Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende het Warenwetbesluit Cacao en chocolade.
- Kenmerk
- W13.01.0425/III
- Datum advies
- 11 september 2001
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 11 december 2001, nr 240
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende het Warenwetbesluit Cacao en chocolade.
Bij Kabinetsmissive van 16 augustus 2001, no.01.003804, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Economische Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende het Warenwetbesluit Cacao en chocolade.
Het ontwerpbesluit strekt tot uitvoering van richtlijn 2000/36/EG van 23 juni 2000 inzake cacao- en chocoladeproducten voor menselijke consumptie (PbEG L 197). De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt enkele opmerkingen met betrekking tot de opzet van het besluit. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. In het ontwerpbesluit worden in artikel 1 definities opgenomen van alle producten ten aanzien waarvan in de volgende artikelen eisen worden gesteld. In de richtlijn wordt deze systematiek niet gebruikt en vangt elk artikel waarin eisen aan een product worden gesteld aan met een opsomming van de basisingrediënten. Het gevolg hiervan is dat de eisen opgenomen in de artikelen 3 en 4 van het besluit een bredere werking hebben dan de overeenkomstige bepalingen in bijlage I, deel B, van de richtlijn. De Raad adviseert om het besluit in overeenstemming te brengen met de richtlijn.
2. De productbeschrijvingen in de verschillende artikelen sluiten elkaar niet altijd wederzijds uit. Chocoladepoeder met 33% cacaopoeder en minder dan 20% cacaoboter zou op grond van de artikelen 8, 9 en 10 aangeduid moeten worden met respectievelijk chocoladepoeder, huishoudchocoladepoeder en mager huishoudchocoladepoeder. De Raad adviseert het besluit zodanig te wijzigen dat bij een product met een bepaalde samenstelling slechts één aanduiding wordt voorgeschreven.
3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 11 september 2001, no.W13.01.0425/III, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- Artikel 1, tiende lid, van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen, ingevolge het in artikel 22 voorgestelde vervallen van het negende lid van dit artikel, vernummeren tot negende lid.
- In artikel 8 na "chocoladepoeder" toevoegen: , gesuikerd cacaopoeder of gesuikerde cacao.
Nader rapport (reactie op het advies) van 29 oktober 2001
1. Aan deze opmerking van de Raad is tegemoet gekomen door artikel 3 en artikel 4 zodanig te wijzigen dat de daar vermelde stoffen mogen worden toegevoegd aan op bepaalde wijze aangeduide waren, bedoeld in de artikelen 5 tot en met 12. Deze toegestane toevoegingen zijn nu derhalve niet meer gekoppeld aan de in artikel 1 gedefinieerde waren.
Ook artikel 15 en artikel 18, onder a, zijn aangepast naar aanleiding van deze opmerking van de Raad.
2. In de artikelen 9 en 10 is nu ook een bovengrens opgenomen voor de hoeveelheid cacaopoeder. De aanduiding in de artikelen 8, 9 en 10 sluiten elkaar nu wel wederzijds uit. Ook de artikelen 12 en 13 zijn zodanig aangepast dat de bij die artikelen voorgeschreven aanduidingen elkaar uitsluiten. Voorts is artikel 17 gewijzigd, zodat geen overlapping meer bestaat tussen de aanduidingen in de artikelen 16 en 17.
In de nota van toelichting is hieraan nu een aparte passage gewijd.
3. De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn verwerkt.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om aan de nota van toelichting een passage toe te voegen over artikel 20, onder d, inzake de vermelding van het totale gehalte aan droge cacaobestanddelen. In de die passage wordt ingegaan op de recent bekend geworden interpretatie door de Commissie van de Europese Gemeenschappen van het aan die bepaling te grondslag liggende voorschrift (artikel 3, derde lid) van de richtlijn 2000/36/EG.
Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Economische Zaken, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Het ontwerpbesluit strekt tot uitvoering van richtlijn 2000/36/EG van 23 juni 2000 inzake cacao- en chocoladeproducten voor menselijke consumptie (PbEG L 197). De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt enkele opmerkingen met betrekking tot de opzet van het besluit. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. In het ontwerpbesluit worden in artikel 1 definities opgenomen van alle producten ten aanzien waarvan in de volgende artikelen eisen worden gesteld. In de richtlijn wordt deze systematiek niet gebruikt en vangt elk artikel waarin eisen aan een product worden gesteld aan met een opsomming van de basisingrediënten. Het gevolg hiervan is dat de eisen opgenomen in de artikelen 3 en 4 van het besluit een bredere werking hebben dan de overeenkomstige bepalingen in bijlage I, deel B, van de richtlijn. De Raad adviseert om het besluit in overeenstemming te brengen met de richtlijn.
2. De productbeschrijvingen in de verschillende artikelen sluiten elkaar niet altijd wederzijds uit. Chocoladepoeder met 33% cacaopoeder en minder dan 20% cacaoboter zou op grond van de artikelen 8, 9 en 10 aangeduid moeten worden met respectievelijk chocoladepoeder, huishoudchocoladepoeder en mager huishoudchocoladepoeder. De Raad adviseert het besluit zodanig te wijzigen dat bij een product met een bepaalde samenstelling slechts één aanduiding wordt voorgeschreven.
3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 11 september 2001, no.W13.01.0425/III, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- Artikel 1, tiende lid, van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen, ingevolge het in artikel 22 voorgestelde vervallen van het negende lid van dit artikel, vernummeren tot negende lid.
- In artikel 8 na "chocoladepoeder" toevoegen: , gesuikerd cacaopoeder of gesuikerde cacao.
Nader rapport (reactie op het advies) van 29 oktober 2001
1. Aan deze opmerking van de Raad is tegemoet gekomen door artikel 3 en artikel 4 zodanig te wijzigen dat de daar vermelde stoffen mogen worden toegevoegd aan op bepaalde wijze aangeduide waren, bedoeld in de artikelen 5 tot en met 12. Deze toegestane toevoegingen zijn nu derhalve niet meer gekoppeld aan de in artikel 1 gedefinieerde waren.
Ook artikel 15 en artikel 18, onder a, zijn aangepast naar aanleiding van deze opmerking van de Raad.
2. In de artikelen 9 en 10 is nu ook een bovengrens opgenomen voor de hoeveelheid cacaopoeder. De aanduiding in de artikelen 8, 9 en 10 sluiten elkaar nu wel wederzijds uit. Ook de artikelen 12 en 13 zijn zodanig aangepast dat de bij die artikelen voorgeschreven aanduidingen elkaar uitsluiten. Voorts is artikel 17 gewijzigd, zodat geen overlapping meer bestaat tussen de aanduidingen in de artikelen 16 en 17.
In de nota van toelichting is hieraan nu een aparte passage gewijd.
3. De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn verwerkt.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om aan de nota van toelichting een passage toe te voegen over artikel 20, onder d, inzake de vermelding van het totale gehalte aan droge cacaobestanddelen. In de die passage wordt ingegaan op de recent bekend geworden interpretatie door de Commissie van de Europese Gemeenschappen van het aan die bepaling te grondslag liggende voorschrift (artikel 3, derde lid) van de richtlijn 2000/36/EG.
Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Economische Zaken, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport