Ontwerpbesluit houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de aanleg van de provinciale weg N470-West vanaf de rotonde Delfgauw (km 5.940) in de gemeente Pijnacker-Nootdorp, tot de aansluiting op de N470-Zuid (km 10.150) in de gemeente Pijnacker-Nootdorp, alsmede de aanleg van de rotondes Europalaan en Keizershof, de regionale fietsroute B2 tussen de Zuideindseweg en de Overgauwseweg en de reconstructie van de rotonde Delfgauw en de Groene Kade, met bijkomende werken, in de gemeente Pijnacker-Nootdorp.
- Kenmerk
- W09.02.0537/V
- Datum advies
- 20 december 2002
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 13 mei 2003, nr 91
- Infrastructuur en Waterstaat
- Onteigening
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de aanleg van de provinciale weg N470-West vanaf de rotonde Delfgauw (km 5.940) in de gemeente Pijnacker-Nootdorp, tot de aansluiting op de N470-Zuid (km 10.150) in de gemeente Pijnacker-Nootdorp, alsmede de aanleg van de rotondes Europalaan en Keizershof, de regionale fietsroute B2 tussen de Zuideindseweg en de Overgauwseweg en de reconstructie van de rotonde Delfgauw en de Groene Kade, met bijkomende werken, in de gemeente Pijnacker-Nootdorp.
Krachtens machtiging van Uwe Majesteit heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat met een schrijven van 26 november 2002, no.HKW/R 2002/10223, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit, houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte ten behoeve van de aanleg van de provinciale weg N470-West vanaf de rotonde Delfgauw (km 5.940) in de gemeente Pijnacker-Nootdorp, tot de aansluiting op de N470-Zuid (km 10.150) in de gemeente Pijnacker-Nootdorp, alsmede de aanleg van de rotondes Europalaan en Keizershof, de regionale fietsroute B2 tussen de Zuideindseweg en de Overgauwseweg en de reconstructie van de rotonde Delfgauw en de Groene Kade, met bijkomende werken, in de gemeente Pijnacker-Nootdorp.
Reclamante sub 8 heeft in haar zienswijze onder meer naar voren gebracht dat het tracé van de N470-West, zoals opgenomen in het onderhavige plan van het werk, nog niet vaststaat, temeer omdat er door haar beroep is ingesteld tegen de partiële herziening van het streekplan. Ook reclamant sub 3 heeft naar voren gebracht dat het plan waarvoor in het kader van de onderhavige onteigeningsprocedure onteigend wordt, nog niet onherroepelijk is. Deze procedure wordt niet vermeld in de "overige overwegingen" betreffende de planologische grondslag voor het te maken werk. Naar de mening van de Raad van State zal op de status van de bedoelde partiële herziening van het streekplan en de betekenis daarvan voor de planologische grondslag van het werk uitdrukkelijk moeten worden ingegaan, ook omdat er een verband is tussen het minnelijk overleg met deze reclamanten en het onherroepelijk worden van die herziening van het streekplan. Indien de uitvoering van werk mede afhankelijk is van de uitkomst van die procedure ligt het bovendien in de rede dat ten aanzien van reclamanten sub 3 en 8 niet eerder een dagvaarding in de gerechtelijke procedure wordt uitgebracht dan nadat de herziening van het streekplan onherroepelijk is geworden en op basis van dat uitgangspunt een hernieuwde poging is ondernomen om tot minnelijke verwerving van de betrokken gronden te komen. Hetzelfde geldt voor het geval dat deze reclamanten zijn opgekomen tegen één of meer van de andere, wel in de "overige overwegingen" genoemde planologische besluiten. In verband hiermee adviseert de Raad de overwegingen van het ontwerpbesluit aan te vullen.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 25 februari 2003
De Raad maakt in voornoemd advies naar aanleiding van de door reclamanten sub 3 en sub 8 ingediende zienswijzen de volgende opmerking.
Reclamanten geven aan, dat het plan waarvoor in het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure onteigend wordt nog niet onherroepelijk is. Hiertoe zullen diverse planologische procedures ingevolge de Wet op de Ruimtelijke Ordening moeten worden afgerond. Indien de uitvoering van het werk mede afhankelijk is van de uitkomst van deze procedures ligt het in de rede dat ten aanzien van genoemde reclamanten niet eerder een dagvaarding in de gerechtelijke onteigeningsprocedure wordt uitgebracht dan nadat de planvorming onherroepelijk is geworden en op basis van dat uitgangspunt een hernieuwde poging is ondernomen om tot minnelijke verwerving van de betrokken gronden te komen.
In dit verband wijst de Raad specifiek op de door reclamante sub 8 in een zienswijze kenbaar gemaakte betrokkenheid in de beroepsprocedure tegen de partiële herziening van het streekplan. Naar de mening van de Raad zal op de status van deze herziening en de betekenis daarvan voor de planologische grondslag van het werk uitdrukkelijk moeten worden ingegaan. Dit geldt temeer omdat er een verband is tussen het met deze reclamante gevoerde minnelijk overleg en het onherroepelijk worden van de herziening.
Naar aanleiding van bovenstaande opmerking van de Raad van State merk ik het volgende op.
In het kader van de administratieve onteigeningsprocedure op grond van Titel IIa van de onteigeningswet wordt bezien of het werk waartoe onteigend wordt planologisch is ingepast dan wel of zicht bestaat op spoedige planologische inpassing van dat werk. Ik merk hierbij overigens op, dat de onteigeningswet geen bepalingen kent over de Wet op de Ruimtelijke Ordening en dat voornoemd toetsingscriterium ontwikkeld is in de kroonjurisprudentie. Voorts is in dit verband van belang dat een onteigeningsbesluit in artikel 64a, vierde lid van de onteigeningswet een geldigheidstermijn van twee jaren na ondertekening van dat besluit kent.
Meer specifiek betekent het voorgaande, dat met betrekking tot het kunnen starten van de administratieve onteigeningsprocedure het vereiste geldt dat een aanvang is genomen met de planologische inpassing van het project. Hierbij geldt dat een anticipatieprocedure als bedoeld in de artikelen 19 en 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel een bestemmingsplanprocedure op grond van deze wet moet zijn gestart. Hierbij geldt bovendien, dat belanghebbenden de mogelijkheid moeten hebben tot het naar voren brengen van zienswijzen in een planologische procedure voorafgaand aan of ten minste gelijktijdig met de mogelijkheid tot het naar voren brengen van zienswijzen in het kader van de onteigening.
Het werk waartoe in het onderhavige geval een administratieve onteigeningsprocedure is gestart, de N470-West, komt (onder meer) aan de orde in het streekplan "Partiële herziening Streekplannen Zuid-Holland West en Rijnmond Tracé N470" als bedoeld in artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
Tevens geldt voor de onderdelen van het streekplan waarin de N470-West aan de orde komt, dat deze zijn aangemerkt als concrete beleidsbeslissing als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 7, derde lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening. Een dergelijke concrete beleidsbeslissing wordt bij het (nadien vast te stellen) gemeentelijke bestemmingsplan in acht genomen en kan daarmee voor belanghebbenden niet opnieuw onderwerp zijn van inspraak en rechtsbescherming.
Terugkomend op de opmerking van de Raad van State over de status van de partiële herziening van het streekplan en de betekenis daarvan voor de planologische grondslag van het werk, kom ik gelet op het bovenstaande tot de conclusie dat dat streekplan voor wat betreft de onderdelen die zijn aangemerkt als concrete beleidsbeslissing zicht geeft op spoedige planologische inpassing van het werk en daarmee als planologische grondslag in de kroonjurisprudentie opgenomen kan worden. De desbetreffende hierboven genoemde overwegingen (kroonjurisprudentie) zullen hiertoe kunnen worden aangepast.
Voorts merk ik naar aanleiding van de opmerking van de Raad het volgende op.
Gebleken is, dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de "Partiële herziening Streekplannen Zuid-Holland West en Rijnmond Tracé N470" bij uitspraak van 11 december 2002, nr. 200100097/1, heeft vernietigd voor zover het betreft de concrete beleidsbeslissing over (onder meer) de Westtak tussen de A13 en verkeersplein Tolhek.
Deze vernietiging van de concrete beleidsbeslissing leidt mij tot de conclusie dat de planologische grondslag van het in de onteigeningsprocedure te maken werk komt te vervallen. Hiermee is zicht op spoedige planologische inpassing van het werk verdwenen.
Het bovenstaande heeft tot gevolg dat het ter inzage gelegde plan van het werk niet goed meer als vaststaand plan van het werk is aan te merken. Zonder (bestuurlijk) zicht op de wijze waarop de planvorming in het planologische spoor verder ontwikkeld zal kunnen worden en daarmee het betrokken benodigde ruimtebeslag, alsmede overigens voortgang van deze procedures (streekplanprocedure), is het publiek belang en noodzaak van de onderhavige onteigening niet te duiden.
Gelet op het vorenstaande zal de onteigeningsprocedure niet voortgezet kunnen worden.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit doen toekomen en U verzoeken de totstandkoming van een koninklijk besluit niet te bevorderen en goed te vinden dat het onderhavige nader rapport tezamen met het advies van de Raad van State en het ontwerpbesluit, zoals deze aan de Raad is voorgelegd, openbaar wordt gemaakt.
De Minister van Verkeer en Waterstaat
Reclamante sub 8 heeft in haar zienswijze onder meer naar voren gebracht dat het tracé van de N470-West, zoals opgenomen in het onderhavige plan van het werk, nog niet vaststaat, temeer omdat er door haar beroep is ingesteld tegen de partiële herziening van het streekplan. Ook reclamant sub 3 heeft naar voren gebracht dat het plan waarvoor in het kader van de onderhavige onteigeningsprocedure onteigend wordt, nog niet onherroepelijk is. Deze procedure wordt niet vermeld in de "overige overwegingen" betreffende de planologische grondslag voor het te maken werk. Naar de mening van de Raad van State zal op de status van de bedoelde partiële herziening van het streekplan en de betekenis daarvan voor de planologische grondslag van het werk uitdrukkelijk moeten worden ingegaan, ook omdat er een verband is tussen het minnelijk overleg met deze reclamanten en het onherroepelijk worden van die herziening van het streekplan. Indien de uitvoering van werk mede afhankelijk is van de uitkomst van die procedure ligt het bovendien in de rede dat ten aanzien van reclamanten sub 3 en 8 niet eerder een dagvaarding in de gerechtelijke procedure wordt uitgebracht dan nadat de herziening van het streekplan onherroepelijk is geworden en op basis van dat uitgangspunt een hernieuwde poging is ondernomen om tot minnelijke verwerving van de betrokken gronden te komen. Hetzelfde geldt voor het geval dat deze reclamanten zijn opgekomen tegen één of meer van de andere, wel in de "overige overwegingen" genoemde planologische besluiten. In verband hiermee adviseert de Raad de overwegingen van het ontwerpbesluit aan te vullen.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 25 februari 2003
De Raad maakt in voornoemd advies naar aanleiding van de door reclamanten sub 3 en sub 8 ingediende zienswijzen de volgende opmerking.
Reclamanten geven aan, dat het plan waarvoor in het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure onteigend wordt nog niet onherroepelijk is. Hiertoe zullen diverse planologische procedures ingevolge de Wet op de Ruimtelijke Ordening moeten worden afgerond. Indien de uitvoering van het werk mede afhankelijk is van de uitkomst van deze procedures ligt het in de rede dat ten aanzien van genoemde reclamanten niet eerder een dagvaarding in de gerechtelijke onteigeningsprocedure wordt uitgebracht dan nadat de planvorming onherroepelijk is geworden en op basis van dat uitgangspunt een hernieuwde poging is ondernomen om tot minnelijke verwerving van de betrokken gronden te komen.
In dit verband wijst de Raad specifiek op de door reclamante sub 8 in een zienswijze kenbaar gemaakte betrokkenheid in de beroepsprocedure tegen de partiële herziening van het streekplan. Naar de mening van de Raad zal op de status van deze herziening en de betekenis daarvan voor de planologische grondslag van het werk uitdrukkelijk moeten worden ingegaan. Dit geldt temeer omdat er een verband is tussen het met deze reclamante gevoerde minnelijk overleg en het onherroepelijk worden van de herziening.
Naar aanleiding van bovenstaande opmerking van de Raad van State merk ik het volgende op.
In het kader van de administratieve onteigeningsprocedure op grond van Titel IIa van de onteigeningswet wordt bezien of het werk waartoe onteigend wordt planologisch is ingepast dan wel of zicht bestaat op spoedige planologische inpassing van dat werk. Ik merk hierbij overigens op, dat de onteigeningswet geen bepalingen kent over de Wet op de Ruimtelijke Ordening en dat voornoemd toetsingscriterium ontwikkeld is in de kroonjurisprudentie. Voorts is in dit verband van belang dat een onteigeningsbesluit in artikel 64a, vierde lid van de onteigeningswet een geldigheidstermijn van twee jaren na ondertekening van dat besluit kent.
Meer specifiek betekent het voorgaande, dat met betrekking tot het kunnen starten van de administratieve onteigeningsprocedure het vereiste geldt dat een aanvang is genomen met de planologische inpassing van het project. Hierbij geldt dat een anticipatieprocedure als bedoeld in de artikelen 19 en 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel een bestemmingsplanprocedure op grond van deze wet moet zijn gestart. Hierbij geldt bovendien, dat belanghebbenden de mogelijkheid moeten hebben tot het naar voren brengen van zienswijzen in een planologische procedure voorafgaand aan of ten minste gelijktijdig met de mogelijkheid tot het naar voren brengen van zienswijzen in het kader van de onteigening.
Het werk waartoe in het onderhavige geval een administratieve onteigeningsprocedure is gestart, de N470-West, komt (onder meer) aan de orde in het streekplan "Partiële herziening Streekplannen Zuid-Holland West en Rijnmond Tracé N470" als bedoeld in artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
Tevens geldt voor de onderdelen van het streekplan waarin de N470-West aan de orde komt, dat deze zijn aangemerkt als concrete beleidsbeslissing als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 7, derde lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening. Een dergelijke concrete beleidsbeslissing wordt bij het (nadien vast te stellen) gemeentelijke bestemmingsplan in acht genomen en kan daarmee voor belanghebbenden niet opnieuw onderwerp zijn van inspraak en rechtsbescherming.
Terugkomend op de opmerking van de Raad van State over de status van de partiële herziening van het streekplan en de betekenis daarvan voor de planologische grondslag van het werk, kom ik gelet op het bovenstaande tot de conclusie dat dat streekplan voor wat betreft de onderdelen die zijn aangemerkt als concrete beleidsbeslissing zicht geeft op spoedige planologische inpassing van het werk en daarmee als planologische grondslag in de kroonjurisprudentie opgenomen kan worden. De desbetreffende hierboven genoemde overwegingen (kroonjurisprudentie) zullen hiertoe kunnen worden aangepast.
Voorts merk ik naar aanleiding van de opmerking van de Raad het volgende op.
Gebleken is, dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de "Partiële herziening Streekplannen Zuid-Holland West en Rijnmond Tracé N470" bij uitspraak van 11 december 2002, nr. 200100097/1, heeft vernietigd voor zover het betreft de concrete beleidsbeslissing over (onder meer) de Westtak tussen de A13 en verkeersplein Tolhek.
Deze vernietiging van de concrete beleidsbeslissing leidt mij tot de conclusie dat de planologische grondslag van het in de onteigeningsprocedure te maken werk komt te vervallen. Hiermee is zicht op spoedige planologische inpassing van het werk verdwenen.
Het bovenstaande heeft tot gevolg dat het ter inzage gelegde plan van het werk niet goed meer als vaststaand plan van het werk is aan te merken. Zonder (bestuurlijk) zicht op de wijze waarop de planvorming in het planologische spoor verder ontwikkeld zal kunnen worden en daarmee het betrokken benodigde ruimtebeslag, alsmede overigens voortgang van deze procedures (streekplanprocedure), is het publiek belang en noodzaak van de onderhavige onteigening niet te duiden.
Gelet op het vorenstaande zal de onteigeningsprocedure niet voortgezet kunnen worden.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit doen toekomen en U verzoeken de totstandkoming van een koninklijk besluit niet te bevorderen en goed te vinden dat het onderhavige nader rapport tezamen met het advies van de Raad van State en het ontwerpbesluit, zoals deze aan de Raad is voorgelegd, openbaar wordt gemaakt.
De Minister van Verkeer en Waterstaat