Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering in verband met de inwerkingtreding van de wet van 13 december 2000, houdende wijziging van enige wetten teneinde de aanspraak jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen afhankelijk te maken van het in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen gegeven omtrent het adres van een ingezetene (Stb.2001, 67).
- Kenmerk
- W13.01.0519/III
- Datum advies
- 9 november 2001
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 8 januari 2002, nr 5
- Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering in verband met de inwerkingtreding van de wet van 13 december 2000, houdende wijziging van enige wetten teneinde de aanspraak jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen afhankelijk te maken van het in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen gegeven omtrent het adres van een ingezetene (Stb.2001, 67).
Bij Kabinetsmissive van 12 oktober 2001, no.01.004799, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekering in verband met de inwerkingtreding van de wet van 13 december 2000, houdende wijziging van enige wetten teneinde de aanspraak jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen afhankelijk te maken van het in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen gegeven omtrent het adres van een ingezetene (Stb.2001, 67).
Met de (nog niet in werking getreden) wijziging van artikel 5 van de Ziekenfondswet(zie noot 1) wordt de inschrijving van een medeverzekerde door het ziekenfonds eerst mogelijk nadat uit de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie (GBA) is gebleken dat de hoofdverzekerde en de medeverzekerde op hetzelfde adres wonen, behoudens in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen. Het ontwerpbesluit omschrijft deze uitzonderingsgevallen in algemene termen. Het betreft situaties waarin:
a. de afwijking in het adresgegeven de medeverzekerde redelijkerwijs niet kan worden verweten, of
b. de medeverzekerde geacht wordt tot het huishouden van de verzekerde te behoren.
De Raad van State maakt opmerkingen zowel met betrekking tot de onder a als met betrekking tot de onder b omschreven situatie. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. In de nota van toelichting wordt met betrekking tot het in artikel 8, onder a, genoemde geval betoogd dat gedacht moet worden aan de situatie waarin de inschrijving op een afwijkend adres niet aan de betrokkene kan worden verweten, bijvoorbeeld wanneer als gevolg van administratieve procedures het juiste adres nog niet is verwerkt. De Raad merkt echter op, dat de formulering van de bepaling zodanig is dat deze strikt genomen niet alleen betrekking heeft op situaties waarin personen die wel met de hoofdverzekerde op hetzelfde adres wonen, niet op hetzelfde adres staan ingeschreven. Deze formulering omvat ook de situatie
waarin één of meer betrokken medeverzekerden op een ander adres dan de hoofdverzekerde staan ingeschreven, terwijl zij ook daadwerkelijk op een ander adres wonen. Aangezien de laatste situatie mede gelet op de toelichting, met artikel 8, onder a, niet beoogd is, adviseert de Raad de uitzondering in artikel 8, onder a, nauwkeuriger te redigeren.
2. Ter toelichting op de uitzonderingsgrond onder b wordt gewezen op situaties waarin de verzekerde en de medeverzekerde weliswaar feitelijk niet op één adres wonen, maar zij wel geacht worden een gezamenlijke huishouding te voeren, bijvoorbeeld wanneer iemand (tijdelijk) is opgenomen in een verpleeghuis. De nota van toelichting wijst in dit verband op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.
De Raad merkt op dat ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Ziekenfondswet (voorzover hier van belang) als voorwaarde voor medeverzekering geldt, dat de betrokken partner behoort tot het huishouden van de (hoofd)verzekerde. De in het ontwerpbesluit opgenomen uitzonderingsclausule onder b bepaald van diezelfde persoon dat deze geacht wordt tot het huishouden van de verzekerde te behoren en sluit daardoor niet aan op de laatstbedoelde bepaling van de Ziekenfondswet.
De Raad adviseert in de lijn van de toelichting de clausule onder b van artikel 8 zodanig te formuleren dat de uitzondering alleen geldt voor degenen die wel behoren tot het huishouden van de hoofdverzekerde en die derhalve op grond van artikel 4, eerste lid, van de Ziekenfondswet medeverzekerde zijn, maar die tijdelijk niet op hetzelfde adres wonen als de hoofdverzekerde.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 21 november 2001
1. De Raad van State heeft geadviseerd de tekst van artikel 8, onderdeel a, nauwkeuriger te redigeren teneinde duidelijker tot uitdrukking te brengen dat bedoeld is dat iemand die op een ander adres dan de hoofdverzekerde is ingeschreven, daadwerkelijk op het adres van de hoofdverzekerde moet wonen teneinde te kunnen worden ingeschreven. De tekst en de toelichting zijn overeenkomstig aangepast.
2. De tekst van artikel 8, onderdeel b, van het Inschrijvingsbesluit is overeenkomstig het advies van de Raad van State aangepast.
Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt een wijziging van artikel 22 van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekeringen op te nemen, waarbij het schadebedrag bij onrechtmatige inschrijving wordt aangepast. Hiermee wordt bereikt dat dit bedrag meer in overeenstemming is met de feitelijke kosten die de ziekenfondsverzekering maakt en het risico dat een ziekenfonds loopt gedurende de periode van onrechtmatige inschrijving. Deze maatregel werkt begunstigend voor betrokkenen.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(1) Artikel VIII van de wet van 13 december 2000, houdende wijziging van enige wetten teneinde de aanspraak jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen afhankelijk te maken van het in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen gegeven omtrent het adres van een ingezetene (Stb.2000, 67).
Met de (nog niet in werking getreden) wijziging van artikel 5 van de Ziekenfondswet(zie noot 1) wordt de inschrijving van een medeverzekerde door het ziekenfonds eerst mogelijk nadat uit de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie (GBA) is gebleken dat de hoofdverzekerde en de medeverzekerde op hetzelfde adres wonen, behoudens in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen. Het ontwerpbesluit omschrijft deze uitzonderingsgevallen in algemene termen. Het betreft situaties waarin:
a. de afwijking in het adresgegeven de medeverzekerde redelijkerwijs niet kan worden verweten, of
b. de medeverzekerde geacht wordt tot het huishouden van de verzekerde te behoren.
De Raad van State maakt opmerkingen zowel met betrekking tot de onder a als met betrekking tot de onder b omschreven situatie. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. In de nota van toelichting wordt met betrekking tot het in artikel 8, onder a, genoemde geval betoogd dat gedacht moet worden aan de situatie waarin de inschrijving op een afwijkend adres niet aan de betrokkene kan worden verweten, bijvoorbeeld wanneer als gevolg van administratieve procedures het juiste adres nog niet is verwerkt. De Raad merkt echter op, dat de formulering van de bepaling zodanig is dat deze strikt genomen niet alleen betrekking heeft op situaties waarin personen die wel met de hoofdverzekerde op hetzelfde adres wonen, niet op hetzelfde adres staan ingeschreven. Deze formulering omvat ook de situatie
waarin één of meer betrokken medeverzekerden op een ander adres dan de hoofdverzekerde staan ingeschreven, terwijl zij ook daadwerkelijk op een ander adres wonen. Aangezien de laatste situatie mede gelet op de toelichting, met artikel 8, onder a, niet beoogd is, adviseert de Raad de uitzondering in artikel 8, onder a, nauwkeuriger te redigeren.
2. Ter toelichting op de uitzonderingsgrond onder b wordt gewezen op situaties waarin de verzekerde en de medeverzekerde weliswaar feitelijk niet op één adres wonen, maar zij wel geacht worden een gezamenlijke huishouding te voeren, bijvoorbeeld wanneer iemand (tijdelijk) is opgenomen in een verpleeghuis. De nota van toelichting wijst in dit verband op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.
De Raad merkt op dat ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Ziekenfondswet (voorzover hier van belang) als voorwaarde voor medeverzekering geldt, dat de betrokken partner behoort tot het huishouden van de (hoofd)verzekerde. De in het ontwerpbesluit opgenomen uitzonderingsclausule onder b bepaald van diezelfde persoon dat deze geacht wordt tot het huishouden van de verzekerde te behoren en sluit daardoor niet aan op de laatstbedoelde bepaling van de Ziekenfondswet.
De Raad adviseert in de lijn van de toelichting de clausule onder b van artikel 8 zodanig te formuleren dat de uitzondering alleen geldt voor degenen die wel behoren tot het huishouden van de hoofdverzekerde en die derhalve op grond van artikel 4, eerste lid, van de Ziekenfondswet medeverzekerde zijn, maar die tijdelijk niet op hetzelfde adres wonen als de hoofdverzekerde.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 21 november 2001
1. De Raad van State heeft geadviseerd de tekst van artikel 8, onderdeel a, nauwkeuriger te redigeren teneinde duidelijker tot uitdrukking te brengen dat bedoeld is dat iemand die op een ander adres dan de hoofdverzekerde is ingeschreven, daadwerkelijk op het adres van de hoofdverzekerde moet wonen teneinde te kunnen worden ingeschreven. De tekst en de toelichting zijn overeenkomstig aangepast.
2. De tekst van artikel 8, onderdeel b, van het Inschrijvingsbesluit is overeenkomstig het advies van de Raad van State aangepast.
Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt een wijziging van artikel 22 van het Inschrijvingsbesluit ziekenfondsverzekeringen op te nemen, waarbij het schadebedrag bij onrechtmatige inschrijving wordt aangepast. Hiermee wordt bereikt dat dit bedrag meer in overeenstemming is met de feitelijke kosten die de ziekenfondsverzekering maakt en het risico dat een ziekenfonds loopt gedurende de periode van onrechtmatige inschrijving. Deze maatregel werkt begunstigend voor betrokkenen.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(1) Artikel VIII van de wet van 13 december 2000, houdende wijziging van enige wetten teneinde de aanspraak jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen afhankelijk te maken van het in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens opgenomen gegeven omtrent het adres van een ingezetene (Stb.2000, 67).