Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (veiligheid en gezondheid van werknemers in de mijnbouwsector; werken onder overdruk en enige andere wijzigingen).
- Kenmerk
- W12.02.0467/IV
- Datum advies
- 29 november 2002
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 14 januari 2003, nr 9
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (veiligheid en gezondheid van werknemers in de mijnbouwsector; werken onder overdruk en enige andere wijzigingen).
Bij Kabinetsmissive van 29 oktober 2002, no.02.004879, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte, mede namens de Minister van Economische Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (veiligheid en gezondheid van werknemers in de mijnbouwsector; werken onder overdruk en enige andere wijzigingen).
Het ontwerpbesluit strekt ertoe de bepalingen met betrekking tot de arbeidsomstandigheden in de mijnbouwwetgeving over te brengen naar het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit).
De Raad van State maakt opmerkingen die in het bijzonder betrekking hebben op delegatie en die welke implementatie betreffen.
In verband daarmee is hij van oordeel dat het ontwerpbesluit aanpassing behoeft.
1. Delegatie
Ingevolge artikel I, onderdeel E, van het ontwerpbesluit wordt artikel 1.5e, eerste lid, Arbobesluit zodanig gewijzigd dat een certificaat wordt afgegeven indien wordt voldaan aan bij dit besluit of bij ministeriële regeling met betrekking tot het certificaat gestelde eisen.
In de toelichting staat dat het eerste lid van artikel 1.5e juridisch-technisch zodanig gewijzigd is dat het beoogde doel kan worden gerealiseerd.
Gelet op de geldende tekst van artikel 1.5e, die nauwkeurig aansluit bij de bewoordingen van artikel 20 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Arbowet 1998), ziet de Raad geen noodzaak tot aanpassing.
Overeenkomstig hetgeen de wetgever voor ogen stond, zoals blijkt uit de toelichting bij artikel 20 Arbowet 1998(zie noot 1), zijn de hoofdlijnen en de kaders van het certificatiesysteem in een algemene maatregel van bestuur (Arbobesluit) vastgelegd, en heeft uitwerking daarvan in een ministeriële regeling plaatsgevonden.
De geldende bewoordingen van artikel 20 Arbowet 1998 (en het daarop aansluitende artikel 1.5e Arbobesluit) betekenen dan ook dat tevens voldaan moet worden aan de eisen gesteld bij of krachtens de wet, alsmede die uit hoofde van nadere uitwerking zijn opgenomen in een ministeriële regeling. De voorgestelde wijziging, omschreven als "juridisch technisch", is niet nodig en overigens ook niet toegelicht.
In dit verband wijst de Raad erop dat een ministeriële regeling niet het kader is voor het regelen van aangelegenheden, die niet meer kunnen worden aangemerkt als voorschriften van administratieve aard of uitwerking van details. Evenmin kan het vaststellen van certificeringsregelingen buiten het kader van de ministeriële regeling plaatsvinden(zie noot 2), in verband met het gevaar van ongeoorloofde delegatie.
Gelet op het vorenstaande adviseert de Raad geen wijziging aan te brengen in artikel 1.5e, eerste lid, Arbobesluit.
2. Implementatie
Uit de toelichting bij artikel 6.15a (artikel I, onderdeel AO) blijkt dat het nieuwe artikel 6.15a een nadere concretisering bevat van de keuringsverplichtingen ingevolge artikel 7.4a en als een (gedeeltelijke) implementatie van artikel 4bis van richtlijn 95/63/EG van de Raad van de Europese Unie van 5 december 1995 (PbEG 1995, L 335) tot wijziging van richtlijn 89/655/EG betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats. De afstemming met artikel 7.4a heeft ertoe geleid dat het eerste tot en met het derde lid van dat artikel niet meer van toepassing is op duik- en caissonsystemen (Artikel I, onderdeel AX).
Het is de Raad opgevallen dat artikel 6.15a, eerste lid, in tegenstelling tot artikel 7.4a, eerste en tweede lid, en in afwijking van artikel 4bis, eerste lid, van genoemde richtlijn, geen melding maakt van een keuring na de installatie en na montage op een nieuwe locatie of een nieuwe plek.
De Raad adviseert bij de formulering van artikel 6.15a en die van artikel 7.4a nauwkeurig aan te sluiten bij de richtlijn en de toelichting hierop aan te passen.
3. Overige aanpassingen
a. In het nieuwe vijfde lid van artikel 1.5e (artikel I, onderdeel E) wordt in afwijking van hetgeen de toelichting op dit artikellid vermeldt geen mogelijkheid geboden tot het niet (meer) verlengen van een certificaat in gevallen dat de veiligheid of de gezondheid van de werknemers of derden in gevaar komt.
