Ontwerpbesluit houdende herstel overdracht van bij Wet van 30 januari 2002 vervallen bevoegdheden ingevolge artikel 1, eerste en derde lid Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor een aantal rijkswateren aan het bestuur van het Zuiveringsschap Limburg en tot aanpassing van een aantal algemene maatregelen van bestuur krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Hersteloverdrachtsbesluit Wvo Limburg), met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W09.03.0500/V
- Datum advies
- 27 januari 2004
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 14 november 2006, nr. 242
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende herstel overdracht van bij Wet van 30 januari 2002 vervallen bevoegdheden ingevolge artikel 1, eerste en derde lid Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor een aantal rijkswateren aan het bestuur van het Zuiveringsschap Limburg en tot aanpassing van een aantal algemene maatregelen van bestuur krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Hersteloverdrachtsbesluit Wvo Limburg), met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 4 december 2003, no. 03.005006 heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende herstel overdracht van bij Wet van 30 januari 2002 vervallen bevoegdheden ingevolge artikel 1, eerste en derde lid Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor een aantal rijkswateren aan het bestuur van het Zuiveringsschap Limburg en tot aanpassing van een aantal algemene maatregelen van bestuur krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Hersteloverdrachtsbesluit Wvo Limburg), met nota van toelichting.
Met het ontwerpbesluit wordt in de vorm van de aanwijzing van een aantal rijkswateren alsnog voorzien in een wettelijke grondslag van de bevoegdheid voor het bestuur van het Zuiveringsschap Limburg tot vergunningverlening op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) voor de periode waarin dit bestuursorgaan daartoe niet meer bevoegd was in verband met de inwerkingtreding op 1 juli 2002 van de Wet van 30 januari 2002, houdende wijziging van enige bepalingen van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in verband met de zuivering van stedelijk afvalwater en toekenning bevoegdheid aan waterschapsbesturen tot vergunningverlening (Stb.2002, 102). Als gevolg van die wijzigingswet zijn artikel 6 Wvo en de daarop gebaseerde Verordening Waterhuishouding Limburg, waarin de bevoegdheid tot vergunningverlening aan het bestuur van het zuiveringsschap was toegekend, komen te vervallen. Aangezien het bestuur van het Zuiveringsschap Limburg van 1 juli 2002 tot en met 31 maart 2003 bevoegdheden op basis van genoemde provinciale verordening heeft uitgeoefend, worden de betrokken rijkswateren waarvoor het bestuur van het zuiveringsschap bevoegd was bij dit ontwerpbesluit met terugwerkend kracht tot en met 1 juli 2002 aangewezen. Ten aanzien van een deel van de hier bedoelde rijkswateren wordt de wettelijke grondslag op basis van een nadere verdeling van rijksbevoegdheden en bevoegdheden van betrokken waterschappen ook voor de periode na 31 maart en voor de toekomst geregeld. De voorgestelde reparatie met terugwerkende kracht tijd heeft ook rechtsgevolgen voor uitoefening van bevoegdheden die het bestuur van het Zuiveringsschap Limburg heeft uitgeoefend op grond van de Wet bodembescherming (Wbb), voorzover die bevoegdheden in die wet zijn gekoppeld aan het zijn van waterkwaliteitsbeheerder ingevolge de Wvo.
De Raad heeft bezwaar tegen de wijze waarop in het ontwerpbesluit de bevoegdheidsgebreken worden gerepareerd. De Raad van State geeft U daarom in overweging niet aldus te besluiten. De Raad doet aanbevelingen waarmee aan het bezwaar van de Raad tegemoet kan worden gekomen.
Naar de mening van de Raad dienen regelgevende en bestuursbevoegdheden een wettelijk basis te hebben op het moment waarop die worden uitgeoefend.
Hij adviseert in navolging van artikel V van het wetsvoorstel tot wijziging van de Landinrichtingswet en enige andere inrichtingswetten(zie noot 1) bij wet in formele zin te bepalen dat, in afwijking van de Wet van 30 januari 2002, houdende wijziging van enige bepalingen van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in verband met de zuivering van stedelijk afvalwater en toekenning bevoegdheid aan waterschapsbesturen tot vergunningverlening (Stb.2002, 102), de op grond van de Verordening Waterhuishouding Limburg aan het bestuur van het Zuiveringsschap Limburg genomen besluiten inzake vergunningverlening wat betreft die grondslag rechtsgeldig zijn genomen. In verband met de samenhang tussen de Wbb en de Wvo zou tevens moeten worden voorzien in een bepaling die ertoe strekt dat in afwijking van artikel 1 Wbb zoals dit artikel in samenhang met de Wet van 30 januari 2002 (Stb. 2002, 102) is komen te luiden, het bestuur van het Zuiveringsschap Limburg ten aanzien van de in de Verordening Waterhuishouding Limburg bedoelde rijkswateren de bevoegdheden van waterkwaliteitsbeheerder als bedoeld in de Wbb heeft uitgeoefend.
Met het oog de wenselijk geachte nadere verdeling van bevoegdheden ten aanzien van bepaalde rijkswateren zou een termijn kunnen worden gesteld voor de gelding van de reparatiewet. In aansluiting daarop zou bij algemene maatregel van bestuur de vergunningverleningbevoegdheid voor de toekomst nader kunnen worden geregeld.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen geen besluit te nemen dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 6 oktober 2006
De Raad heeft bezwaar tegen de wijze waarop in het ontwerpbesluit de bevoegdheid tot vergunningverlening ingevolge artikel 1, eerste en derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de daaraan gekoppelde uitoefening van bevoegdheden op grond van de Wet bodembescherming met terugwerkende kracht worden gerepareerd. De Raad adviseert om de reparatie bij wet in formele zin te bewerkstelligen. Aan dit advies is inmiddels gevolg gegeven door middel van wijziging van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Staatsblad 2005, 28).
Daartoe gemachtigd door de ministerraad moge ik U in overweging geven het hierbij gevoegde ontwerpbesluit overeenkomstig het advies van de Raad van State niet te bekrachtigen en goed te vinden dat het onderhavige nader rapport tezamen met het advies van de Raad van State en het ontwerp-besluit en de daarbij behorende nota van toelichting, zoals deze aan de Raad van State zijn voorgelegd, openbaar wordt gemaakt.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
(1) Kamerstukken I 2003/04, 28 967, A, blz.12.
Met het ontwerpbesluit wordt in de vorm van de aanwijzing van een aantal rijkswateren alsnog voorzien in een wettelijke grondslag van de bevoegdheid voor het bestuur van het Zuiveringsschap Limburg tot vergunningverlening op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) voor de periode waarin dit bestuursorgaan daartoe niet meer bevoegd was in verband met de inwerkingtreding op 1 juli 2002 van de Wet van 30 januari 2002, houdende wijziging van enige bepalingen van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in verband met de zuivering van stedelijk afvalwater en toekenning bevoegdheid aan waterschapsbesturen tot vergunningverlening (Stb.2002, 102). Als gevolg van die wijzigingswet zijn artikel 6 Wvo en de daarop gebaseerde Verordening Waterhuishouding Limburg, waarin de bevoegdheid tot vergunningverlening aan het bestuur van het zuiveringsschap was toegekend, komen te vervallen. Aangezien het bestuur van het Zuiveringsschap Limburg van 1 juli 2002 tot en met 31 maart 2003 bevoegdheden op basis van genoemde provinciale verordening heeft uitgeoefend, worden de betrokken rijkswateren waarvoor het bestuur van het zuiveringsschap bevoegd was bij dit ontwerpbesluit met terugwerkend kracht tot en met 1 juli 2002 aangewezen. Ten aanzien van een deel van de hier bedoelde rijkswateren wordt de wettelijke grondslag op basis van een nadere verdeling van rijksbevoegdheden en bevoegdheden van betrokken waterschappen ook voor de periode na 31 maart en voor de toekomst geregeld. De voorgestelde reparatie met terugwerkende kracht tijd heeft ook rechtsgevolgen voor uitoefening van bevoegdheden die het bestuur van het Zuiveringsschap Limburg heeft uitgeoefend op grond van de Wet bodembescherming (Wbb), voorzover die bevoegdheden in die wet zijn gekoppeld aan het zijn van waterkwaliteitsbeheerder ingevolge de Wvo.
De Raad heeft bezwaar tegen de wijze waarop in het ontwerpbesluit de bevoegdheidsgebreken worden gerepareerd. De Raad van State geeft U daarom in overweging niet aldus te besluiten. De Raad doet aanbevelingen waarmee aan het bezwaar van de Raad tegemoet kan worden gekomen.
Naar de mening van de Raad dienen regelgevende en bestuursbevoegdheden een wettelijk basis te hebben op het moment waarop die worden uitgeoefend.
Hij adviseert in navolging van artikel V van het wetsvoorstel tot wijziging van de Landinrichtingswet en enige andere inrichtingswetten(zie noot 1) bij wet in formele zin te bepalen dat, in afwijking van de Wet van 30 januari 2002, houdende wijziging van enige bepalingen van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in verband met de zuivering van stedelijk afvalwater en toekenning bevoegdheid aan waterschapsbesturen tot vergunningverlening (Stb.2002, 102), de op grond van de Verordening Waterhuishouding Limburg aan het bestuur van het Zuiveringsschap Limburg genomen besluiten inzake vergunningverlening wat betreft die grondslag rechtsgeldig zijn genomen. In verband met de samenhang tussen de Wbb en de Wvo zou tevens moeten worden voorzien in een bepaling die ertoe strekt dat in afwijking van artikel 1 Wbb zoals dit artikel in samenhang met de Wet van 30 januari 2002 (Stb. 2002, 102) is komen te luiden, het bestuur van het Zuiveringsschap Limburg ten aanzien van de in de Verordening Waterhuishouding Limburg bedoelde rijkswateren de bevoegdheden van waterkwaliteitsbeheerder als bedoeld in de Wbb heeft uitgeoefend.
Met het oog de wenselijk geachte nadere verdeling van bevoegdheden ten aanzien van bepaalde rijkswateren zou een termijn kunnen worden gesteld voor de gelding van de reparatiewet. In aansluiting daarop zou bij algemene maatregel van bestuur de vergunningverleningbevoegdheid voor de toekomst nader kunnen worden geregeld.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen geen besluit te nemen dan nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 6 oktober 2006
De Raad heeft bezwaar tegen de wijze waarop in het ontwerpbesluit de bevoegdheid tot vergunningverlening ingevolge artikel 1, eerste en derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de daaraan gekoppelde uitoefening van bevoegdheden op grond van de Wet bodembescherming met terugwerkende kracht worden gerepareerd. De Raad adviseert om de reparatie bij wet in formele zin te bewerkstelligen. Aan dit advies is inmiddels gevolg gegeven door middel van wijziging van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Staatsblad 2005, 28).
Daartoe gemachtigd door de ministerraad moge ik U in overweging geven het hierbij gevoegde ontwerpbesluit overeenkomstig het advies van de Raad van State niet te bekrachtigen en goed te vinden dat het onderhavige nader rapport tezamen met het advies van de Raad van State en het ontwerp-besluit en de daarbij behorende nota van toelichting, zoals deze aan de Raad van State zijn voorgelegd, openbaar wordt gemaakt.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
(1) Kamerstukken I 2003/04, 28 967, A, blz.12.