustus 2001
Het advies van de Raad van State geeft mij aanleiding het volgende op te merken.
la. Overeenkomstig het advies van de Raad van State is de berekeningsfactor opgenomen in bijlage 1 van het ontwerpbesluit in plaats van in een ministeriële regeling.
Ib. In de tekst, zoals voorgelegd aan de Raad van State, was de definitie van hernieuwbare energiebronnen gedeeltelijk open gelaten in afwachting van de uitkomst van de discussie die in het kader van het vaststellen van een Europese richtlijn betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt op dat moment nog werd gevoerd. inmiddels is duidelijk dat de definitie uit het door de Europese Raad op 23 maart 2001 vastgestelde Gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 18/200 1 (PbEG C 142) door alle lidstaten wordt gedragen. Zoals reeds is aangegeven in de toelichting, zoals voorgelegd aan de Raad van State, vloeit aansluiting bij deze definitie voort uit de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG C37). In tegenstelling tot hetgeen de Raad van State lijkt te veronderstellen is die aansluiting noodzakelijk teneinde te voldoen aan de afspraak die de lidstaten met de Europese Commissie hebben gemaakt, inhoudende dat de steunmaatregelen ten behoeve van het milieu uiterlijk 1 januari 2002 in overeenstemming moeten zijn gebracht met de voornoemde kaderregeling. Gelet op de aansluiting die in dit milieukader wordt gezocht met het voorstel voor een Europese richtlijn betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt, is het om die reden noodzakelijk om de in het voornoemde Gemeenschappelijk Standpunt opgenomen definitie van hernieuwbare energiebronnen op te nemen in onderhavig ontwerpbesluit.
2. Overeenkomstig het advies van de Raad van State is in de toelichting nader aangegeven op welke wijze voldoende inzicht vergaard kan worden om te bepalen of betrokkenen de capaciteiten hebben het CO2-project naar behoren uit te voeren.
3. Aan de redactionele kanttekening van de Raad van State is geen gevolg gegeven, omdat de term "technische voorzieningen" in de definitie van CO2-project ziet op het samenstel van installaties, apparaten, systemen of technieken waaruit het C02-project bestaat, terwijl de term best beschikbare technieken (BAT) betrekking heeft op het technische karakter van deze installaties, apparaten, systemen of technieken. Ter verduidelijking is de nota van toelichting op dit punt aangepast.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting wederom doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Economische Zaken
(1) Onderdeel B. Definitie, en toepassingsgebied, punt 6.
(2) Artikel 2 en de Toelichting, onderdeel 2. Het voorstel nader bekeken, punt 2.5. Definities van het voorstel (artikel 2).