De Raad adviseert de tekst en de toelichting met elkaar in overeenstemming te brengen.
b. Het vijfde tot en met het zevende lid van artikel 6.15a (artikel I, onderdeel AO) vermelden wel het opstellen van een rapport na het onderzoek, de beproeving en de keuring en het bewaren en tonen van de genoemde documenten en het certificaat, maar maken geen melding van het afgeven van de rapporten en het certificaat (en aanvullingen daarop) indien aan de eisen wordt voldaan.(zie noot 3)
Voorts is niet voorzien in een juiste aansluiting van het zesde lid van artikel 7.4a (artikel I, onderdeel AX) op het zevende lid van artikel 6.15a, dat dezelfde materie regelt.
De Raad geeft in overweging genoemde artikelen aan te passen.
c. Ingevolge artikel 6.31 (artikel I, onderdeel AW) kunnen voor leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen in afwijking van artikel 6.16, zesde lid, bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. Aangezien het blijkens de toelichting op dit artikel de bedoeling is aan te geven in welke gevallen deze leerlingen en studenten niet in het bezit hoeven te zijn van een certificaat duikarbeid, is hier geen sprake van een nadere uitwerking, maar van een uitzondering op een belangrijk voorschrift.
Derhalve adviseert de Raad deze uitzondering in het ontwerpbesluit zelf op te nemen.
d. Op grond van artikel 7.36b, zesde lid, (artikel I, onderdeel AY) kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot bepaalde hijs- en hefwerktuigen.
Aangezien het voorschrift ruim is geformuleerd, te weten als een aanvulling op artikel 7.18b, en noch uit de tekst noch uit de toelichting duidelijk wordt aan welke nadere uitwerkingsvoorschriften gedacht moet worden, ontbreekt een inhoudelijk kader.
De Raad geeft in overweging de voorschriften op te nemen in het ontwerpbesluit en zo nodig te voorzien in detailuitwerking op ministerieel niveau.
4 Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 29 november 2002, no.W12.02.0467/IV, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In de aanhef ook verwijzen naar artikel 20 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998.
- In Artikel I, onderdeel A, de daar bedoelde wijziging ook aanbrengen in het opschrift van de artikelen 4.2 en 4.2a en in de artikelen 2.27, eerste lid, onder e, 2.42, tweede lid, onder a, en 4.97, eerste lid, aanhef. Voorts de vermelding van artikel 4.2, eerste en vijfde lid, schrappen omdat de wijziging reeds is aangebracht.
- De in artikel I, onderdeel B, aangebrachte wijziging in artikel 2.23, onderdelen b en c, in een apart artikel opnemen voorafgaand aan artikel 2.24.
- In artikel 2.42a, tweede lid, "voorwaarden" wijzigen in: voorschriften.
- In de voorgestelde wijziging in artikel I, onderdeel Z, de verwijzing naar artikel 3.34 aanvullen met: tweede lid,.
- In artikel 6.15a, zesde en zevende lid, aanwijzing 82 in acht nemen en in het zevende lid tevens verwijzen naar het zesde lid.
- In artikel 6.17, eerste lid, een onderverdeling aanbrengen omwille van de leesbaarheid.
- In de artikelen 6.18, derde lid, en 6.20, derde lid, eenzelfde opzet gebruiken.
- In artikel I, onderdeel AZ, subonderdeel 3, de verwijzing naar de artikelen 6.18, vierde lid, en 6.20, vierde lid, wijzigen in: 6.18, tweede lid, en 6.20, tweede lid.
- In artikel 9.9a, onderdelen 1 en 3, niet spreken van "in numerieke rangschikking tussengevoegd", maar van: aan het slot toegevoegd.
- In artikel 9.9b, onderdeel 2, de verwijzing naar artikel 3.13, tiende lid, schrappen (is reeds opgenomen in de artikelen 3.11 tot en met 3.15).
- In artikel 9.9b, onderdeel 4, de verwijzing naar artikel 6.16, tweede lid, zodanig aanpassen dat in het bedoelde artikelonderdeel de woorden "artikel 6.16" niet worden geschrapt.
Nader rapport (reactie op het advies) van 13 december 2002
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan zijn opmerkingen aandacht zal zijn geschonken. De Raad van State heeft een zestal opmerkingen gemaakt, waarop hieronder puntsgewijs zal worden ingegaan. De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn overgenomen.
1. De Raad adviseert de voorgestelde wijziging van artikel 1.5e, eerste lid, achterwege te laten. De voorgestelde wijziging had enkel tot doel om de terminologie "bij of krachtens de wet" in dit artikel van het besluit te verhelderen door aan te geven dat het hierbij gaat om eisen met betrekking tot het certificaat in het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling. Geconstateerd wordt dat de gebruikte terminologie tevens de mogelijkheid omvat om, uit hoofde van nadere uitwerking, bij ministeriële regeling aan de afgifte van het certificaat nadere eisen te stellen. Gelet hierop wordt het advies van de Raad overgenomen.
2. De Raad wijst op de verplichte implementatie van artikel 4 bis van de Richtlijn 95/63 EEG van de Raad van de Europese Unie van 5 december 1995 (wijzigingsrichtlijn arbeidsmiddelen). Door het opnemen in artikel 7.4a, negende lid, van een nieuw
onderdeel a, in het aan de Raad voorgelegde ontwerpbesluit was de verplichting van artikel 4 bis van de richtlijn om arbeidsmiddelen aan een keuring te onderwerpen na elke montage op een nieuwe locatie of een nieuwe plek niet van toepassing op duik- en caissonsystemen. Deze omissie is thans rechtgezet door het opnemen in artikel 7.4a van een nieuw tiende lid. Op grond hiervan is het noodzakelijk dat duik- en caissonsystemen na elke montage op een nieuwe locatie of een nieuwe plek onderworpen worden aan een keuring door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling als bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid. Voorts is de toelichting naar aanleiding hiervan aangepast.
3a. De Raad adviseert de tekst en toelichting van artikel 1.5, vijfde lid, met elkaar in overeenstemming te brengen. In de tekst van het vijfde lid is onder andere tot uitdrukking gebracht dat een certificaat kan worden geweigerd in de in dit lid bedoelde situaties. Een certificaat wordt op grond van artikel 20 van de wet voor een bepaalde tijd verleend. De mogelijkheid om een certificaat niet te verlenen omvat ook de situatie dat een certificaat niet wordt verlengd, indien een eerder certificaat is verlopen. De toelichting op het vijfde lid is op dit punt aangevuld. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in de tekst van het vijfde lid de terminologie "certificaat van vakbekwaamheid" te wijzigen in "certificaat" omdat een certificaat niet steeds betrekking hoeft te hebben op vakbekwaamheidseisen.
3b. Naar aanleiding van de gemaakte opmerkingen van de Raad over artikel 6.15a inzake de certificering van duik- en caissonsystemen is een nieuw zevende lid ingevoerd op grond waarvan een certificaat van goedkeuring en het hierbij behorende rapport wordt afgegeven indien door de certificerende instelling is vastgesteld dat een duik- en caissonsysteem met hun toebehoren voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde criteria. De toelichting op artikel 6.15a is hiermee in overeenstemming gebracht. Om een ongewenste samenloop tussen artikel 6.15a, achtste lid (beschikbaar houden van documenten en het tonen aan toezichthouders), met artikel 7.4a, zesde lid, te vermijden is dit laatste lid bij artikel 7.4a, tiende lid, niet van toepassing verklaard op duik- en caissonsystemen. Op grond van artikel 6.15a, achtste lid, dient, naast de keuringsresultaten, ook een afschrift van het certificaat te worden bewaard en zo nodig te worden getoond.
3c. Naar aanleiding van het advies van de Raad om in artikel 6.31 (artikel I, onderdeel AY) aan te geven in welke gevallen leerlingen en studenten niet in het bezit hoeven te zijn van een certificaat duikarbeid zijn in artikel 6.31, eerste lid, de voorwaarden opgenomen waaraan een leerling of student moet voldoen om zonder in het bezit te zijn van een certificaat duikarbeid toch duikarbeid te verrichten. Zo moet het gaan om wetenschappelijk onderzoek. Hierbij geldt wel als voorwaarde dat de duikwerkzaamheden van lichte aard zijn en dat een leerling of een student als aanvullend lid van een duikploeg functioneert. Op grond van het tweede lid moet een leerling of een student in het bezit zijn van een bij ministeriële regeling aan te wijzen sportduikbrevet. Het derde lid maakt het mogelijk dat er in de Arboregeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de duikwerkzaamheden die worden verricht door een leerling of een student.
3d. In artikel 7.36b, zesde lid, is een delegatiebepaling opgenomen met betrekking tot bepaalde hijs- en hefwerktuigen die worden gebruikt in de winningsindustrie met behulp van boringen. De Raad geeft in overweging de voorschiften in het besluit op te nemen en zo nodig te voorzien in detailuitwerking op ministerieel niveau. Dit heeft aanleiding gegeven artikel 7.36 zodanig te wijzigen dat in een nieuw zesde lid het gebruik van deze hijs- en hefwerktuigen op boorinstallaties is geclausuleerd. In een nieuw zevende lid wordt met betrekking tot het veilig gebruik van deze hijs- en hefwerktuigen een delegatiemogelijkheid gegeven. Bij ministeriële regeling kunnen derhalve organisatorische maatregelen worden voorgeschreven die in acht moeten worden genomen bij het gebruik van deze arbeidsmiddelen. Naar aanleiding van deze wijziging is de toelichting op artikel 7.36b hiermee in overeenstemming gebracht.
4. Voorts wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om het ontwerpbesluit en de toelichting op een aantal punten te wijzigen, als volgt.
• In artikel 2.41, vierde lid wordt "artikel 24, eerste lid" vervangen door: artikel 24. Door deze wijziging is het mogelijk dat naast de ambtenaren ressorterende onder de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook ambtenaren ressorterende onder een andere minister worden aangewezen. Met betrekking tot artikel 2.41, vierde lid, kan hierbij gedacht worden aan de ambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen van het Ministerie van Economische Zaken.
• Artikel 3.37w van het ontwerpbesluit zoals dat aan de Raad is voorgelegd (Artikel I, onderdeel AC) is geschrapt. Deze bepaling maakte het mogelijk om bij ministeriële regeling met betrekking tot de artikelen 3.37q tot en met 3.37v nadere regels te stellen. Aangezien geen gebruik van deze mogelijkheid zal worden gemaakt in de wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling, die naar verwachting ook met ingang van I januari 2003 in werking zal treden, is artikel 3.37w geschrapt. Uitzondering hierop vormt artikel 3.37v (noodplan). In dit artikel is dan ook een vierde lid opgenomen dat het mogelijk maakt om in de Arbeidsomstandighedenregeling nadere regels te stellen met betrekking tot het noodplan. Voorts is de toelichting bij artikel 3.37w geschrapt en is de toelichting bij artikel 3.37v naar aanleiding hiervan aangepast. Het schrappen van artikel 3.37w heeft tevens een wijziging in het ontwerpbesluit van de artikelen 9.9b (beboetbare feiten van de eerste categorie) en 9.9c (beboetbare feiten van de tweede categorie) met zich mee gebracht.
• In artikel 6.19, tweede lid, wordt "artikel 24, eerste lid" vervangen door: artikel 24. Zie voor een nadere toelichting, de toelichting bij de wijziging van artikel 2.41, vierde lid.
• In artikel 9.3 inzake de werknemersverplichtingen was verzuimd om de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2.42g (veiligheidsoefeningen) en 4.8, vierde lid (explosieve stoffen), hieraan toe te voegen. Deze omissie is hersteld.
• De artikelen 9.9b en 9.9c zijn op enkele punten gewijzigd, als volgt:
- artikel 2.42, vijfde lid, is geschrapt in de opsomming van artikel 9.9b (beboetbare feiten van de eerste categorie): hierbij gaat het om een administratieve verplichting die niet voor een bestuurlijke sanctionering in aanmerking komt;
- artikel 6.17, vierde lid, is geschrapt in de opsomming van artikel 9.9b (beboetbare feiten van de eerste categorie): dit artikelonderdeel betreft een uitzonderingsbepaling die niet voor een bestuurlijke sanctionering in aanmerking komt;
- de artikelen 3.4, 3.5, 3.11, 3.12 en 3.13 zijn toegevoegd aan de opsomming van artikeI 9.9b, eerste lid, onderdeel j, (beboetbare feiten van de eerste categorie): het gaat hierbij om bepalingen van de Arbeidsomstandighedenregeling die met ingang van I januari 2003 van kracht worden en op grond van artikel 9.9b, eerste lid, onderdeel j, beboetbaar worden gesteld. De toelichting is naar aanleiding van deze wijziging aangepast.
- artikel 3.37q, tweede en vierde lid, zijn geschrapt in de opsomming van artikel 9.9c (beboetbare feiten van de tweede categorie): deze leden betreffen een uitwerking van het eerste lid van dit artikel dat reeds beboetbaar is gesteld.
- artikel 7.36b, zesde lid, is toegevoegd aan de opsomming van artikel 9.9c (beboetbare feiten van de tweede categorie). Naar aanleiding van de opmerking van de Raad in punt 3, onderdeel d, is een nieuw zesde lid aan artikel 7.36b toegevoegd (zie hiervoor onder punt 3d). Gelet hierop is artikel 9.9c hiermee in overeenstemming gebracht.
• De artikelen 9.19 en 9.22 zijn in overeenstemming gebracht met de wijzigingen die uit het onderhavige besluit voortvloeien.
Ik moge u hierbij, mede namens de Minister van Economische Zaken, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(1) Kamerstukken II 1997/98, 25 879, nr.3, blz.21, 22: gelet op de wettelijke eis tot het bezit van een certificaat moet bij of krachtens de wet voorzien worden in onder meer de normen die voor de vereiste deskundigheid worden aangelegd, de wijze waarop deze getoetst wordt en door wie getoetst wordt.
(2) Daarbij kan gedacht worden aan de dynamische verwijzing naar normen van niet-publiekrechtelijke aard, genoemd in aanwijzing 92 van de Aanwijzingen voor de regelgeving .
(3) Zie bijvoorbeeld artikel 7.19, tiende lid.
Het ontwerpbesluit strekt ertoe de bepalingen met betrekking tot de arbeidsomstandigheden in de mijnbouwwetgeving over te brengen naar het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit).
De Raad van State maakt opmerkingen die in het bijzonder betrekking hebben op delegatie en die welke implementatie betreffen.
In verband daarmee is hij van oordeel dat het ontwerpbesluit aanpassing behoeft.
1. Delegatie
Ingevolge artikel I, onderdeel E, van het ontwerpbesluit wordt artikel 1.5e, eerste lid, Arbobesluit zodanig gewijzigd dat een certificaat wordt afgegeven indien wordt voldaan aan bij dit besluit of bij ministeriële regeling met betrekking tot het certificaat gestelde eisen.
In de toelichting staat dat het eerste lid van artikel 1.5e juridisch-technisch zodanig gewijzigd is dat het beoogde doel kan worden gerealiseerd.
Gelet op de geldende tekst van artikel 1.5e, die nauwkeurig aansluit bij de bewoordingen van artikel 20 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Arbowet 1998), ziet de Raad geen noodzaak tot aanpassing.
Overeenkomstig hetgeen de wetgever voor ogen stond, zoals blijkt uit de toelichting bij artikel 20 Arbowet 1998(zie noot 1), zijn de hoofdlijnen en de kaders van het certificatiesysteem in een algemene maatregel van bestuur (Arbobesluit) vastgelegd, en heeft uitwerking daarvan in een ministeriële regeling plaatsgevonden.
De geldende bewoordingen van artikel 20 Arbowet 1998 (en het daarop aansluitende artikel 1.5e Arbobesluit) betekenen dan ook dat tevens voldaan moet worden aan de eisen gesteld bij of krachtens de wet, alsmede die uit hoofde van nadere uitwerking zijn opgenomen in een ministeriële regeling. De voorgestelde wijziging, omschreven als "juridisch technisch", is niet nodig en overigens ook niet toegelicht.
In dit verband wijst de Raad erop dat een ministeriële regeling niet het kader is voor het regelen van aangelegenheden, die niet meer kunnen worden aangemerkt als voorschriften van administratieve aard of uitwerking van details. Evenmin kan het vaststellen van certificeringsregelingen buiten het kader van de ministeriële regeling plaatsvinden(zie noot 2), in verband met het gevaar van ongeoorloofde delegatie.
Gelet op het vorenstaande adviseert de Raad geen wijziging aan te brengen in artikel 1.5e, eerste lid, Arbobesluit.
2. Implementatie
Uit de toelichting bij artikel 6.15a (artikel I, onderdeel AO) blijkt dat het nieuwe artikel 6.15a een nadere concretisering bevat van de keuringsverplichtingen ingevolge artikel 7.4a en als een (gedeeltelijke) implementatie van artikel 4bis van richtlijn 95/63/EG van de Raad van de Europese Unie van 5 december 1995 (PbEG 1995, L 335) tot wijziging van richtlijn 89/655/EG betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats. De afstemming met artikel 7.4a heeft ertoe geleid dat het eerste tot en met het derde lid van dat artikel niet meer van toepassing is op duik- en caissonsystemen (Artikel I, onderdeel AX).
Het is de Raad opgevallen dat artikel 6.15a, eerste lid, in tegenstelling tot artikel 7.4a, eerste en tweede lid, en in afwijking van artikel 4bis, eerste lid, van genoemde richtlijn, geen melding maakt van een keuring na de installatie en na montage op een nieuwe locatie of een nieuwe plek.
De Raad adviseert bij de formulering van artikel 6.15a en die van artikel 7.4a nauwkeurig aan te sluiten bij de richtlijn en de toelichting hierop aan te passen.
3. Overige aanpassingen
a. In het nieuwe vijfde lid van artikel 1.5e (artikel I, onderdeel E) wordt in afwijking van hetgeen de toelichting op dit artikellid vermeldt geen mogelijkheid geboden tot het niet (meer) verlengen van een certificaat in gevallen dat de veiligheid of de gezondheid van de werknemers of derden in gevaar komt.
De Raad adviseert de tekst en de toelichting met elkaar in overeenstemming te brengen.
b. Het vijfde tot en met het zevende lid van artikel 6.15a (artikel I, onderdeel AO) vermelden wel het opstellen van een rapport na het onderzoek, de beproeving en de keuring en het bewaren en tonen van de genoemde documenten en het certificaat, maar maken geen melding van het afgeven van de rapporten en het certificaat (en aanvullingen daarop) indien aan de eisen wordt voldaan.(zie noot 3)
Voorts is niet voorzien in een juiste aansluiting van het zesde lid van artikel 7.4a (artikel I, onderdeel AX) op het zevende lid van artikel 6.15a, dat dezelfde materie regelt.
De Raad geeft in overweging genoemde artikelen aan te passen.
c. Ingevolge artikel 6.31 (artikel I, onderdeel AW) kunnen voor leerlingen en studenten in onderwijsinrichtingen in afwijking van artikel 6.16, zesde lid, bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. Aangezien het blijkens de toelichting op dit artikel de bedoeling is aan te geven in welke gevallen deze leerlingen en studenten niet in het bezit hoeven te zijn van een certificaat duikarbeid, is hier geen sprake van een nadere uitwerking, maar van een uitzondering op een belangrijk voorschrift.
Derhalve adviseert de Raad deze uitzondering in het ontwerpbesluit zelf op te nemen.
d. Op grond van artikel 7.36b, zesde lid, (artikel I, onderdeel AY) kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot bepaalde hijs- en hefwerktuigen.
Aangezien het voorschrift ruim is geformuleerd, te weten als een aanvulling op artikel 7.18b, en noch uit de tekst noch uit de toelichting duidelijk wordt aan welke nadere uitwerkingsvoorschriften gedacht moet worden, ontbreekt een inhoudelijk kader.
De Raad geeft in overweging de voorschriften op te nemen in het ontwerpbesluit en zo nodig te voorzien in detailuitwerking op ministerieel niveau.
4 Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 29 november 2002, no.W12.02.0467/IV, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- In de aanhef ook verwijzen naar artikel 20 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998.
- In Artikel I, onderdeel A, de daar bedoelde wijziging ook aanbrengen in het opschrift van de artikelen 4.2 en 4.2a en in de artikelen 2.27, eerste lid, onder e, 2.42, tweede lid, onder a, en 4.97, eerste lid, aanhef. Voorts de vermelding van artikel 4.2, eerste en vijfde lid, schrappen omdat de wijziging reeds is aangebracht.
- De in artikel I, onderdeel B, aangebrachte wijziging in artikel 2.23, onderdelen b en c, in een apart artikel opnemen voorafgaand aan artikel 2.24.
- In artikel 2.42a, tweede lid, "voorwaarden" wijzigen in: voorschriften.
- In de voorgestelde wijziging in artikel I, onderdeel Z, de verwijzing naar artikel 3.34 aanvullen met: tweede lid,.
- In artikel 6.15a, zesde en zevende lid, aanwijzing 82 in acht nemen en in het zevende lid tevens verwijzen naar het zesde lid.
- In artikel 6.17, eerste lid, een onderverdeling aanbrengen omwille van de leesbaarheid.
- In de artikelen 6.18, derde lid, en 6.20, derde lid, eenzelfde opzet gebruiken.
- In artikel I, onderdeel AZ, subonderdeel 3, de verwijzing naar de artikelen 6.18, vierde lid, en 6.20, vierde lid, wijzigen in: 6.18, tweede lid, en 6.20, tweede lid.
- In artikel 9.9a, onderdelen 1 en 3, niet spreken van "in numerieke rangschikking tussengevoegd", maar van: aan het slot toegevoegd.
- In artikel 9.9b, onderdeel 2, de verwijzing naar artikel 3.13, tiende lid, schrappen (is reeds opgenomen in de artikelen 3.11 tot en met 3.15).
- In artikel 9.9b, onderdeel 4, de verwijzing naar artikel 6.16, tweede lid, zodanig aanpassen dat in het bedoelde artikelonderdeel de woorden "artikel 6.16" niet worden geschrapt.
Nader rapport (reactie op het advies) van 13 december 2002
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan zijn opmerkingen aandacht zal zijn geschonken. De Raad van State heeft een zestal opmerkingen gemaakt, waarop hieronder puntsgewijs zal worden ingegaan. De redactionele kanttekeningen van de Raad zijn overgenomen.
1. De Raad adviseert de voorgestelde wijziging van artikel 1.5e, eerste lid, achterwege te laten. De voorgestelde wijziging had enkel tot doel om de terminologie "bij of krachtens de wet" in dit artikel van het besluit te verhelderen door aan te geven dat het hierbij gaat om eisen met betrekking tot het certificaat in het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling. Geconstateerd wordt dat de gebruikte terminologie tevens de mogelijkheid omvat om, uit hoofde van nadere uitwerking, bij ministeriële regeling aan de afgifte van het certificaat nadere eisen te stellen. Gelet hierop wordt het advies van de Raad overgenomen.
