Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen.
- Kenmerk
- W13.01.0479/III
- Datum advies
- 25 oktober 2001
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 8 januari 2002, nr 5
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen.
Bij Kabinetsmissive van 17 september 2001, no.01.004371, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Economische Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen.
Het ontwerpbesluit strekt ertoe het handelen in strijd met verordening (EG) 466/2001 strafbaar te stellen en geeft daarnaast uitvoering aan dat deel van Richtlijn nr.2001/22/EG dat betrekking heeft op analysemethoden. De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een drietal technische opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Ingevolge artikel I, onderdeel A, van het ontwerpbesluit worden aan artikel 1 van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen (BBL) de onderdelen h en i toegevoegd. De Raad adviseert rekening te houden met het besluit van 5 juni 2001, Stb. 272, waarbij aan artikel 1, eerste lid, reeds een onderdeel h is toegevoegd.
2. Ingevolge artikel II treedt het besluit in werking met ingang van 8 maart 2002. In artikel 7 van verordening (EG) 466/2001 is evenwel bepaald dat de verordening van toepassing is vanaf 5 april 2002. De Europese Commissie heeft de lidstaten verzocht de datum van 8 maart 2002 te hanteren, aangezien sprake zou zijn van een fout.
Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat "de objectieve draagwijdte van regels van gemeenschapsrecht slechts uit deze regels zelf (kan) volgen" (Zaak 237/84, Commissie vs. België, Jur.1986, bladzijde 1247, r.o. 17). Dit betekent dat uitsluitend een rectificatie in het publicatieblad van de Europese Gemeenschappen of een wijziging van de Verordening zelf tot het bedoelde resultaat kan leiden. Tenzij dat alsnog gebeurt, adviseert de Raad de inwerkingtreding van het besluit te bepalen op 5 april 2002.
3. Ingevolge artikel 7 van verordening (EG) 466/2001 is Bijlage I, delen 3 en 4, niet van toepassing op producten die vóór 5 april 2002 wettelijk in de Gemeenschap in de handel zijn gebracht. Dit betekent dat deze producten niet in elk opzicht behoeven te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 1, eerste lid, 2, derde lid, en 4, tweede en derde lid. Daarin wordt, kort gezegd, het in verkeer brengen van producten die niet voldoen aan Bijlage I verboden. Onderdeel B van het ontwerpbesluit, waarbij aan artikel 2 een negende lid wordt toegevoegd, verbiedt het handelen in strijd met genoemde artikelleden, zonder dat daarbij wat
betreft de delen 3 en 4 van Bijlage I een uitzondering wordt gemaakt voor producten die vóór 5 april 2002 in de handel zijn gebracht.
Het in artikel 2, negende lid, van het ontwerpbesluit achterwege laten van iedere verwijzing naar artikel 7 van de verordening leidt tot onnodige twijfel over het toepassingsbereik van het daarin opgenomen verbod. De Raad adviseert in artikel 2, negende lid, tot uitdrukking te brengen dat het verboden is te handelen in strijd met artikelen 1, 2 en 4 van verordening (EG) 466/2001, een en ander met inachtneming van artikel 7 daarvan.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 22 november 2001
De Raad heeft enkele opmerkingen geplaatst waarop hieronder puntsgewijze wordt ingegaan.
1. Artikel I, onder A, is aangepast overeenkomstig het advies van de Raad.
2. De door de Raad bedoelde rectificatie of wijziging heeft niet plaatsgevonden. De inwerkingtreding van het besluit is daarom overeenkomstig het advies van de Raad bepaald op 5 april 2002.
3. Verordening (EG) 466/2001 is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat van de Europese Unie. Het toepassingsbereik van de verordening blijkt uit de verordening. De door de Raad voorgestelde aanvulling van artikel 2, negende lid, is overbodig, aangezien de betekenis van artikel 7 van de verordening reeds blijkt uit die bepaling. Dit voorstel van de Raad is daarom niet overgenomen. Wel is aan de nota van toelichting een passage toegevoegd over de betekenis van artikel 7 van de verordening.
Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Economische Zaken, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Het ontwerpbesluit strekt ertoe het handelen in strijd met verordening (EG) 466/2001 strafbaar te stellen en geeft daarnaast uitvoering aan dat deel van Richtlijn nr.2001/22/EG dat betrekking heeft op analysemethoden. De Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt een drietal technische opmerkingen. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Ingevolge artikel I, onderdeel A, van het ontwerpbesluit worden aan artikel 1 van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen (BBL) de onderdelen h en i toegevoegd. De Raad adviseert rekening te houden met het besluit van 5 juni 2001, Stb. 272, waarbij aan artikel 1, eerste lid, reeds een onderdeel h is toegevoegd.
2. Ingevolge artikel II treedt het besluit in werking met ingang van 8 maart 2002. In artikel 7 van verordening (EG) 466/2001 is evenwel bepaald dat de verordening van toepassing is vanaf 5 april 2002. De Europese Commissie heeft de lidstaten verzocht de datum van 8 maart 2002 te hanteren, aangezien sprake zou zijn van een fout.
Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat "de objectieve draagwijdte van regels van gemeenschapsrecht slechts uit deze regels zelf (kan) volgen" (Zaak 237/84, Commissie vs. België, Jur.1986, bladzijde 1247, r.o. 17). Dit betekent dat uitsluitend een rectificatie in het publicatieblad van de Europese Gemeenschappen of een wijziging van de Verordening zelf tot het bedoelde resultaat kan leiden. Tenzij dat alsnog gebeurt, adviseert de Raad de inwerkingtreding van het besluit te bepalen op 5 april 2002.
3. Ingevolge artikel 7 van verordening (EG) 466/2001 is Bijlage I, delen 3 en 4, niet van toepassing op producten die vóór 5 april 2002 wettelijk in de Gemeenschap in de handel zijn gebracht. Dit betekent dat deze producten niet in elk opzicht behoeven te voldoen aan het bepaalde in de artikelen 1, eerste lid, 2, derde lid, en 4, tweede en derde lid. Daarin wordt, kort gezegd, het in verkeer brengen van producten die niet voldoen aan Bijlage I verboden. Onderdeel B van het ontwerpbesluit, waarbij aan artikel 2 een negende lid wordt toegevoegd, verbiedt het handelen in strijd met genoemde artikelleden, zonder dat daarbij wat
betreft de delen 3 en 4 van Bijlage I een uitzondering wordt gemaakt voor producten die vóór 5 april 2002 in de handel zijn gebracht.
Het in artikel 2, negende lid, van het ontwerpbesluit achterwege laten van iedere verwijzing naar artikel 7 van de verordening leidt tot onnodige twijfel over het toepassingsbereik van het daarin opgenomen verbod. De Raad adviseert in artikel 2, negende lid, tot uitdrukking te brengen dat het verboden is te handelen in strijd met artikelen 1, 2 en 4 van verordening (EG) 466/2001, een en ander met inachtneming van artikel 7 daarvan.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 22 november 2001
De Raad heeft enkele opmerkingen geplaatst waarop hieronder puntsgewijze wordt ingegaan.
1. Artikel I, onder A, is aangepast overeenkomstig het advies van de Raad.
2. De door de Raad bedoelde rectificatie of wijziging heeft niet plaatsgevonden. De inwerkingtreding van het besluit is daarom overeenkomstig het advies van de Raad bepaald op 5 april 2002.
3. Verordening (EG) 466/2001 is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat van de Europese Unie. Het toepassingsbereik van de verordening blijkt uit de verordening. De door de Raad voorgestelde aanvulling van artikel 2, negende lid, is overbodig, aangezien de betekenis van artikel 7 van de verordening reeds blijkt uit die bepaling. Dit voorstel van de Raad is daarom niet overgenomen. Wel is aan de nota van toelichting een passage toegevoegd over de betekenis van artikel 7 van de verordening.
Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Economische Zaken, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport