Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel en enkele andere besluiten in verband met onder meer de introductie van de mogelijkheid voor het bevoegd gezag aan het onderwijspersoneel vergoedingen toe te kennen en verstrekkingen te doen die naar de Wet op de loonbelasting 1964 onbelast zijn.
- Kenmerk
- W05.02.0449/III
- Datum advies
- 19 november 2002
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 14 oktober 2003, nr 198
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel en enkele andere besluiten in verband met onder meer de introductie van de mogelijkheid voor het bevoegd gezag aan het onderwijspersoneel vergoedingen toe te kennen en verstrekkingen te doen die naar de Wet op de loonbelasting 1964 onbelast zijn.
Bij Kabinetsmissive van 11 oktober 2002, no.02.004657, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel en enkele andere besluiten in verband met onder meer de introductie van de mogelijkheid voor het bevoegd gezag aan het onderwijspersoneel vergoedingen toe te kennen en verstrekkingen te doen die naar de Wet op de loonbelasting 1964 onbelast zijn.
Het ontwerpbesluit strekt ertoe de mogelijkheid te scheppen onderwijspersoneel vergoedingen te verstrekken en verstrekkingen te doen voorzover deze naar de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) onbelast zijn. Voorts wordt de mogelijkheid tot het meer uren werken en de vergoeding daarvan wettelijk geregeld.
Het ontwerpbesluit geeft de Raad van State aanleiding tot enige opmerkingen die betrekking hebben op de terugwerkende kracht en op de wijze waarop het meer uren werken geregeld is. Het ontwerpbesluit en de toelichting behoeven om die reden aanpassing.
1. Terugwerkende kracht
Het ontwerpbesluit werkt terug tot en met 1 januari 2000. In de toelichting (onder Algemeen en artikel VI) wordt opgemerkt dat die ingangsdatum is overeengekomen met de werkgevers- en werknemersorganisaties en dat de wijzigingen slechts begunstigend werken voor betrokkenen.
Ingevolge het nieuwe artikel I-P29, tweede en vijfde lid, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (RPBO) kan het onderwijspersoneel een of meer van de daar genoemde aanspraken inzetten in ruil voor deelname aan de "pc-privéregeling".
De Raad wijst erop dat indien de betrokkene afziet van een deel van zijn aanspraak op salaris, tevens andere rechtspositionele aanspraken, zoals de vakantie-uitkering en de algemene eindejaarsuitkering, worden verlaagd. Ook moet ermee rekening worden gehouden dat tijdelijke verlaging van het genoten salaris invloed heeft op de hoogte van een eventuele uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (artikelen 4 en 4b) en een uitkering op basis van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel
primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (artikel 5: loongerelateerde uitkeringen).(zie noot 1)
De toelichting maakt niet duidelijk of betrokkenen van de mogelijke bezwarende gevolgen van deelname op de hoogte waren, toen zij besloten aan de "pc-priveregeling" deel te nemen. Niet blijkt dat deze uit de regeling voortvloeiende problemen onder ogen zijn gezien.
De Raad adviseert in de toelichting aandacht te schenken aan de positie van deelnemers aan deze regeling die mogelijk met bezwarende gevolgen worden geconfronteerd.
2. Op grond van artikel V, derde lid, dat een overgangsregeling bevat voor het kalenderjaar 2000, kon het bevoegd gezag aan betrokkene voor het verrichten van meer uren werk vergoedingen toekennen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder u en v, Wet LB 1964, zoals die artikelonderdelen in genoemd kalenderjaar luidden.
De onderdelen u en v hebben betrekking op de verstrekking van computers en van de inrichting van de werkruimte in de woning van de betrokkene.
In artikel 1, vierde lid, van de Regeling verzilvering formatierekeneenheden schooljaar 2000-2001 is bepaald dat indien er sprake is van verzilvering ten behoeve van meerwerk verricht voor de aanschaf van computers, de geldswaarde f.468,- bedraagt.(zie noot 2)
Aangezien geen voorschrift is opgenomen in geval sprake is van verzilvering voor verstrekkingen ten behoeve van de inrichting van een werkruimte, gaat de Raad ervan uit dat vergoedingen in die vorm voor het verrichten van meerwerk niet zijn toegekend. Dit betekent dat artikel V, derde lid, in de voorgestelde vorm niet gehandhaafd kan blijven.
De Raad adviseert artikel V, derde lid, aan te passen.
3. Meer uren werken
In dit ontwerpbesluit wordt voorts een nieuwe mogelijkheid tot het meer uren werken ingevoerd (eveneens met terugwerkende kracht).
Het valt op dat de nieuwe keuzemogelijkheid en de daarbij behorende vergoeding niet in een afzonderlijke bepaling zijn opgenomen(zie noot 3), maar als derde en vierde lid van artikel I-P29, dat in de nieuw voorgestelde tekst de belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen regelt.
Hoewel het meer uren werken binnen dat kader gehonoreerd kan worden, wordt op deze wijze voorbijgegaan aan de mogelijkheid om in plaats van een vergoeding gericht op het verwerven van bijvoorbeeld een pc te kiezen voor het toekennen van een vergoeding in meer algemene zin voor de verrichte werkzaamheden.
Indien deze keuzemogelijkheid wel beoogd is, verdient het naar het oordeel van de Raad aanbeveling de mogelijkheid, de definitie en de vergoeding in geval van meer uren werken in een apart artikel op te nemen. Voorts zou ook in het algemeen gedeelte van de toelichting hieraan aandacht geschonken moeten worden.
4. In de toelichting op artikel I wordt opgemerkt dat de uitbetaling van de vergoeding voor meer uren werken conform artikel I-P19, eerste lid, maandelijks plaatsvindt.
Ingevolge dit artikellid vindt maandelijks uitbetaling plaats van het salaris, de toelagen en de vergoedingen voor extra diensten. Aangezien de vergoeding voor meer uren werken geen deel uitmaakt van de bezoldiging of het salaris in de omschrijving van het RPBO (artikel I-A1, onderdeel j) en evenmin valt onder de aanduiding "vergoedingen voor extra diensten" (deze vergoedingen worden toegekend in het kader van overwerk: artikelen I-S106 en I-U4), kan de hier bedoelde uitbetaling niet vallen onder artikel I-P19 (Uitbetaling bezoldiging), maar dient hierin afzonderlijk (of door aanpassing van artikel I-P19)(zie noot 4) te worden voorzien. Als voorbeeld wijst de Raad op artikel 3, vijfde lid, van de regelgeving IKAP-SZW.
In dit verband verdient het aanbeveling eveneens uitdrukkelijk op te nemen dat de vergoeding geen deel uitmaakt van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement, zoals dit ook geregeld is met betrekking tot de tegemoetkoming op grond van artikel I-P28. Dit artikel voorziet in het verstrekken van een vergoeding ten behoeve van het bestrijden van al dan niet schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening.
Gelet op het vorenstaande geeft de Raad in overweging de uitbetaling van vergoeding voor meer uren werken in een afzonderlijk artikel op te nemen.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 19 november 2002, no.W05.02.0449/III, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- Het begrip "meerwerk" in de tekst van het ontwerpbesluit en de toelichting wijzigen in: meer werken.
- In artikel V, tweede lid, de woorden "tot 1 januari 2001", zoals deze tweemaal voorkomen, wijzigen in: in het kalenderjaar 2000.
- In artikel V, derde lid, "artikel 11, tweede lid" wijzigen in: artikel I-P29, tweede lid,.
Voorts de woorden "zoals die artikelen luidden tot 1 januari 2001" wijzigen in: zoals die artikelonderdelen in het kalenderjaar 2000 luidden.
- Aan het slot van artikel V, vierde lid, toevoegen: zoals dit artikelonderdeel in het kalenderjaar 2001 luidde.
- In de toelichting op de artikelen II, III en IV tevens verwijzen naar artikel
I-A1, onderdeel i, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel voor de verklaring van de factor 1659.
Nader rapport (reactie op het advies) van 13 augustus 2003
Het ontwerpbesluit heeft de Raad van State aanleiding gegeven tot het maken van enkele opmerkingen die betrekking hebben op de terugwerkende kracht ervan en op de wijze waarop het meer uren werken is geregeld.
Het ontwerpbesluit en de nota van toelichting heb ik aangepast. Die aanpassing komt voor een deel voort uit het advies van de Raad en hangt voor een deel samen met de omstandigheid dat het Rechtspositiebesluit WPO/WEC inmiddels in werking is getreden en het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel is ingetrokken en in dat laatstgenoemde besluit dan ook niet met terugwerkende kracht wijzigingen kunnen worden aangebracht. Verder merk ik op dat de gewijzigde tekst van het ontwerpbesluit geen verwijzing meer naar deel II van het Formatiebesluit W.V.O. bevat, nu deel II van dat besluit per 1 augustus is komen te vervallen.
1. Het oorspronkelijke ontwerpbesluit, dat nog uitging van wijziging van onder meer het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, verleende terugwerkende kracht aan het gehele besluit tot en met 1 januari 2000 (artikel VI). Die bepaling is in het onderhavige ontwerpbesluit herschreven omdat inmiddels het Rechtspositiebesluit WPO/WEC in werking is getreden en tegelijkertijd het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel is ingetrokken. Het nieuwe Rechtspositiebesluit WPO/WEC bepaalt in artikel 295 dat het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel met de regelingen die op dat besluit berustten, van toepassing blijft voor het tijdvak waarvoor het gelding had en geeft verder aan dat op de werking van het oude Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel slechts nog inbreuk kan worden gemaakt via de weg van het nieuwe Rechtspositiebesluit WPO/WEC. Daarin voorziet artikel 295a, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC (artikel I, onderdeel C, van het gewijzigde ontwerpbesluit). Het onderhavige besluit kent dan alleen nog terugwerkende kracht voor zover het een wijziging van het Formatiebesluit WPO en het Formatiebesluit WEC betreft.
Voor wat betreft de effecten voor het onderwijspersoneel voor de periode voorafgaand aan het moment van inwerkingtreding van het onderhavige wijzigingsbesluit, merk ik nog het volgende op. Onderwijspersoneel dat reeds nu gebruik maakt of gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid via het bevoegd gezag (een vergoeding voor) een computer en bijbehorende zaken te verwerven en dat doet door een deel van het salaris in te leveren, is eind 1999, voorafgaand aan de introductie van de zogenoemde "pc-privéregeling" door middel van een voorlichtingspublicatie onder meer op de hoogte gebracht van de (rechtspositionele) consequenties die aan de verlaging van het salaris kleven. Het betreft de voorlichtingspublicatie in verband met het toepassen van een onbelaste computervergoeding van 16 november 1999, die is bekendgemaakt in Uitleg, OCenW-Regelingen, nr.28 van 24 november 1999. In de publicatie, onder het opschrift Salaris, wordt ingegaan op de arbeidsvoorwaardelijke aanspraken die als gevolg van de genoemde keuze van het personeelslid, lager worden bijgesteld. Meer in het algemeen ga ik ervan uit dat werknemers alom bekend zijn met het gegeven dat de hoogte van het salaris bepalend is voor de hoogte van uitkeringen zoals de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. Een bijstelling van het salaris in neerwaartse zin op eigen verzoek, leidt dan als vanzelf tot een verlaging van de genoemde uitkeringen. In de toelichting wordt omwille van de duidelijkheid alsnog meer aandacht geschonken aan de genoemde voorlichtingspublicatie voor zover daarin wordt stilgestaan bij de neveneffecten die de genoemde regeling sorteert.
2. De overweging van de Raad van state op dit punt heeft geleid tot een aanpassing van het ontwerpbesluit in die zin dat de bepaling over meer werken ten behoeve van de inrichting van de werkruimte in de woning niet van toepassing is op het kalenderjaar 2000 (artikel 295a, derde lid, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC). In dat jaar is geen sprake geweest van (verzilvering voor) vergoedingen voor meer werken in verband met de inrichting van die werkruimte.
3. De bepalingen in het Rechtspositiebesluit WPO/WEC die zien op het meer werken, zijn het resultaat van het akkoord dat is gesloten met werkgevers- en werknemersorganisaties in de sector onderwijs. Dat akkoord gaat niet uit van een wettelijke regeling die meer werken in het algemeen mogelijk maakt, maar stelt het onderwijspersoneel in de gelegenheid via de weg van het meer werken een aantal onbelaste vergoedingen en verstrekkingen te ontvangen. Om die reden zijn de bepalingen met betrekking tot het meer werken opgenomen in een enkel artikel dat gaat over belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen (artikel 107 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC).
4. In verband met de opmerkingen van de Raad van State ten aanzien van de uitbetaling van de vergoeding voor meer werken is een onderdeel aan het ontwerpbesluit toegevoegd waarbij artikel 101 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC wordt gewijzigd. Het artikel is zo vormgegeven dat ook de uitbetaling van de vergoeding voor meer werken daarin expliciet is opgenomen. Voorts wordt in artikel 107 evenals in andere bepalingen van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC is gebeurd, uitdrukkelijk aangegeven dat de vergoeding voor meer werken geen deel uitmaakt van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
5. In het aangepaste wijzigingsbesluit is rekening gehouden met de opmerkingen van redactionele aard die de Raad heeft gemaakt.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
(1) Nota van toelichting, bladzijde 7, laatste volledige alinea.
(2) Zie ook nota van toelichting bladzijde 1, laatste alinea van het algemeen gedeelte.
(3) Vergelijk artikel 3 Regelgeving IKAP-SZW.
(4) Dit zou betekenen dat de omschrijving van meer uren werken in de begripomschrijving van artikel I-P1 meer aangewezen voorkomt.
Het ontwerpbesluit strekt ertoe de mogelijkheid te scheppen onderwijspersoneel vergoedingen te verstrekken en verstrekkingen te doen voorzover deze naar de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) onbelast zijn. Voorts wordt de mogelijkheid tot het meer uren werken en de vergoeding daarvan wettelijk geregeld.
Het ontwerpbesluit geeft de Raad van State aanleiding tot enige opmerkingen die betrekking hebben op de terugwerkende kracht en op de wijze waarop het meer uren werken geregeld is. Het ontwerpbesluit en de toelichting behoeven om die reden aanpassing.
1. Terugwerkende kracht
Het ontwerpbesluit werkt terug tot en met 1 januari 2000. In de toelichting (onder Algemeen en artikel VI) wordt opgemerkt dat die ingangsdatum is overeengekomen met de werkgevers- en werknemersorganisaties en dat de wijzigingen slechts begunstigend werken voor betrokkenen.
Ingevolge het nieuwe artikel I-P29, tweede en vijfde lid, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (RPBO) kan het onderwijspersoneel een of meer van de daar genoemde aanspraken inzetten in ruil voor deelname aan de "pc-privéregeling".
De Raad wijst erop dat indien de betrokkene afziet van een deel van zijn aanspraak op salaris, tevens andere rechtspositionele aanspraken, zoals de vakantie-uitkering en de algemene eindejaarsuitkering, worden verlaagd. Ook moet ermee rekening worden gehouden dat tijdelijke verlaging van het genoten salaris invloed heeft op de hoogte van een eventuele uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (artikelen 4 en 4b) en een uitkering op basis van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel
primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (artikel 5: loongerelateerde uitkeringen).(zie noot 1)
De toelichting maakt niet duidelijk of betrokkenen van de mogelijke bezwarende gevolgen van deelname op de hoogte waren, toen zij besloten aan de "pc-priveregeling" deel te nemen. Niet blijkt dat deze uit de regeling voortvloeiende problemen onder ogen zijn gezien.
De Raad adviseert in de toelichting aandacht te schenken aan de positie van deelnemers aan deze regeling die mogelijk met bezwarende gevolgen worden geconfronteerd.
2. Op grond van artikel V, derde lid, dat een overgangsregeling bevat voor het kalenderjaar 2000, kon het bevoegd gezag aan betrokkene voor het verrichten van meer uren werk vergoedingen toekennen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder u en v, Wet LB 1964, zoals die artikelonderdelen in genoemd kalenderjaar luidden.
De onderdelen u en v hebben betrekking op de verstrekking van computers en van de inrichting van de werkruimte in de woning van de betrokkene.
In artikel 1, vierde lid, van de Regeling verzilvering formatierekeneenheden schooljaar 2000-2001 is bepaald dat indien er sprake is van verzilvering ten behoeve van meerwerk verricht voor de aanschaf van computers, de geldswaarde f.468,- bedraagt.(zie noot 2)
Aangezien geen voorschrift is opgenomen in geval sprake is van verzilvering voor verstrekkingen ten behoeve van de inrichting van een werkruimte, gaat de Raad ervan uit dat vergoedingen in die vorm voor het verrichten van meerwerk niet zijn toegekend. Dit betekent dat artikel V, derde lid, in de voorgestelde vorm niet gehandhaafd kan blijven.
De Raad adviseert artikel V, derde lid, aan te passen.
3. Meer uren werken
In dit ontwerpbesluit wordt voorts een nieuwe mogelijkheid tot het meer uren werken ingevoerd (eveneens met terugwerkende kracht).
Het valt op dat de nieuwe keuzemogelijkheid en de daarbij behorende vergoeding niet in een afzonderlijke bepaling zijn opgenomen(zie noot 3), maar als derde en vierde lid van artikel I-P29, dat in de nieuw voorgestelde tekst de belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen regelt.
Hoewel het meer uren werken binnen dat kader gehonoreerd kan worden, wordt op deze wijze voorbijgegaan aan de mogelijkheid om in plaats van een vergoeding gericht op het verwerven van bijvoorbeeld een pc te kiezen voor het toekennen van een vergoeding in meer algemene zin voor de verrichte werkzaamheden.
Indien deze keuzemogelijkheid wel beoogd is, verdient het naar het oordeel van de Raad aanbeveling de mogelijkheid, de definitie en de vergoeding in geval van meer uren werken in een apart artikel op te nemen. Voorts zou ook in het algemeen gedeelte van de toelichting hieraan aandacht geschonken moeten worden.
4. In de toelichting op artikel I wordt opgemerkt dat de uitbetaling van de vergoeding voor meer uren werken conform artikel I-P19, eerste lid, maandelijks plaatsvindt.
Ingevolge dit artikellid vindt maandelijks uitbetaling plaats van het salaris, de toelagen en de vergoedingen voor extra diensten. Aangezien de vergoeding voor meer uren werken geen deel uitmaakt van de bezoldiging of het salaris in de omschrijving van het RPBO (artikel I-A1, onderdeel j) en evenmin valt onder de aanduiding "vergoedingen voor extra diensten" (deze vergoedingen worden toegekend in het kader van overwerk: artikelen I-S106 en I-U4), kan de hier bedoelde uitbetaling niet vallen onder artikel I-P19 (Uitbetaling bezoldiging), maar dient hierin afzonderlijk (of door aanpassing van artikel I-P19)(zie noot 4) te worden voorzien. Als voorbeeld wijst de Raad op artikel 3, vijfde lid, van de regelgeving IKAP-SZW.
In dit verband verdient het aanbeveling eveneens uitdrukkelijk op te nemen dat de vergoeding geen deel uitmaakt van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement, zoals dit ook geregeld is met betrekking tot de tegemoetkoming op grond van artikel I-P28. Dit artikel voorziet in het verstrekken van een vergoeding ten behoeve van het bestrijden van al dan niet schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening.
Gelet op het vorenstaande geeft de Raad in overweging de uitbetaling van vergoeding voor meer uren werken in een afzonderlijk artikel op te nemen.
5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 19 november 2002, no.W05.02.0449/III, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
- Het begrip "meerwerk" in de tekst van het ontwerpbesluit en de toelichting wijzigen in: meer werken.
- In artikel V, tweede lid, de woorden "tot 1 januari 2001", zoals deze tweemaal voorkomen, wijzigen in: in het kalenderjaar 2000.
- In artikel V, derde lid, "artikel 11, tweede lid" wijzigen in: artikel I-P29, tweede lid,.
Voorts de woorden "zoals die artikelen luidden tot 1 januari 2001" wijzigen in: zoals die artikelonderdelen in het kalenderjaar 2000 luidden.
- Aan het slot van artikel V, vierde lid, toevoegen: zoals dit artikelonderdeel in het kalenderjaar 2001 luidde.
- In de toelichting op de artikelen II, III en IV tevens verwijzen naar artikel
I-A1, onderdeel i, van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel voor de verklaring van de factor 1659.
Nader rapport (reactie op het advies) van 13 augustus 2003
Het ontwerpbesluit heeft de Raad van State aanleiding gegeven tot het maken van enkele opmerkingen die betrekking hebben op de terugwerkende kracht ervan en op de wijze waarop het meer uren werken is geregeld.
Het ontwerpbesluit en de nota van toelichting heb ik aangepast. Die aanpassing komt voor een deel voort uit het advies van de Raad en hangt voor een deel samen met de omstandigheid dat het Rechtspositiebesluit WPO/WEC inmiddels in werking is getreden en het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel is ingetrokken en in dat laatstgenoemde besluit dan ook niet met terugwerkende kracht wijzigingen kunnen worden aangebracht. Verder merk ik op dat de gewijzigde tekst van het ontwerpbesluit geen verwijzing meer naar deel II van het Formatiebesluit W.V.O. bevat, nu deel II van dat besluit per 1 augustus is komen te vervallen.
1. Het oorspronkelijke ontwerpbesluit, dat nog uitging van wijziging van onder meer het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel, verleende terugwerkende kracht aan het gehele besluit tot en met 1 januari 2000 (artikel VI). Die bepaling is in het onderhavige ontwerpbesluit herschreven omdat inmiddels het Rechtspositiebesluit WPO/WEC in werking is getreden en tegelijkertijd het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel is ingetrokken. Het nieuwe Rechtspositiebesluit WPO/WEC bepaalt in artikel 295 dat het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel met de regelingen die op dat besluit berustten, van toepassing blijft voor het tijdvak waarvoor het gelding had en geeft verder aan dat op de werking van het oude Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel slechts nog inbreuk kan worden gemaakt via de weg van het nieuwe Rechtspositiebesluit WPO/WEC. Daarin voorziet artikel 295a, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC (artikel I, onderdeel C, van het gewijzigde ontwerpbesluit). Het onderhavige besluit kent dan alleen nog terugwerkende kracht voor zover het een wijziging van het Formatiebesluit WPO en het Formatiebesluit WEC betreft.
Voor wat betreft de effecten voor het onderwijspersoneel voor de periode voorafgaand aan het moment van inwerkingtreding van het onderhavige wijzigingsbesluit, merk ik nog het volgende op. Onderwijspersoneel dat reeds nu gebruik maakt of gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid via het bevoegd gezag (een vergoeding voor) een computer en bijbehorende zaken te verwerven en dat doet door een deel van het salaris in te leveren, is eind 1999, voorafgaand aan de introductie van de zogenoemde "pc-privéregeling" door middel van een voorlichtingspublicatie onder meer op de hoogte gebracht van de (rechtspositionele) consequenties die aan de verlaging van het salaris kleven. Het betreft de voorlichtingspublicatie in verband met het toepassen van een onbelaste computervergoeding van 16 november 1999, die is bekendgemaakt in Uitleg, OCenW-Regelingen, nr.28 van 24 november 1999. In de publicatie, onder het opschrift Salaris, wordt ingegaan op de arbeidsvoorwaardelijke aanspraken die als gevolg van de genoemde keuze van het personeelslid, lager worden bijgesteld. Meer in het algemeen ga ik ervan uit dat werknemers alom bekend zijn met het gegeven dat de hoogte van het salaris bepalend is voor de hoogte van uitkeringen zoals de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. Een bijstelling van het salaris in neerwaartse zin op eigen verzoek, leidt dan als vanzelf tot een verlaging van de genoemde uitkeringen. In de toelichting wordt omwille van de duidelijkheid alsnog meer aandacht geschonken aan de genoemde voorlichtingspublicatie voor zover daarin wordt stilgestaan bij de neveneffecten die de genoemde regeling sorteert.
2. De overweging van de Raad van state op dit punt heeft geleid tot een aanpassing van het ontwerpbesluit in die zin dat de bepaling over meer werken ten behoeve van de inrichting van de werkruimte in de woning niet van toepassing is op het kalenderjaar 2000 (artikel 295a, derde lid, van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC). In dat jaar is geen sprake geweest van (verzilvering voor) vergoedingen voor meer werken in verband met de inrichting van die werkruimte.
3. De bepalingen in het Rechtspositiebesluit WPO/WEC die zien op het meer werken, zijn het resultaat van het akkoord dat is gesloten met werkgevers- en werknemersorganisaties in de sector onderwijs. Dat akkoord gaat niet uit van een wettelijke regeling die meer werken in het algemeen mogelijk maakt, maar stelt het onderwijspersoneel in de gelegenheid via de weg van het meer werken een aantal onbelaste vergoedingen en verstrekkingen te ontvangen. Om die reden zijn de bepalingen met betrekking tot het meer werken opgenomen in een enkel artikel dat gaat over belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen (artikel 107 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC).
4. In verband met de opmerkingen van de Raad van State ten aanzien van de uitbetaling van de vergoeding voor meer werken is een onderdeel aan het ontwerpbesluit toegevoegd waarbij artikel 101 van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC wordt gewijzigd. Het artikel is zo vormgegeven dat ook de uitbetaling van de vergoeding voor meer werken daarin expliciet is opgenomen. Voorts wordt in artikel 107 evenals in andere bepalingen van het Rechtspositiebesluit WPO/WEC is gebeurd, uitdrukkelijk aangegeven dat de vergoeding voor meer werken geen deel uitmaakt van het inkomen, bedoeld in het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.
5. In het aangepaste wijzigingsbesluit is rekening gehouden met de opmerkingen van redactionele aard die de Raad heeft gemaakt.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
(1) Nota van toelichting, bladzijde 7, laatste volledige alinea.
(2) Zie ook nota van toelichting bladzijde 1, laatste alinea van het algemeen gedeelte.
(3) Vergelijk artikel 3 Regelgeving IKAP-SZW.
(4) Dit zou betekenen dat de omschrijving van meer uren werken in de begripomschrijving van artikel I-P1 meer aangewezen voorkomt.