2. De Raad wijst op de verplichte implementatie van artikel 4 bis van de Richtlijn 95/63 EEG van de Raad van de Europese Unie van 5 december 1995 (wijzigingsrichtlijn arbeidsmiddelen). Door het opnemen in artikel 7.4a, negende lid, van een nieuw
onderdeel a, in het aan de Raad voorgelegde ontwerpbesluit was de verplichting van artikel 4 bis van de richtlijn om arbeidsmiddelen aan een keuring te onderwerpen na elke montage op een nieuwe locatie of een nieuwe plek niet van toepassing op duik- en caissonsystemen. Deze omissie is thans rechtgezet door het opnemen in artikel 7.4a van een nieuw tiende lid. Op grond hiervan is het noodzakelijk dat duik- en caissonsystemen na elke montage op een nieuwe locatie of een nieuwe plek onderworpen worden aan een keuring door een deskundige natuurlijke persoon, rechtspersoon of instelling als bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid. Voorts is de toelichting naar aanleiding hiervan aangepast.
3a. De Raad adviseert de tekst en toelichting van artikel 1.5, vijfde lid, met elkaar in overeenstemming te brengen. In de tekst van het vijfde lid is onder andere tot uitdrukking gebracht dat een certificaat kan worden geweigerd in de in dit lid bedoelde situaties. Een certificaat wordt op grond van artikel 20 van de wet voor een bepaalde tijd verleend. De mogelijkheid om een certificaat niet te verlenen omvat ook de situatie dat een certificaat niet wordt verlengd, indien een eerder certificaat is verlopen. De toelichting op het vijfde lid is op dit punt aangevuld. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in de tekst van het vijfde lid de terminologie "certificaat van vakbekwaamheid" te wijzigen in "certificaat" omdat een certificaat niet steeds betrekking hoeft te hebben op vakbekwaamheidseisen.
3b. Naar aanleiding van de gemaakte opmerkingen van de Raad over artikel 6.15a inzake de certificering van duik- en caissonsystemen is een nieuw zevende lid ingevoerd op grond waarvan een certificaat van goedkeuring en het hierbij behorende rapport wordt afgegeven indien door de certificerende instelling is vastgesteld dat een duik- en caissonsysteem met hun toebehoren voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde criteria. De toelichting op artikel 6.15a is hiermee in overeenstemming gebracht. Om een ongewenste samenloop tussen artikel 6.15a, achtste lid (beschikbaar houden van documenten en het tonen aan toezichthouders), met artikel 7.4a, zesde lid, te vermijden is dit laatste lid bij artikel 7.4a, tiende lid, niet van toepassing verklaard op duik- en caissonsystemen. Op grond van artikel 6.15a, achtste lid, dient, naast de keuringsresultaten, ook een afschrift van het certificaat te worden bewaard en zo nodig te worden getoond.
3c. Naar aanleiding van het advies van de Raad om in artikel 6.31 (artikel I, onderdeel AY) aan te geven in welke gevallen leerlingen en studenten niet in het bezit hoeven te zijn van een certificaat duikarbeid zijn in artikel 6.31, eerste lid, de voorwaarden opgenomen waaraan een leerling of student moet voldoen om zonder in het bezit te zijn van een certificaat duikarbeid toch duikarbeid te verrichten. Zo moet het gaan om wetenschappelijk onderzoek. Hierbij geldt wel als voorwaarde dat de duikwerkzaamheden van lichte aard zijn en dat een leerling of een student als aanvullend lid van een duikploeg functioneert. Op grond van het tweede lid moet een leerling of een student in het bezit zijn van een bij ministeriële regeling aan te wijzen sportduikbrevet. Het derde lid maakt het mogelijk dat er in de Arboregeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de duikwerkzaamheden die worden verricht door een leerling of een student.
3d. In artikel 7.36b, zesde lid, is een delegatiebepaling opgenomen met betrekking tot bepaalde hijs- en hefwerktuigen die worden gebruikt in de winningsindustrie met behulp van boringen. De Raad geeft in overweging de voorschiften in het besluit op te nemen en zo nodig te voorzien in detailuitwerking op ministerieel niveau. Dit heeft aanleiding gegeven artikel 7.36 zodanig te wijzigen dat in een nieuw zesde lid het gebruik van deze hijs- en hefwerktuigen op boorinstallaties is geclausuleerd. In een nieuw zevende lid wordt met betrekking tot het veilig gebruik van deze hijs- en hefwerktuigen een delegatiemogelijkheid gegeven. Bij ministeriële regeling kunnen derhalve organisatorische maatregelen worden voorgeschreven die in acht moeten worden genomen bij het gebruik van deze arbeidsmiddelen. Naar aanleiding van deze wijziging is de toelichting op artikel 7.36b hiermee in overeenstemming gebracht.
4. Voorts wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om het ontwerpbesluit en de toelichting op een aantal punten te wijzigen, als volgt.
• In artikel 2.41, vierde lid wordt "artikel 24, eerste lid" vervangen door: artikel 24. Door deze wijziging is het mogelijk dat naast de ambtenaren ressorterende onder de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook ambtenaren ressorterende onder een andere minister worden aangewezen. Met betrekking tot artikel 2.41, vierde lid, kan hierbij gedacht worden aan de ambtenaren van het Staatstoezicht op de Mijnen van het Ministerie van Economische Zaken.
• Artikel 3.37w van het ontwerpbesluit zoals dat aan de Raad is voorgelegd (Artikel I, onderdeel AC) is geschrapt. Deze bepaling maakte het mogelijk om bij ministeriële regeling met betrekking tot de artikelen 3.37q tot en met 3.37v nadere regels te stellen. Aangezien geen gebruik van deze mogelijkheid zal worden gemaakt in de wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling, die naar verwachting ook met ingang van I januari 2003 in werking zal treden, is artikel 3.37w geschrapt. Uitzondering hierop vormt artikel 3.37v (noodplan). In dit artikel is dan ook een vierde lid opgenomen dat het mogelijk maakt om in de Arbeidsomstandighedenregeling nadere regels te stellen met betrekking tot het noodplan. Voorts is de toelichting bij artikel 3.37w geschrapt en is de toelichting bij artikel 3.37v naar aanleiding hiervan aangepast. Het schrappen van artikel 3.37w heeft tevens een wijziging in het ontwerpbesluit van de artikelen 9.9b (beboetbare feiten van de eerste categorie) en 9.9c (beboetbare feiten van de tweede categorie) met zich mee gebracht.
• In artikel 6.19, tweede lid, wordt "artikel 24, eerste lid" vervangen door: artikel 24. Zie voor een nadere toelichting, de toelichting bij de wijziging van artikel 2.41, vierde lid.
• In artikel 9.3 inzake de werknemersverplichtingen was verzuimd om de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2.42g (veiligheidsoefeningen) en 4.8, vierde lid (explosieve stoffen), hieraan toe te voegen. Deze omissie is hersteld.
• De artikelen 9.9b en 9.9c zijn op enkele punten gewijzigd, als volgt:
- artikel 2.42, vijfde lid, is geschrapt in de opsomming van artikel 9.9b (beboetbare feiten van de eerste categorie): hierbij gaat het om een administratieve verplichting die niet voor een bestuurlijke sanctionering in aanmerking komt;
- artikel 6.17, vierde lid, is geschrapt in de opsomming van artikel 9.9b (beboetbare feiten van de eerste categorie): dit artikelonderdeel betreft een uitzonderingsbepaling die niet voor een bestuurlijke sanctionering in aanmerking komt;
- de artikelen 3.4, 3.5, 3.11, 3.12 en 3.13 zijn toegevoegd aan de opsomming van artikeI 9.9b, eerste lid, onderdeel j, (beboetbare feiten van de eerste categorie): het gaat hierbij om bepalingen van de Arbeidsomstandighedenregeling die met ingang van I januari 2003 van kracht worden en op grond van artikel 9.9b, eerste lid, onderdeel j, beboetbaar worden gesteld. De toelichting is naar aanleiding van deze wijziging aangepast.
- artikel 3.37q, tweede en vierde lid, zijn geschrapt in de opsomming van artikel 9.9c (beboetbare feiten van de tweede categorie): deze leden betreffen een uitwerking van het eerste lid van dit artikel dat reeds beboetbaar is gesteld.
- artikel 7.36b, zesde lid, is toegevoegd aan de opsomming van artikel 9.9c (beboetbare feiten van de tweede categorie). Naar aanleiding van de opmerking van de Raad in punt 3, onderdeel d, is een nieuw zesde lid aan artikel 7.36b toegevoegd (zie hiervoor onder punt 3d). Gelet hierop is artikel 9.9c hiermee in overeenstemming gebracht.
• De artikelen 9.19 en 9.22 zijn in overeenstemming gebracht met de wijzigingen die uit het onderhavige besluit voortvloeien.
Ik moge u hierbij, mede namens de Minister van Economische Zaken, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(1) Kamerstukken II 1997/98, 25 879, nr.3, blz.21, 22: gelet op de wettelijke eis tot het bezit van een certificaat moet bij of krachtens de wet voorzien worden in onder meer de normen die voor de vereiste deskundigheid worden aangelegd, de wijze waarop deze getoetst wordt en door wie getoetst wordt.
(2) Daarbij kan gedacht worden aan de dynamische verwijzing naar normen van niet-publiekrechtelijke aard, genoemd in aanwijzing 92 van de Aanwijzingen voor de regelgeving .
(3) Zie bijvoorbeeld artikel 7.19, tiende lid.